You are on page 1of 17

Bericht van de altaarschellist

Over de “Lof der Zotheid”


jwr47

Samenvatting
De mens is een onoplettende, duffe diersoort, die gealarmeerd moet worden voor alle beduidende
evenementen zoals begin en einde van de heilige mis, de doop, huwelijksplechtigheden en de
begrafenis.
Voor ons allen bestaat het mensenleven dus uit een handjevol hoogtepunten, die door zware
klokslagen en lichtvoetige, speelse schellenklanken worden begeleid.
In de middeleeuwen en oorlogstijden waarschuwde de klokkenluider de bevolking voor een onheil
zoals een brand, een overstroming of een oorlogsinval. De huidige klokkenluider is iemand, die de
bevolking voor naderend onheil door geheim gehouden manipulaties, verboden handelingen en
allerlei vormen van corrupties waarschuwt.
Het is duidelijk, dat het monetaire systeem op een Ponzi-bedrog, de politiek op ontoelaatbare
geldstromen en het bijgeloof op een gefantaseerde bundel beloftes aan de gelovigen baseert.
De experts in de bovenlaag der bankiers, politiek en bijgeloof funderen de overmacht over de dieper
gelegen kasten op een elitaire opleiding en eeuwenlange documentatie van de “wetgeving”, die hen
deze overmacht verleent. Steeds weer blijkt de bovenlaag door het superieure denkvermogen de
zotte onderlaag naar believen te kunnen uitplunderen....
Dit essay vormt een uitleg voor de waarschuwing, die men uit de “Laus Stultitiae” (“Lof der
zotheid”1) dat Desiderius Erasmus in 1511 in Parijs gepubliceerd heeft.
In hoofdstuk 13 stelt Erasmus vast, dat de kindsheid en ouderdom met de Zotheid ten
nauwste verwant zijn. Kindsheid en ouderdom bevinden zich voor alle mensen in de regio
van de laagste denkvermogens. In hoofdstuk 17 categoriseert Erasmus de vrouwen tot de
redeloze wezens, die evenals de kinderen en ouderen gemakkelijk kunnen worden beheerst.
Ook de alcoholici, de vriendschap, het huwelijk, de zelfzucht, de oorlogen, de wijsgeren, het
menselijk bestaan, de dwazen, zotten, domkoppen en narren, de waanzin, het bijgeloof, de
adel, de godgeleerdheid, hovelingen, bisschoppen, kardinalen en Pausen komen aan de
beurt.
De Lof der zotheid was (met name de inhoud van hoofdstuk 53) nooit en te nimmer voor het
gewone publiek “Jan en alleman” gedacht.
Erasmus beschrijft van iedere kaste afzonderlijk de individuele eigen zotheid, die de afzonderlijke
bevolkingsgroepen markeert. De op de individuele zwakten opgebouwde hiërarchie wordt niet
expliciet beschreven, maar kan uit de Lof der zotheid afgeleid worden. Het is duidelijk, dat de
elitaire lagen door een elitaire kennisopbouw over een strategisch voordeel beschikken.
Wie over het boek Lof der zotheid kan lachen heeft het satirische essay over de eigen kaste niet
helemaal begrepen. Erasmus heeft de satirische stijl uitsluitend gekozen om ongestraft als
altaarschellist te kunnen publiceren.

1 Lof der zotheid (Moriae encomium, sive Stultitiae laus)


Introductie
De mens is een onoplettende, duffe diersoort, die gealarmeerd moet worden voor alle beduidende
evenementen zoals begin en einde van de heilige mis, de doop, huwelijksplechtigheden en de
begrafenis. Voor ons allen bestaat het mensenleven dus uit een handjevol hoogtepunten, die door
klokslagen en schellenklanken worden begeleid.
Aan het begin en op het eind van de Mis, vóór het introïtus en na het slotlied wordt
gebeld met de altaarschel, dit enkel wanneer de sacristiebel ontbreekt. Dit als
aanduiding van het begin en het eind der Mis2.

Er is ook een symbolische altaarschel, die het begin, het hoogtepunt en het einde van het
mensenleven door klokkenslagen markeert. De geniale compositie wordt door Edith Piaf et
Les Compagnons De La Chanson gezongen in Les Trois Cloches3. De tekst Les Trois
Cloches stamt van Jean Villard en schetst het leven van Jean-François Nicot4 in een unieke
klokkenvorm, die wat lijkt op de altaarschel.
De opgaven van de altaarschellisten en de klokkenluiders was geen sinecure. De meest riskante
beweging van de altaarschellist is de vervroegde waarschuwing van de gemeente, die de slaperige
gelovigen uit de zondagse sluimer opwekt. Nog gevaarlijker is echter het verlate signaal, dat pas na
de onthulling de zalige sluimer verstoort.
In de middeleeuwen en oorlogstijden waarschuwde de klokkenluider de bevolking voor een onheil
zoals een brand, een overstroming of een oorlogsinval. De huidige klokkenluider is iemand, die de
bevolking voor naderend onheil door geheim gehouden manipulaties, verboden handelingen en
allerlei vormen van corrupties waarschuwt.
Dit essay vormt een uitleg voor de waarschuwing, die men uit de “Laus Stultitiae” (“Lof der
zotheid”5) dat Desiderius Erasmus in 1511 in Parijs gepubliceerd heeft.
Ik voel mij gedwongen dit boekje in een geheime taal (het Nederlands met enkele complexe
woorden Latijn en Frans) te publiceren, die bij de diverse geheime diensten niet zo snel ontdekt kan
worden en door talloze schijnbewegingen hooguit tot misleidende conclusies leidt. Om deze
redenen wordt het woord klokkenluider vervangen door “altaarschellist” en wordt de introductie in
de materie door diverse ontleende afbeeldingen uit atlassen en speelse kinderboekjes verheimelijkt.
Het is duidelijk, dat de openbaring van geheime mechanismen ongewenst is, maar ik heb al een
aanzienlijke leeftijd bereikt en ben niet meer bang voor de dood of een opsluiting in een afgelegen
concentratiekamp op een Caribisch eilandje “C***” dat met een C begint en waar men zonder vorm
van proces ook lastige altaarschellisten opsluit.
Erasmus (1469-1536) zelf was een priester, die de geheime methoden der kerkelijke autoriteiten wel
degelijk heeft gekend en in zijn Lof der zotheid nader toelicht. Hij schreef dat werkje als een
vingeroefening in het Latijn, zodat het voor de gewone burgers nog enkele eeuwen ontoegankelijk
bleef. Qua inhoud mocht het nooit de Index librorum prohibitorum (1559 tot 19666) mogen
ontlopen, maar werd enkele jaren te vroeg gepubliceerd om te worden verboden. In de Liste von
Autoren, deren Werke auf dem Index Librorum Prohibitorum standen bevindt zich onder de
categorie “All books or writings by an author prohibited” ook de naam Desiderius Erasmus.
2 Altaarschel
3 Edith Piaf et Les Compagnons De La Chanson "Les 3 cloches" (live officiel) | Archive INA
4 François Nicot (1858-1929) zou in het "dorp aan de voet van de vallei" van het lied (Baume-les-Messieurs) hebben
geleefd, maar deze bewering wordt in Wikipedia als legende beschreven. (Le « Village au fond de la vallée »)
5 Lof der zotheid (Moriae encomium, sive Stultitiae laus)
6 De Index librorum prohibitorum (lijst van verboden boeken) of kortweg de Index was van 1559 tot 1966 een
door de paus vastgestelde lijst van boeken die katholieken niet mochten lezen omdat ze door de Rooms-Katholieke
Kerk verwerpelijk werden geacht. (bron: Index librorum prohibitorum)
De altaarschellist in de huidige journalistiek
Tot mijn spijt moet ik bekennen dat in de huidige journalistiek slechts weinige altaarschellisten de
moed opbrengen de waarheid aan het licht te brengen.
Talloze moedige journalisten hebben het geprobeerd en zijn tussen de klippen en rotsen verpletterd.
Carl von Ossietzky (1889 – 1938) behoorde tot de moedigen, die een verboden herbewapening van
de Duitse luchtmacht durfde publiceren7. Die gegevens behoorden destijds niet eens tot de
staatsgeheimen en hij kon dus niet echt voor landverraad terechtgesteld worden.
De machthebbers accepteren echter geen openbaring van de actuele methoden, waarmee zij de
macht uitoefenen. Wat er gebeurt als men geheime methodes openbaart kan men in de journalistiek
uit de levenslopen van altaarschellisten aflezen, bijvoorbeeld:
Toch werd hij de ochtend na de brand in de Rijksdag naar het concentratiekamp
Esterwegen gestuurd waar hij zwaar mishandeld werd. Uiteindelijk zou hij in 1938 aan
de gevolgen van deze mishandeling sterven.

In 1935 kreeg Von Ossietzky de Nobelprijs voor de Vrede. Die toekenning was een
impuls voor de internationale campagne om hem vrij te krijgen. Hij kreeg geen
toestemming om zijn prijs in Zweden op te halen waardoor deze niet kon worden
uitgereikt. Het reglement bepaalt dat de laureaat of zijn familie de prijs in Stockholm in
ontvangst moet nemen. Vanaf die tijd verboden de nazi's elke Duitser het ophalen en
daarmee erkennen van de Nobelprijs.

Von Ossietzky werd in 1938 ziek. Hij leed aan een terminale vorm van tuberculose. Op
4 mei 1938 overleed Von Ossietzky in het ziekenhuis8.

De overheid belooft steeds opnieuw, dat de altaarschellisten beschermd moeten worden, maar in de
praktijk is dat een loze belofte. De overheid zelf behoort tot de machthebbers, die de kennis over de
methode der machtsuitoefening geheim willen houden. Zij zelf profiteren van het inzicht in de
machtsmethoden en leven bij de gratie van de geheimhouding.
De journalisten moeten een andere methode kiezen om het publiek op de veelvuldig corrupte
machtsmethodes te wijzen.
In dit artikel wordt slechts de algemene neutrale machtsmethode aan de hand van de satirisch
getinte Lof der zotheid uitgelegd, alhoewel de auteur het boek in feite uitsluitend voor de insiders
zoals zijn vriend Thomas More9 bedoeld heeft10.
De Lof der zotheid was nooit en te nimmer voor het gewone publiek “Jan en alleman” gedacht.
Wie over het boek Lof der zotheid kan lachen heeft het satirische essay over de eigen kaste niet
helemaal begrepen. Erasmus heeft de satirische stijl uitsluitend gekozen om ongestraft als
altaarschellist te kunnen publiceren. In feite vormde de satire een ernstige aanklacht tegen alle
machtsorganen, die echter zoals gebruikelijk alle waarschuwingen in de wind sloegen.

7 In 1927 publiceerde de krant Die Weltbühne, waar von Ossietzky toen hoofdredacteur van was, een artikel over de
verborgen Duitse herbewapening, wat inging tegen het Verdrag van Versailles uit 1919. Deze keer werd von
Ossietzky wel veroordeeld, voor smaad, en ging hij voor een maand de gevangenis in. (bron: Carl von Ossietzky)
8 Carl von Ossietzky
9 de auteur van 'Utopia'
10 Erasmus was bevriend met Thomas More en deelde diens gevoel voor humor en intellectuele interesses. Erasmus
droeg de Lof der Zotheid ook op aan deze Engelse humanist wiens Utopia enkele jaren later tot stand kwam.
De zeekaart van de gitarist
Alle nu volgende schijnbewegingen zijn ook versierselen, die Erasmus zelf in zijn Lof der zotheid
toepast. Hij beschrijft hoofdzakelijk de zotheid, die de mens als een hulpeloos kind, als een
krakkemikkige oude van dagen, een onwetende vrouw en nog een aantal andere wanstaltige en
onhandige schepselen karakteriseren. Wat hij verzwijgt is de boosaardige en geslepen intelligentie
waarmee enkele Latijnssprekende schurken de hulpeloze medeburgers uitkleden en beroven. Het is
een universeel principe, dat men op alle hulpeloze en onwetende medemensen kan toepassen.
Elke mens wordt als een hulpeloos wezentje in het water geworpen en begint zijn leven als een
soort kikkerdril. Ik stelde mij een plas water voor, die ik op de lagere school in een landkaart als
“gitarist” ontdekt had. Om onduidelijke redenen werd de “blauw gekleurde gitarist” zelf als
“Botnische Golf”, de “rode gitaar” als de “Finse golf” en het daaronder liggende “gele dier” als de
“Oostzee” met als kop de “Golf van Riga” betiteld:

Fig. 1: Om onduidelijke redenen werd de blauw gekleurde gitarist zelf als “Botnische
Golf”, de rode gitaar als “Finse golf” en het daaronder liggende gele dier als de
“Oostzee”met als kop de “Golf van Riga” betiteld.
In het water geworpen leert de mens eerst de wereld als een onderwater gelegen heelal kennen. De
meeste kikkervisjes worden daarin al vroeg door predatoren verzwolgen of door parasieten
geïnfecteerd. Alleen de overlevenden kunnen de aarde pas later als een paradijs vol manipulaties
ervaren.
Ieder land wordt door parasieten geregeerd. In het zuiden is het parasitisme het heftigst. In het
noorden verlopen de parasitaire infecties milder en minder heftig, maar in de koudere klimaatzones
is het leven is zwaarder.

Mijn leraren waren arme oorlogszonen die het priesterschap en het seminarie kozen om een
goede opleiding te kunnen volgen. Zij waren wereldheren, die de gelofte van kuisheid, maar
geen belofte van armoede aflegden. Over het algemeen waren het uitstekende leraren, die de
tijd volledig aan het onderwijs besteden konden. Geen van de jongere wereldheren was een
overtuigd priester, omdat zij later – bij het aanbreken van de welvaartsperiode rond
1975/1985 – vrijwel allemaal uitgetreden zijn. Van de oudere generaties heb ik enkele
priesterleraren al vroeg uit het oog verloren. Van de anderen vernam ik op reünies, dat de
meesten ouderen als gepensioneerd priester gestorven zijn.
Gedurende mijn gymnasiumopleiding (1960-1966) vond de grote uittredingsgolf uit de Kerk
plaats, waarin gelovigen en priesters in grote scharen het geloof de rug toekeerden.
Tijdens mijn studiejaren op het internaat van een Bisschoppelijk College heb ik Le Petit Prince (De
Kleine Prins) kunnen lezen, maar de Lof der zotheid alleen theoretisch waargenomen. Vermoedelijk
werd de Index der verboden boeken nog steeds gerespecteerd. Sommige boeken zoals Lady
Chatterley's Lover en werken van Jan Wolkers circuleerden in het internaat in de enigszins
afgeschermde fauteuils. Een openbare tentoonstelling van verboden boeken was al even ongewenst
als het uitslapen tijdens de gezamenlijke misviering op zondag.
De olifant van Antoine de Saint-Exupéry
Ongetwijfeld heeft iedereen destijds dezelfde landkaart ontdekt en ook andere bekende tekeningen
ontcijferd. Een van de bekendste onthullers was de vliegende filosoof Antoine de Saint-Exupéry, die
zijn ontdekking van de macht der tekeningen in zijn meesterwerk Le Petit Prince (De Kleine Prins)
heeft ontplooid. Ter ere van zijn werk introduceer ik zijn tekening als de basis voor de uitleg van het
geheime wereldprincipe, dat even eenvoudig uitgelegd kan worden als de olifant, die door de slang
in Le Petit Prince verzwolgen wordt.
Als kind verwondert zich de zesjarige Antoine de Saint-Exupéry waarom de volwassenen zijn eerste
gekleurde tekening met de titel “Mon dessin numéro 1” niet begrepen. Op zijn vraag of de tekening
hen angst aanjoeg werd steevast beantwoord met: “Pourquoi un chapeau ferait-il peur?”.

Fig. 2: Dessin numéro 1 in Le Petit Prince

Zijn tekening symboliseerde geen indrukwekkende gevaarlijke situatie. Daarop besloot de jeugdige
tekenaar zijn tekening aan te passen en de situatie in een tweede tekening te verduidelijken:

3: Dessin numéro 2 in in Le Petit Prince

Daarop reageerden de volwassenen op een verontrustende wijze en waarschuwden de kleuter die


tekeningen met wurgslangen (Boa constrictors) en opgeslokte olifanten achterwege te laten en
liever de tijd te besteden aan aardrijkskunde, geschiedenis, rekenen en schrijven. De zesjarige
Antoine gaf dus een veelbelovende carrière als grafisch kunstenaar op en stortte zich vervolgens op
andere kunsten.

Fig. 4: Levenscurve tussen geboorte en puberteit (kleuterzotheid) in een opstijgende lijn,


die kort na de vergrijzing overgaat in een slaperige versuftheid en andere zotheden.
In dit essay worden de tekeningen uit Le Petit Prince horizontaal gespiegeld, omdat ik de tekening
“Dessin numéro 1” overneem als illustratie van de hoofdthese in de Lof der zotheid, waarin de
intelligentie en levenservaring tussen de geboorte en de puberteit een snelle stijging van de
kleuterzotheid tot de slimme scholier ondergaat en kort voor het huwelijk een geleidelijk
opstijgende lijn volgt, die door de dementie, vergrijzing en naderende dood relatief snel overgaat in
een genadig levenseinde met een fase van slaperige versuftheid en andere zotheden.
De tweefasige ervaringsniveaus
Tot dusver is er geen enkel verschil tussen de levenservaring van de mensen en andere dieren. Ook
de leeuw, de tijger, der giraffe, de olifant en de wurgslang ondergaan deze levenscurves. De mens
echter heeft daaraan de tweefasige ervaringsniveaus toegevoegd, die men wellicht het beste als een
soort “IQ” (intelligentieniveau) mag beschouwen, maar in dit bericht met een andere definitie als
“denkvermogen” betiteld wordt.
Het “denkvermogen” beschrijft het inzicht in de manipulatiemethoden der mensheid en de
bijbehorende ervaring in het manipuleren van de minder ervaren mensen.
Het hoogste “denkvermogen”-niveau (300) wordt algemeen als “expertniveau” beschouwd, terwijl
het laagste niveau als de “zotheidsklasse (100) der gemiddelde volwassenen” moet worden
beschouwd.
Er zijn talloze klassen aanwijsbaar, waarin men de expertise kan opbouwen. Tot de bekende
expertisen behoren niet alleen de dictatuur van de adel, volksmenners, de soorten hekserij en
afgoderij, maar ook de geneeskunde, het bankwezen, de verkoop van onroerend goed,
verzekeringen, spaarcontracten, metalen, sieraden en andere waardevolle elementen.
Welke expertise men opdoet speelt in feite geen rol. Wie zich door ijverige leerfasen tot een expert
weet op te werken, kan op dat gebied een eervolle, goede boterham verdienen. Wie nog een stap
verder gaat en de halve of hele wereld leert beheersen, kan de hele wereld kopen of vernietigen.

Expert 300

Denkvermogen

Standaard 100

Geboorte Dood
schets 1: Denkvermogen van de experts (300) en gemiddelde bevolking (100)
De tweefasige niveaus in Lof der Zotheid
Na de uitleg van deze principes kan men overgaan tot de interpretatie van de Lof der
zotheid, dat aan Thomas More opgedragen werd. Oorspronkelijk heeft Erasmus het werk
niet in hoofdstukken opgedeeld. In de analyse worden de hoofdstukken ter oriëntering
aangehaald11.
In 1492 wordt Erasmus tot priester gewijd en in 1516 wordt hij benoemd tot raadsman van
Karel V. De Lof der zotheid is een satire die in 1509 gedurende een week tijdens een verblijf
bij Thomas More werd geschreven en in 1511 werd gepubliceerd.

Kindsheid en ouderdom
In hoofdstuk 13 stelt Erasmus vast, dat de kindsheid en ouderdom met de Zotheid ten nauwste
verwant zijn. Kindsheid en ouderdom bevinden zich voor alle mensen in de regio van de laagste
denkvermogens:
Vooreerst dan, wie weet niet, dat de eerste levensjaren van den mensch verreweg het
vroolijkst zijn en verreweg bij allen het meest in de gunst staan? Want hetgeen wij in de
kleine kinderen zoo kussen, zoo omhelzen en zoo troetelen, dat zelfs een vijand dezen
leeftijd te hulp komt, is zeker niets anders dan het bekoorlijke der zotheid, dat de
verstandige natuur met opzet aan de pas geborenen geschonken heeft om hen in staat te
stellen door een soort van vergoeding, bestaande in genot, zoowel al het lastige hunner
opvoeding te verzachten, als gunsten van hun beschermers af te vleien.

Het volk slaat daarom den spijker op den kop, als het grijsaards "op nieuw kinderen"
pleegt te noemen. Vraagt iemand mij voorts, hoe ik deze verandering teweeg breng, dan
wil ik zelfs dit niet voor hem verborgen houden. Ik voer hen naar de bron van onze
Lethe, die op de eilanden der gelukzaligen ontspringt--want in de onderwereld stroomt
slechts een smal beekje--om daar, na de vergetelheid in lange teugen te hebben
ingeslorpt, van alle beslommeringen allengskens verlost, weer jong te worden. "Maar zij
zijn de kluts kwijt, zij zijn onwijs," voert men daartegen aan. Zeker, maar juist hierin
bestaat het weer kind worden. Is wel een kind zijn iets anders dan de kluts kwijt, dan
onwijs zijn? Trekt dit ons niet het allermeest in dien leeftijd aan, dat hij volstrekt geen
wijsheid bezit? Wie zou toch een knaap met de wijsheid van een man niet als een
wangedrocht verfoeien en vervloeken? Hiermee rijmt ook het algemeen bekende
volksgezegde: "Ik hou van 't jongsken niet, dat wijs is vóór zijn tijd."

Fig. 5: Kindsheid en ouderdom bevinden zich


voor alle mensen in de regio van de laagste
denkvermogens

11 Bronvermelding: De Lof der Zotheid by Erasmus, Desiderius, 1469-1536; Kan, J. B. [Translator]; Holbein, Hans,
1497-1543 [Illustrator]
Het is duidelijk dat Erasmus de jeugd- en de ouderdomsfase samenvat en de macht over de jeugd
plus ouderdomsfasen gelijkstelt. Beide zijn gemakkelijk te regeren en door zotheid bevangen:
Er bestaat immers tusschen hen geen verschil dan dat de grijsaard wat rimpeliger is en
wat meer verjaardagen telt. Overigens--wit haar, een mond zonder tanden, een kleine
gestalte, trek in melk, hakkelend spreken, babbelzucht, malligheid, vergeetachtigheid,
onbedachtzaamheid, kortom al het overige komt overeen. Hoe dichter zij tot de grijsheid
naderen, des te meer beginnen zij ook weer op kinderen te gelijken, totdat zij op de
wijze van kinderen, zonder het leven zat te zijn en zonder de nadering des doods te
bemerken, het leven verlaten.

De dwaasheid van de vrouwen


In hoofdstuk 17 categoriseert Erasmus de vrouwen tot de redeloze wezens, die evenals de kinderen
en ouderen gemakkelijk kunnen worden beheersd:
Als Plato schijnt te twijfelen, tot welk van beide soorten hij de vrouw zal brengen, tot de
redelijke of redelooze wezens, dan is zijn bedoeling zeker geen andere dan te wijzen op
de in het oog springende dwaasheid van die sekse. Wanneer soms de een of andere
vrouw voor wijs mocht willen doorgaan, dan wordt zij ten slotte slechts een dubbele
zottin, evenals of iemand een os in het worstelperk wilde brengen, in strijd met zijn
geheelen bouw en aanleg.

Evenals, volgens het Grieksche spreekwoord, een aap altijd een aap blijft, ook al draagt
hij een purperen kleed, zoo ook is een vrouw altijd een vrouw, d. i. een zottin, welk
masker zij ook voordoe. Toch acht ik het geslacht der vrouwen niet in die mate zot, dat
zij mij het kwalijk zullen nemen, dat ik haar, ofschoon zelf een vrouw en nog wel de
Zotheid, de eigenschap van zotheid toeken. Immers, wanneer zij de zaak naar behooren
overwegen, dan moeten zij juist hiervoor der Zotheid dank weten, dat men haar vrij
eenstemmig voor gelukkiger houdt dan de mannen.

De man komt er echter niet beter vanaf omdat hij voor de genoegens der liefde de grootste onzin
aan kinderpraat uitkraamt:
Hebben zij dan inderdaad iets anders, dat haar meer de harten der mannen wint, dan
haar dwaasheid? Geven zij den vrouwen niet in alles haar zin? En dat zonder eenige
andere vergoeding dan zingenot, terwijl het eenige aantrekkelijke in haar de zotheid is.
Dat zal wel niemand ontkennen, die bedenkt, welke dwaasheden een man bij een vrouw
uitkraamt en welke malligheden hij doet, zoo vaak hij de genoegens der liefde wil
smaken. Zoo weet gij dan nu, uit welke bron het eerste en voornaamste levensgenot
voortkomt.

De zotheid der alcoholici


In hoofdstuk 17 categoriseert Erasmus ook de alcoholici tot de zotte categorie, waardoor alleen nog
de volwassen, maar nog niet dementerende mannen, die zich als nuchtere vrijgezellen op een
maximaal denkvermogen specialiseren:
Maar er zijn eenigen, vooral onder de grijsaards, die meer van drinken dan van vrouwen
houden en daarom hun hoogste genot in drinkgelagen stellen.
De zotheid der vriendschapsbanden
In hoofdstuk 19 wordt zelfs de vriendschapsband tussen twee mensen bekritiseerd, die baseert op
een zot gebrek, dat wel bij iedereen ergens kan worden waargenomen :
Is ook niet de bekende Cupido, de bewerker en vader van elke nauwe betrekking,
volslagen blind? Evenals hem het niet schoone schoon voorkomt, brengt hij het
tusschen U ook zoo ver, dat ieder het zijne voor schoon houdt, zoodat een oude
smoorlijk is van zijn oudje, evenals een jong kereltje van zijn meisje. Dit ziet men
dagelijks gebeuren en men lacht er om, maar juist deze belachelijkheid lijmen koppelt in
't leven het prettige verkeer te zamen.

De zotheid der gehuwden


In hoofdstuk 20 komen ook de gehuwden aan de beurt:
O, wat zouden er weinig huwelijken gesloten worden, zoo de bruidegom zoo wijs was
een onderzoek in te stellen, welke aardigheden dat schijnbaar zoo fijne en zedige
maagdekijn reeds lang voor haar huwelijk heeft uitgehaald!

Men lacht hem uit, men noemt hem een koekoek, een hoorndrager en wat niet al, terwijl
hij met zijn lippen de wangen der overspeelster droog kust. Maar hoeveel gelukkiger is
het zoo te dwalen, dan uit ijverzucht alles nauwkeurig na te gaan en hierdoor zoowel
zichzelf ongelukkig te maken als de geheele wereld met schandalen te vervullen!

De zotheid der verbintenissen


In feite baseert elke verbintenis op een zotheid (hoofdstuk 21). Alleen een kuis levende kluizenaar
(als Erasmus ??) heeft een kans de dans der zotheid te ontlopen:
Kort en goed: zoo zeer is elke gemeenschap, elke verbintenis in 't leven zonder mij
onaangenaam of onzeker, dat noch een volk zijn vorst, noch een heer zijn slaaf, noch
een dienstmeisje haar meesteres, noch een leeraar zijn leerling, noch de eene vriend den
ander, noch een verhuurder zijn huurder, noch de eene huisgenoot of gast den ander
langer zou kunnen verdragen, zoo zij zich niet nu eens beurtelings in elkander vergisten,
dan weer elkander vleiden, nu eens met overleg een oog toedrukten, dan weer elkander
een weinig honig der dwaasheid om den mond smeerden.

De zotheid der zelfzucht


In hoofdstuk 21 wordt ook de zelfzucht onderzocht:
Tenslotte, terwijl toch het hoogste geluk hierin bestaat, dat men wil zijn wat men is,
danken wij dit alles zeker kort en goed aan mijn Philautia, dat niemand ontevreden is
met zijn voorkomen, niemand met zijn karakter, niemand met zijn afkomst, niemand
met zijn stand, niemand met zijn leefwijze, niemand met zijn vaderland, zoodat geen Ier
met een Italiaan, geen Thraciër met een Athener, geen Scyth met een bewoner der
gelukzalige eilanden wil ruilen. Hoe eenig is niet de zorg der natuur, dat zij bij een zoo
groote verscheidenheid alles zoo volkomen gelijk heeft gemaakt!
De zotheid der soldaten
De soldaten worden in hoofdstuk 23 als het schuim van het mensdom beoordeeld, waarin de
wijsgeren uiteraard ontbreken:
Men heeft dikke en vette kerels noodig, die zooveel mogelijk stoutmoedigheid doch zoo
weinig mogelijk verstand bezitten.

Maar, werpt men mij tegen, beleid in de oorlogen legt het grootste gewicht in de schaal.
Dit erken ik--bij den veldheer; maar het is een krijgswetenschap, die met de
wijsbegeerte niets te maken heeft; overigens wordt dit zoo voortreffelijke beroep door
tafelschuimers, koppelaars, roovers, sluipmoordenaars, boeren, stommeriken,
bankroetiers en dergelijk schuim van 't menschdom uitgeoefend, niet door de naar hun
studeerlamp riekende wijsgeeren.

De zotheid der wijsgeren


In hoofdstuk 24 krijgen ook de wijsgeren het advies de wijsheidskwaal niet door te geven aan een
navolgende generatie:
Immers dit soort van menschen, die zich aan de wijsbegeerte wijden, pleegt, behalve in
alle andere opzichten, bovenal in het voortplanten van hun geslacht hoogst ongelukkig
te zijn, omdat de natuur, naar 't mij voorkomt, zorgt, dat die wijsheidskwaal zich niet te
ver bij de menschen verbreide. Zoo weet men, dat Cicero een ontaarden zoon had, en de
kinderen van den wijzen Socrates geleken meer op hun moeder dan op hun vader d.i. zij
waren, volgens de lang niet verkeerde opmerking van zekeren schrijver, dwaas.

Noodig den wijze op een gastmaal, en hij zal of door zijn norsch stilzwijgen of door zijn
lastige vragen het feest bederven.

Want wat van al hetgeen er ter wereld geschiedt, is niet vol zotheid en niet door zotten
en bij zotten? Zoo één mensch soms lust heeft zich tegen allen te zamen te verzetten,
hem zou ik raden, op het voorbeeld van Timon, een eenzaam plekje op te zoeken en
daar afgezonderd van de wereld zich te vermeien in zijn wijsheid.

Het leven als speling van de zotheid


De wijsgeren hebben geen schijn van kans om de wetten te formuleren (hoofdstuk 27):
Welke staat heeft ooit de wetten van Plato of Aristoteles of de leerstellingen van
Socrates tot de zijne gemaakt?

En toch is dit de bron der daden dier dappere helden, die door de geschriften van
zooveel uitstekende mannen hemelhoog verheven worden. Deze zotheid is de moeder
der staten, door haar bestaan heerschappijen, magistraten, godsdienst,
raadsvergaderingen, rechtbanken en het geheele menschelijke leven is volstrekt niets
anders dan een speling der Zotheid.
De kern van de zotheid
In hoofdstuk 32 bereikt de auteur de rol van de wetenschap, die de vijandelijk god Theut de
demonische “wetenden” toebedeeld heeft en adviseert van het bestuderen van de wetenschappen af
te zien:
Den mensch alleen, beweren zij, is de kennis der wetenschappen gegeven, om met
behulp van dezen hetgeen van de natuur te weinig ontvangen is, door zijn verstand aan
te vullen. Alsof het eenige schijn van waarheid had, dat de natuur, die voor de muggen
en zelfs voor de kruiden en bloempjes zoo angstvallig gewaakt heeft, bij den mensch
alleen zoo zou gedut hebben, dat hij de wetenschappen noodig had, welke Theut, de
vijandige geest, tot verderf van het menschelijk geslacht heeft uitgevonden, de
wetenschappen, waardoor ons geluk zoo weinig bevorderd wordt, dat zij juist datgene
benadeelen, waartoe zij, naar men wil, zijn uitgevonden, zooals die verstandige koning
dit bij Plato zoo keurig omtrent de uitvinding van het letterschrift betoogt. Daarom
behooren ook de wetenschappen tot die inkruipsels, welke, met zooveel andere, het
menschelijke leven bedorven hebben en wel door toedoen van diezelfde wezens, aan
wie alle wandaden haar oorsprong te danken hebben, de daemonen, die daaraan ook hun
naam ontleenen, die men door "wetenden" zou kunnen verklaren. Dat eenvoudige volk
der gouden eeuw kende immers de wapenen der wetenschappen niet en leefde alleen
volgens de leiding en de stem der natuur. Waartoe had men toch de spraakkunst noodig,
daar allen dezelfde taal bezigden en men met het spreken geen ander doel beoogde dan
elkaar te verstaan?

Doch toen langzamerhand de reinheid der gouden eeuw verdween, zijn eerst, gelijk ik
reeds opgemerkt heb, door die booze geesten kunsten en wetenschappen uitgevonden,
maar zij waren weinig in aantal en deze vonden nog bij weinigen ingang. Later voegde
het bijgeloof der Chaldeeërs en de ledige lichtzinnigheid der Grieken tallooze andere
hierbij, enkel en alleen tot pijniging der geesten, zoodat zeker de spraakkunst alleen
volop in staat is het leven tot een onafgebroken foltering te maken.

Toch zijn onder deze wetenschappen juist diegene het meest in eere, welke het dichtst
onder het bereik van een gewoon menschelijk verstand m. a. w. van de Zotheid vallen.
De godgeleerden hongeren, de natuurkundigen zijn in minachting, de sterrekundigen
worden uitgelachen en om de professoren in de redeneerkunst bekommert zich niemand.
Alleen de geneesheer weegt tegen vele andere mannen op. En zelfs van dit slag van
geleerden wordt iemand, hoe ongeleerder, vermeteler en onbedachtzamer hij is, des te
meer geëerd zelfs bij de hooge heerschappen.

Het geluk der dieren


De dieren, die van al wat kunst is, verschoond blijven, zijn het gelukkigst.

Hoeveel verkieslijker is het leven van vliegen en vogeltjes, die geheel naar het
oogenblik en alleen naar het hun ingeschapen gevoel leven, mits de lagen der menschen
het hun slechts vergunnen. Als zij soms in kooien opgesloten langzamerhand
menschelijke klanken leeren na spreken, verliezen zij verbazend veel van hun
natuurlijke schoonheid. Zoozeer heeft het natuurlijke in alles den voorrang boven het
gekunstelde.
Over de dwazen, zotten, domkoppen en narren
Dwazen, zotten, domkoppen en narren zijn veel gelukkiger dan wijzen. Als zij ten slotte
nog nader bij het onverstand der redelooze dieren komen, dan kunnen zij, volgens het
beweren der Godgeleerden, zelfs niet meer zondigen.

Het geluk der waanzinnigen


In hoofdstuk 38/39 wordt het geluk der waanzinnigen geanalyseerd:
Den man, die, als hij een pompoen ziet, hem voor een vrouw houdt, dien noemt men
krankzinnig, omdat dit slechts bij zeer weinig menschen voorkomt. Maar als iemand bij
kris en kras zweert, dat zijn wettige echtgenoote, wier bezit hij met velen deelt, nog
kuischer is dan Penelope, en zichzelf nog meer behaagt, omdat hij in zulk een gelukkige
dwaling verkeert, dan gaat hij bij niemand voor krankzinnig door, omdat men ziet, dat
dit bij echtgenooten vrij algemeen voorkomt.

De zotheid van het bijgeloof


In hoofdstuk 40 wordt het “bijgeloof” wordt als zotheid beschreven, alhoewel het bijgeloof in de
relikwieën van de heiligen St. Vitus12 en in de St. Willibrordusputten nota bene in grote delen van
Nederland en de omringende landen door monniken onder de regie van de Kerk ingevoerd werd13:
Is 't voorts haast niet even dwaas, dat iedere streek aanspraak maakt op haar eigen
heilige, dat men de verschillende werkzaamheden onder hen verdeelt, en aan ieder ook
zijn eigen ceremoniën toewijst, zoodat de een moet helpen bij tandpijn, gene zijn
bijstand verleenen bij het kraambed, een derde een gestolen voorwerp terugbezorgen,
een vierde als gunstig gesternte bij een schipbreuk moet stralen, een vijfde het vee
beschermen, enz. Want het zou hoogst vervelend worden alles op te sommen. Er zijn er
ook, die in meer zaken tegelijk invloed hebben, vooral de moedermaagd, aan wie het
gros der menschen haast grooter macht toekent dan aan haar zoon.

Voor de priesters is het bijgeloof en de zotheid der gelovigen nuttig en voordelig omdat het de
penningsken oplevert:
In die mate krioelt het geheele leven aller Christenen van dergelijke dolheden, die echter
de priesters zonder eenig bezwaar niet alleen toelaten, maar zelfs bevorderen, omdat zij
zeer goed weten, welke voordeeltjes daaruit bij voortduring voor hen te winnen zijn.
Indien nu te midden van dit alles de een of andere hatelijke wijze opstaat en deze
waarheden verkondigt: Als ge goed geleefd hebt, zult ge geen slechten dood hebben; ge
koopt u vrij van uw zonden, als ge bij uw penningsken voegt den afkeer van misdaden,
voorts tranen, nachtwaken, gebeden, vasten en tevens een geheelen ommekeer in uw
levenswijze; dán zal deze heilige u gunstig zijn, als gij zijn levenswijze tracht na te
volgen -- als, zeg ik, die wijze deze en dergelijke woorden hun toeroept, dan kunt ge
begrijpen, welk een stoornis hij eensklaps weer brengt in de gemoederen van menschen,
die nog pas zoo gelukkig waren.

12 De éénmaking van het middeleeuwse Europa


13 De fundamenten van de samenleving
De zotheid der adellijke titels
Hoofdstuk 42 behandelt de dwazen, die zich op hun adellijken titel laten voorstaan.
De een brengt zijn geslacht terug tot Aeneas [186], een tweede tot Brutus [187], een
derde tot Arcturus [188]. Zij laten u overal de beelden en portretten van hun voorouders
zien. Zij tellen het aantal hunner over- en betovergrootvaders en vermelden hun oude
bijnamen, terwijl zij zelf niet veel beter zijn dan een stom beeld, ja haast nog minder
dan die konterfeitsels, waarmee zij pralen. Desniettemin leiden zij tengevolge van deze
zoete eigenliefde een allergelukkigst leven en het ontbreekt niet aan even groote zotten,
die tegen dit soort van stomme dieren als tegen goden vol eerbied opzien.

De zotheid der godgeleerdheid


Het omvangrijkste hoofdstuk (53) is gewijd aan de godgeleerdheid, waarover Erasmus eigenlijk
liever had gezwegen14.
Misschien zou het beter zijn de Godgeleerden met stilzwijgen voorbij te gaan en niet in
dezen modderpoel te roeren of slapende honden wakker te maken, omdat dit slag van
menschen verbazend laatdunkend en prikkelbaar is. Zij zouden mij misschien bij
drommen met duizenden conclusies te lijf gaan en dwingen te herroepen om, als ik dit
mocht weigeren, op staanden voet de beschuldiging van ketterij uit te galmen. Want zij
staan altijd dadelijk klaar om met dezen bliksem een ieder angst aan te jagen, wien zij
niet bijzonder genegen zijn.

Gelukkig door hun eigenliefde zien zij, alsof zij zelf in den derden hemel woonden, op
alle overige stervelingen als op aardwormen uit de hoogte haast met een gevoel van
medelijden neer. Veilig achter een drom van magistrale bepalingen, sluitredenen,
gevolgtrekkingen, ontwikkelde en ingewikkelde voorstellingen bezitten zij zulk een tal
van schuilhoeken, dat zelfs de ijzeren netten van Vulcanus hen niet kunnen vasthouden.
Zij weten te ontsnappen door middel van onderscheidingen, waardoor zij alle knoopen
als met een bijl van Tenedos doorhakken, en altijd hebben zij pas uitgedachte woorden
en monsterachtige uitdrukkingen in voorraad. Zoo verklaren zij verder geheel naar hun
goedvinden de ondoorgrondelijkste geheimenissen bijv., op welke wijze de wereld
geschapen is en geordend; langs welke wegen de erfzonde over het nageslacht gekomen
is; op welke wijzen, in welke grootte en in hoe weinig tijd Christus in den schoot der
heilige maagd voldragen is; hoe bij het avondmaal bijkomstige dingen afgescheiden van
de substantie kunnen bestaan. Maar dit is werk voor Jan en alleman. De volgende
strijdvragen achten zij eerst groote en, om hun eigen woorden te bezigen, verlichte
Godgeleerden waardig. Daarom worden zij bij deze, als zij soms voorkomen, recht
wakker: kan er sprake zijn van een meetbaar tijdstip bij de goddelijke geboorte? Is
Christus in meer dan één opzicht God's zoon? Is de stelling mogelijk: God, de vader,
haat den zoon? Kan God de gestalte aannemen van een vrouw, een duivel, een ezel, een
pompoen of een keisteen? Maar dan: hoe zou een pompoen gepreekt en wonderen
verricht hebben en hoe had hij moeten gekruisigd worden? Wat zou Petrus gewijd
hebben, als hij het misoffer had opgedragen gedurende den tijd, dat Christus' lichaam
aan het kruis hing? Zou men Christus gedurende dienzelfden tijd een mensch hebben
kunnen noemen? Zal het na de opstanding geoorloofd zijn te eten of te drinken?

14 Hoofdstuk 53: Spitsvondige Theologen


Blijkbaar willen zij reeds nu voorzorgsmaatregelen nemen tegen dien honger en dorst in
de toekomst. Zij beschikken verder over een eindeloos aantal nog fijner haarklooverijen,
over begrippen, betrekkingen, algemeene vormen, bijzondere eigenaardigheden,
wezenlijkheden, zaken, alleen zichtbaar voor de oogen van hem, die zulke scherpe
oogen bezit, dat hij in staat is ook door de dikste duisternis heen het nergens bestaande
waar te nemen.

De zotheid der hovelingen


In hoofdstuk 56 komen de hovelingen aan de beurt. Het hof is kennelijk een kaste, waartoe ook
Erasmus met een gevoel van welgedaanheid toegelaten werd.
De hovelingen slapen tot den middag; dan staat er een huiskapelaan bij hun bed om,
terwijl men nog haast op bed ligt, vlug een mis te lezen. Dan spoedig iets gebruiken en
men heeft dit nauwelijks op, of het tweede ontbijt wacht. Daarna houdt men zich bezig
met dobbelen, schaakspel, loterij, hansworsten, narren, lichtekooien, aardigheden,
onwelvoegelijkheden. Intusschen neemt men weer de een of andere versnapering. Dan
is de beurt weer aan het middagmaal, waarop drinkgelagen volgen, die zich waarachtig
niet tot één bepalen. En zoo gaan, zonder dat het leventje ooit verveelt, uren, dagen,
maanden, jaren en geslachten voorbij. Zelf ga ik soms met een gevoel van
welgedaanheid heen, als ik hen een grooten staat zie maken, terwijl onder de hofdames
ieder zich des te nader bij de goden rekent, naarmate zij een grooter sleep draagt, terwijl
de eene edelman den ander met zijn arm voortduwt om zoo te schijnen dichter bij zijn
Jupiter te zijn, terwijl ieder des te hooger dunk van zichzelf heeft, naarmate de ketting,
die hij torst, zwaarder is, opdat hij zoo ook zijn kracht, niet slechts zijn rijkdom kan
toonen.

De zotheid der bisschopskaste


Hoofdstuk 57 is aan de bisschoppen gewijd, die er ook niet veel beter dan de hovelingen vanaf
komen:
En wat verder de zorg voor hun schapen aangaat, die laten zij of aan Christus zelf over,
of zij dragen haar op aan de broeders, zooals zij ze noemen, en aan plaatsvervangers. Zij
herinneren zich zelfs de beteekenis van hun naam, bisschop (opziener), niet, waardoor
toch arbeid, zorg en kommer wordt aangeduid. Maar als het aankomt op het inpalmen
van geld, dan treden zij geheel als bisschoppen op en dan is hun bisschopschap niet
ijdel.

De zotheid der Pausen


In hoofdstuk 59 bereikt Erasmus de hoogste kaste in de vorm van de Pauselijke instantie:
Ofschoon de apostel Petrus in het Evangelie zegt: Wij hebben alles verlaten en zijn U
gevolgd, noemen zij desniettemin landen, steden, belastingen, tollen en heerschappijen
zijn bezitting. Als zij van ijver voor Christus blakend hiervoor met vuur en zwaard
strijden, niet zonder daarbij veel Christenbloed te vergieten, dan eerst gelooven zij de
kerk, Christus' bruid, als apostelen te verdedigen, door haar vijanden, zooals zij ze
noemen, door hun dapperheid te verslaan. Alsof er verderfelijker vijanden voor de kerk
bestaan dan goddelooze pausen, die én door hun stilzwijgen Christus doen vergeten én
hem binden aan wetten, voordeelshalve gegeven, én hem door gedwongen verklaringen
geweld aandoen én hem door hun verpestend levensgedrag vermoorden.
Conclusie
Erasmus heeft drie jaar in Rotterdam gewoond en is toen vertrokken naar Gouda. Zijn leven lang
heeft hij het idee over zijn onwettige geboorte moeten torsen en de gevolgen moeten dragen van de
'geestelijke' status waarin hij door zijn opvoeding was terechtgekomen. Pas rond zijn vijftigste
(1517) werd Erasmus dankzij pauselijke dispensatie van de ernstige maatschappelijke gevolgen van
zijn onwettige geboorte verlost.
In 1506 vertrok Erasmus voor drie jaar naar Italië. Op de terugweg (richting Engeland)
schreef hij zijn Lof der zotheid. Door uit te gaan van een zot als spreker kon hij in deze
declamatio de spot drijven met de misplaatste ernst waarmee alle mensen, ongeacht
beroep, stand, of positie, hun eigen belangen najoegen, en de groteske kortzichtigheid
waarmee zij klaar stonden met hun oordeel over elkaar.

In 1535 keerde hij terug naar Bazel in Zwitserland. Daar overleed hij op 12 juli 1536.
Zijn graf ligt in de Münster van Bazel. Zijn laatste woorden waren volgens de
overlevering: 'Lieve God'.

Bij de tolerantie voor Erasmus ging het niet zozeer om de vrijheid voor de enkeling (voor Joden
wees Erasmus die zelfs af), maar meer om de vrijheid van wetenschap en ideeën. Het moderne
tolerantiebegrip (vrijheid voor de enkeling) is bij Erasmus niet te vinden15.
De Lof der zotheid is een satire op allerlei misstanden van zijn tijd, waarin hij de
allegorische Zotheid allerlei dingen laat zeggen, die hij zelf - van de Kerk - eigenlijk
niet mocht zeggen.

In hoofdstuk 13 stelt Erasmus vast, dat de kindsheid en ouderdom met de Zotheid ten
nauwste verwant zijn. Kindsheid en ouderdom bevinden zich voor alle mensen in de regio
van de laagste denkvermogens. In hoofdstuk 17 categoriseert Erasmus de vrouwen tot de
redeloze wezens, die evenals de kinderen en ouderen gemakkelijk kunnen worden beheerst.
Ook de alcoholici, de vriendschap, het huwelijk, de zelfzucht, de oorlogen, de wijsgeren, het
menselijk bestaan, de dwazen, zotten, domkoppen en narren, de waanzin, het bijgeloof, de
adel, de godgeleerdheid, hovelingen, bisschoppen, kardinalen en Pausen komen aan de
beurt.
De Lof der zotheid was (met name de inhoud van hoofdstuk 53) nooit en te nimmer voor het
gewone publiek “Jan en alleman” gedacht.
Erasmus beschrijft van iedere kaste afzonderlijk de individuele eigen zotheid, die de afzonderlijke
bevolkingsgroepen markeert. De op de individuele zwakten opgebouwde hiërarchie wordt niet
expliciet beschreven, maar kan uit de Lof der zotheid afgeleid worden. Het is duidelijk, dat de
elitaire lagen door een elitaire kennisopbouw over een strategisch voordeel beschikken.
Wie over het boek Lof der zotheid kan lachen heeft het satirische essay over de eigen kaste niet
helemaal begrepen. Erasmus heeft de satirische stijl uitsluitend gekozen om ongestraft als
altaarschellist te kunnen publiceren. In feite vormde de satire een ernstige aanklacht tegen alle
machtsorganen, die echter zoals gebruikelijk alle waarschuwingen in de wind sloegen.

15 Erasmus en de Hervorming van Luther


Inhoud
Samenvatting........................................................................................................................................1
Introductie.............................................................................................................................................2
De altaarschellist in de huidige journalistiek........................................................................................3
De zeekaart van de gitarist...................................................................................................................4
De olifant van Antoine de Saint-Exupéry.............................................................................................6
De tweefasige ervaringsniveaus...........................................................................................................7
De tweefasige niveaus in Lof der Zotheid............................................................................................8
Kindsheid en ouderdom...................................................................................................................8
De dwaasheid van de vrouwen........................................................................................................9
De zotheid der alcoholici.................................................................................................................9
De zotheid der vriendschapsbanden..............................................................................................10
De zotheid der gehuwden..............................................................................................................10
De zotheid der verbintenissen........................................................................................................10
De zotheid der zelfzucht ..............................................................................................................10
De zotheid der soldaten..................................................................................................................11
De zotheid der wijsgeren...............................................................................................................11
Het leven als speling van de zotheid..............................................................................................11
De kern van de zotheid..................................................................................................................12
Het geluk der dieren.......................................................................................................................12
Over de dwazen, zotten, domkoppen en narren.............................................................................13
Het geluk der waanzinnigen..........................................................................................................13
De zotheid van het bijgeloof..........................................................................................................13
De zotheid der adellijke titels........................................................................................................14
De zotheid der godgeleerdheid......................................................................................................14
De zotheid der hovelingen.............................................................................................................15
De zotheid der bisschopskaste.......................................................................................................15
De zotheid der Pausen....................................................................................................................15
Conclusie............................................................................................................................................16