You are on page 1of 2

De woordenschat rondom ons

sjibbolet “wit”
jwr47

Wellicht het enige essay, waarin men de Oudnederlandse dualis “wit” (“wij twee”) zinvol te woord
kan laten komen...

Vannacht droomde ik weer eens van mijn eerste vriendinnetje. Het was een van die dromen, waarin
men zich in de halfslaap al tastbaar aan jeugdervaringen herinnert, aan de eigen taal, waarmee ik
haar verleidde en aan al die vreemde lichaamsdelen, die wit heimelijk mochten verkennen toen het
nog niet mocht...
Op haar vruchtbare dagen begonnen haar ogen te schitteren, zodra wit elkaar zagen. Dan
veranderden haar lange haren en groeiden uit tot een dieprode, donker glanzende bloesem. Dat
waren gevaarlijke episoden, die discipline vereisten. Die lange manen wilden urenlang geborsteld
worden. Dan werd het haar glanzender, van roodbruin tot violet, doorschijnend in het warme
zomerlicht...
In ons paradijs kenden wit geen zonde. Woorden voor de zondigheid werden omgevormd tot
liefdesdaden. Haar orchidee werd een “bloesem” en ik werd een “hommel” met de passende lange
tong. En om ons heen waren vele orchideeën, maar elke orchidee kon slechts door één passende
tong bevrucht worden.
Wit geloofden vast dat een eigen geheime taal de liefdesband cementeerde en garandeerde. Geen
derde mocht in deze geheimtaal binnendringen, waarin sleutelwoorden als sjibbolets elke toegang
vergrendelden.
Die geheimtaal was ons medium, de taal tussen ons beiden, die niemand verstond. Zo vast waren
wit aaneengehecht, dat wit nog de oude, allang uitgestorven dualis afgestoft hadden en het als een
eigen sleutelwoord voor onze tweeheid beschouwden. Het “wit” was het gewone alledaagse “wij”
met de “t” van de tweevoud.
Wit vochten soms nog als kleuters en onze moeders waren bang, dat ik bij die wilde spelletjes haar
polsjes zou kunnen breken. Het was de tijd, waarin ik ook nog oefende hoever ik met gesloten ogen
als een blinde op een verhardde weg rechtdoor kon doorlopen. Het moeten twintig tot dertig stappen
zijn geweest. Als wit gingen wandelen stuurde mijn schoonmoeder de herdershond achter ons aan,
die wel degelijk rook en jaloers was, dat wit doordrenkt waren van de jeugdhormonen.
Nagels heetten bij ons “poken”, de knieën “knoken”, de haren “manen”, de vreugdedruppels
“tranen”, de armen “zwengels”, de vingers “tengels” en "wit" waren wij twee.
Er was een zekere spanning tussen ons beiden opgestoken, die wit moedwillig opvoerden, alsof het
ene geheim niet al opwindend genoeg was....
De afwezigheid van de ouders vierden wit als “bessem”. Een begindeel van die woordenschat
behoorde tot het gewone jeugddialect, maar wit voegden daaraan allerlei vindsels toe.
Een vrijpartijtje werd tot “opera” verheven. In hoeverre wit een “meiboom” op konden zetten hing
van het “maantij” af. Van “eb” tot “vloed” en terug naar de eb vormde het “maantij” de
belangrijkste gebeurtenis van de maand.
Door veelvuldige oefening kon ik haar “korfjes” met één korte vingerbeweging loshaken en
bevrijden. Haar borstjes heetten “voetjes” en af en toe, maar wel pas als de eerste druppels "regen"
begonnen te vloeien, mocht ik in haar warme “orchidee” naar binnen kruipen. Zij was bezorgd, dat
haar beide “voetjes” elk evenveel aandacht ontvingen, omdat zij anders asymmetrisch groeiden...
Het orgasme heette bij ons “onweer” en het verre “gedonder” vormden de kloppende voorboden in
onze “slagaderen”. Zo was onze woordenschat opgebouwd en vrijuit konden wit onze geheimtaal in
de wekelijkse brieven uitleven.
Op een dag hadden wit zoveel herkenningswoorden verzameld, dat wit wisten bij elkaar te horen. In
onze woorden waren “wit” “paars”, waarin de ene het “blauw” en de ander het “rood” mocht
spelen. En vreemd was het toch, dat wit elkaar nooit hebben willen verklaren, dat de een van de
ander houdt, omdat het ene woord toch vanzelfsprekend en elke uitgesproken belofte overbodig
was.
Het woordje “wit” was ons dus veelbelovend genoeg. Elke overbodige belofte vormt een bedreiging
en kan het begin van een einde in een relatie markeren. Liever gebruiken wit onze eigen sjibbolets
en de geheime taal.
Om ons heen is de jaloerse herdershond en zijn vele andere omstanders weggestorven. De
woordenschat rondom ons “wit” heeft ons beschermd tegen alle wilde weersinvloeden van het leven
en het milieu. Elke aanval op ons geluk heeft het “wit” afgeschermd en vormt een pantser tegen de
wildheid van de buitenwereld...

Related Interests