You are on page 1of 278

ARCHITECTO .... ISCHE E .... TECH .... ISCHE WAARDERI ....

G
VA .... BESTAA .... DE GAL.ERIJFL.ATS

mogelijke aanpassing van gebouwen gevel


ARCHITECTONISCHE EN
TECHNISCHE WAARDERING
VAN BESTAANDE GAL..ERIJFL..ATS
mogelijke aanpassing van gebouwen gevel

mw. ir. M. M. Verhoeks,


mw. ir P.A. Schut-Baak,
ir. C. Th . H van Rongen,
ir. A. Schuur,
dr. ir. C. C. F. Thijssen en
ir. L. G. W. Verhoef
U I T G A V E publicatieburo Bouwkunde,
Faculteit der Bouwkunde, Technische universiteit
Delft, Berlageweg I, 2628 C ROeift,
Telefoon (0 IS) 2784737
o P DRA C H Tonderzoeksgroep Architectoni-
sche en Tehnische Aanpassing van Gebouwen
ART E AG , onder coördinatie van
ir. C. Th . H van Rongen
FOT 0 G RAF I E ir. L. G. W Verhoef en
ir. C. Th . H van Rongen
T E KEN I N GEN buro Xinix, Hans Kuiper
VORMGEVING EN TYPOGRAFIE
studio senero, Heila van Rongen
LET TER TYP E N Futura en Typefase six
D RUK Uleman de Residentie
Trefw. hergebruik
COPYRIGHT © 1995ARTEAG

Niets van deze uitgave mag worden verveelvou-


digd en/of openbaar gemaakt worden door
middel van druk, fotokopie, microfilm, of op
welke andere wijze dan ook, zonder vooraf-
gaande schriftelijke toestemming van de uitgever

IS B N 90-5269-189-4

4
VOORWOORD

If you are up to date to-day,


how dismolly out of date
you will look to-morrow.

Met deze spiegel op de werkelijkheid begint de inleiding tot de tiende uitgave van
'van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal'. De levendigheid en de ver-
anderbaarheid die een eigenschap is van de taal komt in vele zaken terug, zoals
in de architectuur en de bouwtechniek. Gebouwen, het belangrijkste produkt van
architectuur en techniek, vormen met het bebouwde en het gegroeide, onze omge-
ving, onze spiegel op de werkelijkheid .
Het eerste dat wij in onze omgeving van gebouwen merken is de gebouwmassa,
de uiterlijke vorm . Onmiddelijk daarna de gevels met hun karakteristieken, die
onze gevoelskwaliteit bepaalt. In het algemeen is aan de gevel afleesbaar wat er
zich achter de gevel functioneel gezien bevindt. De gevel is dan ook een afspiege-
c
~
ling van dat wat zich achter de gevel aan vertrekken bevindt. o
De maatschappij verandert permanent. Dat heeft te maken met veranderingen in o
de samenstelling van de bevolking naar leeftijdopbouw, gezinssamenstellingen, de ." :x
beschikbaarheid van energie enz .. Veranderingen worden een gegeven, hetgeen ~
zich afspiegelt aan de bouwopgave die geleidelijk aan steeds meer verschuift van o
nieuwbouw naar het hergebruiken en het renoveren van gebouwen . De aanpassing o
van gebouwen vraagt eveneens om een aanpassing van de gevels, om tot een >
goede afstemming te komen.
Op zichzelf kunnen gebouwen functioneel gezien nog goed voldoen, maar zijn
er uitwendige factoren, zoals de saaiheid van het beeld dat het oproept of de
technische kwaliteit dat maakt dat we aan de gebouwschil aandacht willen schen-
ken . De oorzaken waarom een gebouw niet meer voldoet zijn velerlei. Het niet
meer voldoen uit zich in leegstand en verdere achteruitgang van de buurt. Hier
wordt een vicieuze cirkel ingezet, die gestopt kan en moet worden . AI snel wordt
over sloop en nieuwbouw gesproken zonder dat eerst het waarom wordt onder-
zocht. Renovatie en hergebruik waarin de technische maar vooral de ruimtelijk-
functionele en de architectonische aspecten aan bod komen blijken dan vaak
economisch gezien de betere oplossingen te zijn. Hoe deze problematiek kan wor-
den aangepakt kunt u gaan lezen in dit rapport.
Dit rapport handelt over het veranderen van middel hoge en hoge galerijflatge-
bouwen en hun gevels. Omdat de gevel de scheiding is tussen binnen en buiten
was het nodig niet alleen de gevel maar ook de invloedsfactoren van binnen en
buiten op de gevel te onderzoeken . De onderzoekgroep richt zich met dit rapport
tot de overheid, de woningbouwverenigingen , studenten die met de materie moeten
leren omgaan en tot de praktizerende architecten die het allemaal moeten waar-
maken.
Wij danken onze collega's dr. ir. D.J.M. van der Voordt en dr. H.B.R. van
Wegen van de faculteit der Bouwkunde van de T U Delft voor hun suggesties met
betrekking tot de sociale veiligheid, en tevens ing . T. Nicolai van de dienst
Stedebouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam voor zijn hulp m.b.t.
de voorschriften ten aanzien van de brandveiligheid. Ook danken wij de heer ir.
D.B. Daan Paul (voormalig universitair hoofddocent bij de vakgroep bouwtechnolo-
gie, faculteit der bouwkunde, voor het enthousiasme waarmee hij zijn kennis om-
trent de grondbeginselen van brandveilig bouwen en de achtergronden van de
regelgeving heeft overgedragen . Tot slot danken wij Hans Kuiper van het buro
Xinix voor het computergestuurd presentabel maken van onze schetsen en Heila
van Rongen, typografisch ontwerper, van studio senero, voor de layout en het gra-
fisch in beeld brengen van de schema's, de matrix en tabellen .

Het onderzoek is met plezier verricht door;

mw. ir. M. M . Verhoeks,


mw. ir P.A. Schut-Baak,
ir. C. Th . H van Rongen,
ir. A. Schuur,
dr. ir. C. C. F. Thijssen en
ir. L. G . W . Verhoef

6
INHOUD

Voorwoord
pagina
17 Inleiding
72 1.1 Probleemstelling en doelstelling
73 1.2 Aanpak
73 1.3 Opzet rapportage

75 2 De galerijflat
75 2.1 Algemene kenmerken en geschiedenis van de galerijflat
79 2.2 Algemene problemen
27 2.3 Wettelijke regelingen
27 2.3 .1 Huurrecht
23 2.3.2 Financieringsregelingen
25 2.3.3 Individuele huursubsidie
26 2.3.4 Huurprijsbeleid
27 2.4 Ontwikkelingen
28 2.5 Voorbeeldprojecten van uitgevoerde bouwkundige aanpassingen

33 3 Aspecten voor analyse van galerijflats


35 3.1 Sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten
35 3.1.1 Doelgroepen
35 3.1 .2 Imago van een gebouw
36 3.1.3 Sociale veiligheid
44 3.2 Functioneel-ruimtelijke aspecten
44 3.2.1 Toegankelijkheid
46 3.2.2 Ontsluiting(sstructuur) en oriëntatie
47 3.2.3 Woontechnische aspecten van de woning
48 3.3 Bouwtechnische en bouwfysische aspecten en brandveiligheid
49 3.3.1 Bouwtechnische aspecten
53 3.3.2 Bouwfysische aspecten
62 3.3.3 Brandveiligheid
84 3.4 Vormaspecten
84 3.4.1 Waarneming en betekenis van vormen
89 3.4.2 Beleving van vormen

8
pagina
95 4 Case-study Hoogoord
95 4.1 Inleiding
96 4.2 Kenmerken van gebouw Hoogoord
98 4.3 Reeds gesignaleerde problemen projectgroep Hoogoord
100 4.4 Toetsing Hoogoord aan de aspecten
101 4 .4 .1 Sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten
103 4.4.2 Functioneel-ruimtelijke aspecten
105 4.4.3 Bouwtechnische en bouwfysische aspecten
107 4.4.4 Vormaspecten
109 4 .5 Randvoorwaarden bij het zoeken naar oplossingen voor Hoogoord
109 4.5.1 Financiële randvoorwaarden
111 4 .5.2 Veranderbaarheid van het CASCO
128 4.6 Zoeken naar oplossingen voor Hoogoord
128 4 .6 .1 Aanpak voor het zoeken naar oplossingen
129 4.6.2 Doelen
132 4.6.3 Overzicht van mogelijke maatregelen Cl
144 4.6.4 Ontwikkeling van oplossingsvarianten ::l
144 4.6.4. 1 Invloed van eisen m.b.t. brondwerendheid op mogelijke ontwerpoplossingen en ontwik o
keling van oplossingsvarianten voor de 2e tlm de 10e verdieping J:
173 4.6.4.2 Ontwikkeling van oplossingensvarianten voor de begane grond en de eerste verdieping Z
214 4.7 Beoordeling van de mogelijke varianten voor Hoogoord

217 5 Conclusies en aanbevelingen voor aanpassingen van galerijflatgebouwen


217 5.1 Inleiding
217 5.2 Beoordeling van bestaande situaties en aanpak voor het zoeken naar oplossingen
219 5.3 Overzicht van mogelijke maatregelen en aandachtspunten voor galerijflats

233 Literotuurlijst

241 Bijlage
Brandveiligheid: consequenties t.a.v. materiaalgebruik
10
INLEIDING

Een onderzoek naar gevels is een belangrijk onderwerp.


Belangrijk vanwege de rol die de gevel speelt gedurende de vele momenten tijdens
de levensfase van een gebouw. De gevel bepaalt ook de kwaliteit van de gebouw-
de omgeving en de waarneming ervan roept gevoelens bij mensen op. De gevel
staat niet op zich zelf. Feitelijk geeft het uitdrukking aan het gebouw als een func-
tionele entiteit. Gevoelens kunnen uiteen lopen van onverschilligheid tot agressief
gedrag tegenover de aanwezigheid van een gebouw. Gevoelens van enthousiasme
gaan zo ver dat mensen op reis gaan om de waarneming van een gebouw zelf te
beleven .
Bij de verdeling van de kosten voor onderhoud van een gebouw naar bouwde-
len is de gevel verreweg het kostbaarst. De gevel scheidt buiten van binnen en en
wordt daardoor zowel door het buiten - als het binnenklimaat belast. De onder-
houdspost kan zo gevoelig worden dat onderhoudsgevoelige elementen vervangen
worden door andere en wellicht minder gevoelige elementen. ~
Een voorbeeld hiervan is het vervangen van stalen ramen door kunststof kozij- Z
nen. Beslissingen als deze worden bij herhaling getroffen en zijn aanleiding voor
kritiek. Het positieve resultaat zijn de kosten, die op termijn - als gevolg van de
investering - geringer worden. Toch kunnen gevolgen, zoals wijziging van de gevel
- C
1&1
..:I
en daardoor van het gebouw verlies van belevingskwaliteit opleveren. Vaak wordt
Z
vergeten dat ook de beleving een economische kwaliteit is. In een buurt, die ver-
paupert raakt treedt een verschuiving op van bewoners naar draagkracht hetgeen
tenslotte tot leegstand leidt.
De architectonische waardering behoort voortdurend mee te spelen ook als er
sprake is over zgn. eenvoudige veranderingen. Het omgekeerde gebeurt ook,
omdat op technische gronden geconstateerd wordt dat gebouwdelen vervangen
moeten worden geeft dit aanleiding om gelijkertijd de architectonische kwaliteit te
verbeteren. Een aanleiding tot veranderen van het bestaande ligt eveneens in de
'fit for purpose' . Het gebouw voldoet functioneel niet meer. Bewoners hebben ande-
re kwaliteitswensen en de gezinssamenstelling wijzigt. De gevel kan zowel in tech-
nisch opzicht als vanuit een gevoelswaarde nog goed zijn, toch dient ze
aangepast te worden aan het gewijzigde gebruik.
Zoals gezegd is een onderzoek naar gevels een belangrijk onderwerp. Dit ge-
zien vanuit de architectuur en de techniek en daarmee impliciet ook de economie.
Het terrein van onderzoek is echter breed en beperking is nodig. Galerijflats zijn
als algemeen doel gekozen voor het onderzoek, omdat een gevelbeeld in het alge-
meen eenvoudig is, maar bovenal omdat er veel galerijflats zijn en veel problemen
met galerijflats. Door hieraan aandacht te geven, maar ook richtlijnen voor oploss-
ingen aan te dragen wordt meer inzicht geboden . De aanpak kan dan (meer dan
tot nu toe) ter discussie komen daar de problemen duidelijker worden . Als start
voor het totale onderzoek is het kader beperkt tot een analyse van de flat
Hoogoord in de Bijlmerrneer te Amsterdam Z.O ., omdat m.n. voor deze flat al
plannen lagen om tot verbetering te komen.

1. 1. Probleemstelling en doelstelling
Om in de zestiger jaren te voldoen aan de sterk toegenomen vraag naar produk-
tie van woningen werden nieuwe bouwmethoden ingezet. In plaats van de veelal
vier verdiepingen tellende woonblokken uit het voorafgaande decennium werden
veel hogere galerijflats gebouwd, die uitgerust werden met liften. De bouwmethode
werd meer en meer de gietbouw, waardoor het minder goed mogelijk werd om
grote openingen te maken in de eindgevels. Bij de meeste in de jaren vijftig toege-
paste bouwmethoden was dat nooit een probleem geweest. Door gebruik te maken
van dergelijke simpele variaties hebben die oudere wijken toch vaak een aantrek-
kelijker uiterlijk dan de nieuwere.
Flats uit de jaren zestig, maar ook die uit de jaren zeventig die in de periode
van de 'hoogbouwgolf' tot stand zijn gekomen, zijn meestal toegankelijk via een
galerij . Aanvankelijk werd dit als een ideale oplossing gezien . Tegenwoordig wor-
den galerijen minder gewaardeerd. Zo zien we meer en meer voorzetgevels die de
galerij van het buitenklimaat afsluiten . Het zijn oplossingen die nog nauwelijks on -
derzocht zijn . In hoofdstuk 4 zal op deze specifieke oplossing worden ingegaan .
Het feit dat middelhoge en hoge galerijflats een probleem opleveren blijkt bijv. uit
de gemiddelde woonduur van de bewoner. Voor deze categorie gebouwen is dit
belangrijk lager dan voor andere woongebouwtypen . De bewoner heeft weinig
waardering voor de anonieme galerijflat en wil zo mogelijk snel verhuizen naar
betere omstandigheden . De kosten als gevolg van verhuisbewegingen zijn voor wo-
ningbouwverenigingen groot en zij proberen verbeteringen aan te brengen om tot
een langere gemiddelde verblijftijd te komen .
In het onderzoek naar 'de architectonische en technische waardering van be-
staande galerijflats en mogelijke aanpassingen van gebouwen gevel' is gebouw
Hoogoord de case study die moet helpen om aan te geven wat nu sterke en
zwakke punten in de waardering voor galerijflats zijn . Belangrijk om voor
Hoogoord te kiezen was dat de plattegronden van woningen en de gevels zelf als
representatief voor galerijflatgebouwen gezien kan worden . Het uitzonderlijke van

12
een loopstraat op de eerste verdieping doet hier niets aan af. Als doel van het on-
derzoek wordt gezien aspecten te analyseren die invloed hebben op de waarde-
ring van galerijflats en als synthese van deze analyse te komen tot een set van
mogelijke bouwkundige ingrepen . Deze ingrepen zelf zijn niet vrij . Ze moeten pas-
sen binnen de vigerende regelgeving zoals bijv. die voor (brandJveiligheid.

1.2 Aanpak
De kern van het onderzoek is de analyse van de problemen, die betrekking heb-
ben op Hoogoord, en op galerijflats in het algemeen . In de analyse is dankbaar
gebruik gemaakt van het werk van anderen, zoals ook uit de literatuurlijst blijkt.
Zeer specifieke problemen zijn reeds eerder door de werkgroep Hoogoord vastge-
legd. In de methode van onderzoek zijn enige beperkingen aangebracht. Zo richt
de analyse van de galerijflat zich op de effecten voor de gevel. De gevel kan niet
als bouwdeel op zich worden beschouwd omdat de gevel een geintegreerd onder-
deel is van woningen die achter de gevel liggen . Zo is het ook met ingrepen, in-
grepen dienen zich eveneens te richten op aanpassingen van de gevel en de
directe invloedssfeer. Zo kan over de plaats van bergingen, de ingang(enl, het ho-
rizontale en het vertikale transport niet direct over de gevel gesproken worden,
maar het heeft er zeer direct mee te maken . De gevel geeft een beeld van de or-
ganisatie van een gebouw. Genoemde onderdelen zijn daarom interessant en
nodig om bij het onderzoek betrokken te worden. Tenslotte sloop en vervangende
-
nieuwbouw is geen optie voor onderzoek naar 'de architectonische en technische
waardering van bestaande galerijflats en mogelijke aanpassingen van gebouwen
gevel' . De basis is verbetering aanbrengen hetgeen kan leiden tot renovatie van
gebouwen en daarmee van de gevels. Om een beeld te vormen over het onder-
zoek volgt een korte opsomming van de opzet van de rapportage.

1.3 Opzet rapportage


In hoofdstuk 2 wordt de galerijflat als type behandeld. Het hoofdstuk eindigt met
een scala van toepassingen van veranderingen van galerijflats. De gerealiseerde
uiterlijke veranderingen laten de wens van opdrachtgevers zien om iets te doen
aan het uiterlijk van de flat. Het zijn veelal incidentele ingrepen waarbij de vraag
gesteld moet worden of de verandering een integraal antwoord is op gesignaleer-
de problemen dan wel een meer cosmetische oplossing biedt aan de wens de flat
een 'extra' te geven .
In hoofdstuk 3 worden vier groepen van aspecten beschreven die relevant zijn
voor de analyse van galerijflats. Deze zijn:
- de sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten;
- de functioneel-ruimtelijke aspecten;
- de bouwtechnische en bouwfysische aspecten; en tenslotte de;
- vormaspecten.
In hoofdstuk 4 komt Hoogoord als case aan bod.
Uitgaande van dit algemene kader wordt Hoogoord aan de in hoofdstuk 3 be-
schreven aspecten getoetst. De lezer met weinig tijd mag besluiten dit hoofdstuk
over te slaan . Vervolgens komen voor Hoogoord de randvoorwaarden aan bod
alsmede het zoeken van oplossingen die voldoen aan algemene doelstellingen.
Tenslotte dienen de consequenties van de ingrepen financieel getoetst te worden.
Gezien de omvang, die dit onderzoek nu al heeft, is het aspekt wel benoemd
maar niet uitgewerkt.
In hoofdstuk 5 worden conclusies en aanbevelingen geformuleerd voor aanpassin-
gen van galerijflats. Gedurende het ontwerpproces komt de architectonische kwali -
teit voor het eerst aan de orde. Verschillende varianten worden beoordeeld om tot
een keuze of richting te komen . Naast gebruik en economie spelen architectonische
begrippen een rol zoals; massa van het gebouwen het beeld van de gevel (ritme,
structuur en helderheid) . Bij grote bedrijven gaat de betekenis van een gevel soms
zo ver dat 'corporate identity' van de gevel moet afstralen, de betekenis van het
bedrijf wordt dan ontwerpcriterium.

14
2 DE GALERIJFLAT

2.1 Algemene kenmerken en geschiec/enis van de galerijflat


Als woningtype is de galerijflat in Nederland zeer geleidelijk tot ontwikkeling geko-
men . Voor de oorlog werd dit type maar zeer spaarzaam toegepast. Het meest
bekende voorbeeld uit de jaren twintig is het complex galerijwoningen van archi-
tect M. Brinkman aan de Justus van Effenstraat te Rotterdam. Andere vooroorlogse
voorbeelden, die enige bekendheid kregen, zijn een paar hoge woongebouwen in
Rotterdam, namelijk de Bergpolder-flat uit 1933 van negen en het flatgebouw aan
de Kralingse plaslaan uit 1937 van tien verdiepingen, beide ontworpen door archi-
tect Van Tijen, met in beide gevallen de N.V. Volkswoningen als opdrachtgever.
Het eerste gebouw had een staalskelet als draagconstructie, het tweede een be-
tonskelet, wat minder gehorig was voor de woningen daarin. Vanwege de hoogte
waren bij beide gebouwen liften nodig. Het woongebouw Zuidplein van tien ver-
diepingen in Rotterdam werd onmiddellijk na de oorlog, in 1946 in aanbouw ge-
nomen, weer met Van Tijen als architect en met de N .V. Volkswoningen als
opdrachtgever. De betonskeletten van deze hoge woongebouwen waren niet schijf-
vormig, met wanden en vloeren zoals nu gebruikelijk is, maar op traditionele wijze
vervaardigde skeletten met kolommen, balken en vloeren. Ook de uit de tweede
helft van de jaren vijftig daterende hoge Lijnbaanflats te Rotterdam hebben nog
zo'n betonskelet. Overigens kwamen in die tijd ook wel af en toe hoge woonge-
-
bouwen met galerijen voor waarvan de dragende wanden op traditionele wijze
1&1
gemetseld waren, zoals die van 'De Zeven Provinciën' te Rotterdam uit 1952. C
Er zijn meer voorbeelden te noemen van hoge woongebouwen uit de eerste na-
oorlogse jaren en van voor de oorlog en daarbij komen ook andere woningtypen
voor, zoals torenflats met een centrale hal in plaats van een galerij, maar over het
geheel genomen bleven hoge woongebouwen toch uitzonderingen. Het overgrote
deel van de geproduceerde meergezinshuizen bestond in die tijd uit drie of vier
verdiepingen hoge portiek etagewoningen. Vanaf 1955 werden bij die drie of vier
verdiepingen hoge woongebouwen wel in toenemende mate galerijen toegepast. In
1960 bestond 35% van de meergezinshuizen in de woningwetsector uit galerijwo-
ningen, wat aanvankelijk als een belangrijke verbetering werd gezien ten opzichte
van de tot dan toe veelvuldig toegepaste portiekwoningen, maar het aanbrengen
van liften werd alleen bij hoge woongebouwen economisch verantwoord geacht.
Vanaf ongeveer 1960 valt een sterk groeiende belangstelling voor hoogbouw
waar te nemen. Ratiobouw was in 1959 met een rapport gekomen over hoge
woongebouwen waaruit bleek dat galerijwoningen bij gelijke seriegrootte en bouw-
hoogte goedkoper waren dan maisonnettes of portiekwoningen . Een paar jaar
later, in 1961, kwam de Commissie Hoogbouw-Laagbouw met haar rapport. Geen
van de onderscheiden woonvormen verdiende volgens de commissie zonder meer
de voorkeur boven de andere. Men pleitte niet uitdrukkelijk ten gunste van hoog-
bouw, maar uit technisch oogpunt (kort daarvoor waren nieuwe, grootschalige giet-
bouw- en prefab-bouwmethoden geïntroduceerd) achtte de commissie een verder
toename van meergezinshuizen waarschijnlijk. Hoogbouw met lift had volgens de
commissie voor veel bewoners duidelijke voordelen boven middel hoge bouw.
Bovendien vertegenwoordigde de hoogbouw ook een nieuwe visie op het wonen :
de actieradius van de mens was immers vergroot en hij had behoefte aan een wij -
dere horizon. De 'Nota betreffende een pluriform en expansief bouwbeleid' van
minister Bogaers uit 1963 betekende een verdere stimulans voor grootschalige
bouwprojecten . Een voorbeeld van zo'n grootschalig project is het zuidoostelijk
deel van de wijk Voorhof in Delft, waar in 1963 drieproductiestromen tegelijk van
start gingen : twee voor de bouw van galerijwoningen, een voor de bouw van een-
gezinshuizen . In totaal waren het ruim 2000 woningen met sociale huur- en koop-
woningen en ongesubsidieerde woningen in één pakket.
In 1964 werd een technisch hoogtepunt bereikt met de introductie van het ERA-
systeem, dat zich ontwikkelde tot de meest geavanceerde gietbouwmethode voor
hoge woongebouwen met galerijen . In 1964 ook begon men in Delft met de bouw
van zeventien verdiepingen hoge woongebouwen met een staalskelet, eveneens be-
stemd voor galerijflats. Gedurende een aantal jaren nam het aantal in aanbouw
genomen hoge woongebouwen ieder jaar nog toe, waarbij vooral de gietbouw
sterke opgang maakte. Bijna even abrupt als het was begonnen, hield het hoge
bouwen na 1973 ook weer op. Gietbouw bleef echter de overheersende bouwme-
thode voor woningcomplexen in Nederland. Ontwerpen uit de beginperiode van
de hoogbouwgolf zijn meestal uiterst eenvoudig : een aantal woonlagen, waarvan
de horizontale lijnen van de galerijen het meest spreken, op een onderbouwen
met een in- of aangebouwde liftkoker met trappehuis .
In het geval dat een aangebouwde liftkoker annex trappehuis is toegepast is er
ook een duidelijk verticaal element. Die eenvoud in vormgeving is nu misschien te
betreuren, maar in de tijd van de bouw was het niet zo onlogisch . Een hoog
woongebouw was op zich al iets bijzonders en het was toch al een dure bouwwij-
ze door een noodzakelijk aantal extra elementen zoals liften, centrale verwarming,
hydrofoor, vuilstortkokers en bovendien door de toegepaste nieuwe bouwtechnieken.
Vanwege de noodzakelijke liften bij hoogbouw, lag het maken van galerijwoningen
het meest voor de hand: er was dan maar één liftinstallatie nodig .

16
Galerijen werden ook steeds meer toegepast bij vier verdiepingen hoge woonge-
bouwen zonder lift, omdat men meende dat dit een verbetering was ten opzichte
van de tot dan toe gebruikelijke portiek-etagebouw. Met behulp van de nieuwe
gietbouw- en grote-elementenbouwtechnieken was het mogelijk op een snelle en ef-
ficiënte wijze grote aantallen woningen te bouwen. En dat was ook het hoofddoel
geweest van het in 1963 door minister Bogaers aangekondigde 'pluriforme en ex-
pansieve bouwbeleid' . Arbeidsbesparende woningbouw, waaronder verstaan werd
industriële bouw (met geprefabriceerde elementen uit woningfabrieken), systeem-
bouw (met bouwkeur of attest van Ratiobouw) en gerationaliseerde traditionele
bouw, werd toen aantrekkelijk gemaakt door aanmoedigingspremies van 25% op
het toegewezen contingent. Standaardisatie en typebeperking werden noodzakelijk
geacht. Schaalvergroting in het bouwen werd gestimuleerd, wat betekende dat
grote aannemingsbedrijven meer aan bod kwamen dan middelgrote en kleine be-
drijven . De continuiëteit voor de industriële bouw was aanvankelijk verzekerd. De
afname van een bepaalde hoeveelheid woningen was gegarandeerd doordat de
provincies verplicht waren, tegen toezeggingen op het gebied van prijzen en kwa-
liteit, binnen hun contingent een bepaald aantal woningen uit de woningfabrieken
te laten bouwen. Voor de gietbouw gold niet zo'n vergaande regeling. Zolang de
continuiteit van de produktie niet verzekerd was, waren de aannemers geneigd de
benodigde stalen bekistingen zoveel mogelijk op één werk af te schrijven.
Wanneer de bekisting op meer dan een project kon worden ingezet, had men te
-
maken met transportkosten. De vereiste minimale seriegrootte om gietbouw te kun-
nen toepassen lag daardoor in het begin vrij hoog. Nog hoger lag die voor de
grote-elementenbouw om efficiënt te kunnen produceren. Dat leidde er toe dat men
streefde naar één woningtype per project. Experimenten met bijzondere bouwvor-
men leken vooral bij grote-elementenbouw bijzonder riskant; in 1965 ging een wo-
ningfabriek failliet op een project met flats van een split-level type (Jacoba van
Beierenlaan, Delft). De contingentstoeslagen werden in 1968 afgeschaft, voor de
grote-elementenbouw werd een aflopende regeling getroffen voor het contingents-
vrije aantal.
Kenmerkend voor gietbouw zijn de betonnen skeletten, bestaande uit rechte dra-
gende wanden en vloeren, die in het werk in grote gestandaardiseerde stalen be-
kistingen werden gestort. In het zicht komende delen, zoals balkon- en
galerijplaten en de ondersteunende consoles, plus eventuele gevelbanden in de
kopgevels werden meestal geprefabriceerd; in de beginjaren van de gietbouwtoe-
passingen werden nog niet altijd prefab-onderdelen gebruikt. Kenmerkend voor
grote-elementenbouw is de opstelling van de dragende tussenwanden in de platte-
grond in H- of T-vorm : iedere dragende tussenwand had daardoor zijn eigen sta-
biliteitswand. Bij grote-elementenbouw werden meestal ook de gevelelementen ge-
prefabriceerd; er zijn echter ook grote elementensystemen (zoals Rottinghuis)
waarbij voor de kopgevels een gemetseld buitenspouwblad werd aangebracht.
Algemene kenmerken van zowel gietbouw- als grote elementensystemen zijn de ge-
sloten kopgevels. Bij de daarvoor toegepaste traditionele bouwwijze, evenals bij
oudere, dichter bij de traditionele bouw staande systemen als Airey en BMB
(Baksteen Montage Bouw), was het nooit zo' n groot probleem geweest om bij de
eindwoningen van een blok de langsgevels voor een gedeelte dicht te maken en
grote gevelopeningen in de kopgevels aan te brengen . Dat maakte deze blokken
veel levendiger.
Bij de na 1960 ontwikkelde nieuwe bouwsystemen was dat vanwege de vereiste
afwijkende bekistingen of betonelementen en vanwege de noodzaak een te grote
typedifferentiatie te vermijden niet meer mogelijk. Een algemeen kenmerk, vooral
van gietbouw, maar ook van sommige grote-elementen systemen zijn de langsgevels
met puivullingen, waardoor de saaiheid van de galerijgevels nog versterkt wordt.
Onder invloed van de in 1968 opgerichte stichting 'Nieuwe Woonvormen' en de
later in dat jaar door minister Schut geopende mogelijkheid om extra bijdragen te
verstrekken voor projecten die als 'experimenteel' konden worden aangemerkt,
komt er geleidelijk aan meer variatie in blokvormen en gevels. Vooral in de laag-
bouw nam de vormvariatie soms uitbundige vormen aan, wat door architecten
werd betiteld als 'de nieuwe truttigheid' .
Aan de hoogbouwgolf kwam in 1973 plotseling een eind; de woningfabrieken
(voor de produktie van grote, geprefabriceerde betonelementen) kampten in 1973
alle met overcapaciteit en de meeste werden in 1974 gesloten . Voor etagewonin-
gen met een beperkt aantal bouwlagen werd toen de term 'gestapelde laagbouw'
geïntroduceerd . Intussen was nu ook de stadsvernieuwing op gang gekomen . Er
werden steeds meer woningen gebouwd in door sloop gesaneerde stads- en dorps-
gedeelten. In de grote steden werden in dat kader veel vier en vijf verdiepingen
hoge woonblokken gebouwd. De vormvariatie nam hierbij opnieuw toe doordat
hierbij meer differentiatie in woninggrootte werd verlangd en door de veel voorko-
mende noodzaak afwijkende typen , zoals hoekwoningen, te ontwerpen .
Een veel voorkomende blokvorm is vijf woonlagen, waarbij de bovenste woningen
uit maisonnettes bestaan, op drie lagen flats . Er worden ook nog steeds hoge
woongebouwen gerealiseerd, maar niet meer in massale complexen. Nogal wat ar-
chitecten betreurden het einde van de periode van massale hoogbouw, omdat de
werkelijk goede hoogbouw naar hun mening nog geen kans had gekregen.

18
Anderen, zoals Van Tijen, dachten daar anders over. Daarvan getuigt het volgende
citaat:
"( ...) hoogbouw (met liften) als woonvorm . Deze is mogelijk in de vorm van hoge
galerijbouw en van woontorens. In beide gevallen kan het directe grondgebruik
per m2 worden gedrukt, evenals de kosten van fundering en dak. Verder is bij de
bouw een belangrijk herhalingseffect mogelijk zowel in de hoogte als in de lengte.
Daartegenover staan echter een gehele reeks van bouweconomische en woontech-
nische nadelen . De kosten van liften, liftschacht en die van hydrofoor alsmede de
exploitatiekosten van de technische voorzieningen doen de genoemde economische
voordelen overwegend of geheel te niet. De huurprijzen liggen dan ook ver boven
huren, die aanvaardbaar zijn voor de laagste inkomensklassen . Daarnaast ontstaan
bij hoogbouw ernstige en onvermijdelijke bezwaren t.a.v. de relatie woning -
woonomgeving. De hoge bebouwingen scheppen rondom zich leegtes in plaats van
ruimte. De directe woonomgeving is tochtig en moeilijk beleefbaar door de over-
heersing van de hoge aangrenzende bebouwingen. De hoge bouw roept verder
een concentratie van parkeerruimte op, die de directe woonomgeving verder nade-
lig beïnvloedt. De contacten tussen woning en directe woonomgeving zijn door de
noodzakelijke galerijen en liften bovendien slecht maar onvermijdelijk. De nadelige
invloed geldt speciaal voor de behoeften van het jonge kind aan spontane en veili-
ge contacten met bodem en straat. Vervulling van deze essentiële behoefte is in
hoogbouw onmogelijk. Pogingen tot voorzieningen binnen de hoogbouw zelf zijn
-
niet levensvatbaar en stranden bovendien op hoge kosten. Dit alles tezamen heeft
in de woningbouw internationaal de hoogbouw als algemeen woonsysteem voor de
lagere inkomensklassen tot een economische, sociale en stedebouwkundige misluk-
king gemaakt. Voor economisch en sociaal verantwoorde woningbouw voor laagste
inkomensklassen kan hoogbouw dan ook verder buiten beschouwing blijven . Het is
merkwaardig om als één van de pioniers op hoogbouwgebied tot deze conclusie
te moeten komen ."
(W. van Tijen en eH. Tillmanns, Verantwoorde sociale woningbouw, Den Haag, 1975. [Van Tijen heeft
zelf twintig jaar in het door hem ontworpen woongebouw aan de Kralingse plaslaan gewoond .])

2.2 Algemene problemen


Uit het jaarverslag over 1967 van de toenmalige Centrale Directie van de
Volkshuisvesting, (nu Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting) bleek voor het
eerst dat hoogbouw met galerijwoningen ondanks de nog steeds bestaande wo-
ningnood toch geen algemene waardering vond. Een jaar later maakt het jaarver-
slag van dezelfde instantie al melding van de eerste problemen met de bezetting
van hoogbouw. Hoogbouw wordt dan snel een object van sociologisch onderzoek.
Er blijkt onder de bewoners veel onbehagen te zijn over de monotonie van de
nieuwe grootschalige hoogbouwwijken. Ook in 1972 blijken op sommige plaatsen
nog woningen leeg te staan omdat er te veel hoogbouw is. In 1976 uitgevoerd
onderzoek naar enige grote stadsuitbreidingen uit de jaren 1965 tot 1970 wijst
volgens het jaarverslag uit dat het uiterlijk van deze wijken door de bewoners over
het algemeen niet gunstig wordt beoordeeld.
De Kwalitatieve Woningregistratie 1989 - 1991 wijst uit dat de herstel behoefte van
de buitenkozijnen van meergezinshuizen groter is dan die van eengezinshuizen .
Zonder uitsplitsing naar beheercategorie of naar bouwperiode zegt dit gegeven
echter niet veel. Vermoedelijk wordt dit slechtere resultaat teweeggebracht door de
vooroorlogse particuliere huurwoningen . Uit een in 1990 gemaakte uitsplitsing
(Thijssen, 1990) tussen naoorlogse eengezins- en meergezinshuizen in de sociale
huursector van gegevens uit de KWR 1983-1986, bleek dat de buitenkozijnen van
de meergezinshuizen juist beter waren dan die van eengezinshuizen. Heeger
(1993) wijst erop dat naoorlogse hoogbouwcomplexen vaak een ongunstige prijs-
kwaliteitsverhouding hebben . De huur is in vergelijking met andere complexen aan
de hoge kant, terwijl het ontwerp van woning en woonomgeving allerlei onaan-
trekkelijke aspecten heeft: massale, eenvormige woonblokken met een onaantrekke-
lijk uiterlijk en met een ongewenste woonvorm , een eentonige woonomgeving,
onduidelijkheid over privé en openbaar gebied, enz .. Een slechte prijs-kwaliteitsver-
houding kan leiden tot verhuurproblemen . Verhuurproblemen komen meestal niet
voort uit bouwtechnische, woontechnische of bouwfysische problemen; sociale pro-
blemen vormen daarvoor een veel duidelijker oorzaak. Verhuurproblemen kennen
een grote dynamiek: een goede verhuurbaarheid op dit moment biedt geen garan -
tie voor een goede verhuurbaarheid in de toekomst. Maar heeft men er eenmaal
mee te maken, dan kost bestrijding van verhuurproblemen de nodige tijd, vooral
als de leegstand al relatief hoog is opgelopen. Verhuurproblemen kunnen worden
bestreden door de prijs-kwaliteitsverhouding te verbeteren en/of door de woning-
markt te beïnvloeden (door slopen, géén nieuwbouw realiseren, migratie bevorde-
ren, e.d.). Verbetering van de kwaliteit, zonder prijsverlaging of zelfs met een
prijsverhoging, kan toch leiden tot een betere verhuurbaarheid , mits de kwaliteits-
verhoging duidelijk opweegt tegen de prijsverhoging, of wanneer de woningen ge-
schikt worden voor andere doelgroepen . Dat laatste kan succes hebben als men
zich richt tot doelgroepen waarvoor nog geen overschot aan woningen bestaat.
Behalve niet complexgerichte maatregelen, zoals beïnvloeding van de woningmarkt,
noemt Heeger zes categorieën maatregelen die men kan nemen : bouwkundige, ste-

20
debouwkundige en financiële, maatregelen op het gebied van milieu, op dat van
sociaal beheer en maatregelen ter verbetering van de reputatie door promotie.
Vaak uitgevoerde maatregelen bij complexen met problemen op het gebied van
verhuur zijn: actief werven of adverteren, selectiever toewijzen, verlagen of bevrie-
zen van de kale huur, verbetering van het uiterlijk en verbetering van de warmte-
isolatie. Bij meergezinshuizen komen daar nog bij : het aanstellen van een
huismeester, het wijzigen van de entree of de ontsluiting, het wijzigen van de ber-
gingen of van de installaties, het verlagen van de parkeerkosten, het beveiligen
van de woningen of van het complex, het splitsen van woningen, volledige sloop
en wijziging van de sociaal-culturele voorzieningen . Onder andere op grond van
de gewijzigde regelgeving en afschaffing van subsidieregelingen verwacht Heeger
dat in de naaste toekomst minder grootschalige bouwkundige ingrepen zullen
plaatsvinden dan voorheen .

2.3 Wettelijke regelingen


De wettelijke regelingen waar men bij renovatie mee te maken krijgt zijn de rech-
ten van de huurders van de te verbouwen woningen en de financierings- en subsi-
dieregelingen .

2.3.1 Huurrecht
-
N

Welke rechten heeft de huurder van een woning?ln verband met renovatie is het
van belang dat men een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het
Besluit Woninggebonden Subsidies in het oog houdt. Bij onderhoud en verbouwin-
gen moet men vooral rekening houden met een aantal artikelen uit het Burgerlijk
Wetboek (BW). Dit wetboek wordt vernieuwd tot het Nieuw Burgerlijk Wetboek
(NBW) . Wellicht het lastigste met het oog op renovatie is art. 1590, waarin staat
dat de verhuurder gedurende de huurtijd de gedaante of inrichting van de ver-
huurde zaak niet mag veranderen . Er staat niet bij "zonder toestemming van de
huurder", maar een huurder die zich op art. 1590 beroept, moet daar wel redelij-
ke argumenten voor hebben . Het verrichten van groot onderhoud wordt door art.
1590 niet verhinderd . De staat van onderhoud is geregeld in andere artikelen . De
verhuurder moet de verhuurde zaak in goede staat van onderhoud ter beschikking
stellen en alle noodzakelijke reparaties laten verrichten (art. 1587). Hij moet in-
staan voor alle gebreken van de verhuurde zaak (art. 1588). Als de verhuurde
zaak door een of andere oorzaak geheel en al vergaan is, vervalt de huurover-
eenkomst (art. 1589). Is zoiets slechts gedeeltelijk het geval, dan heeft de huurder
de keus om vermindering van huurprijs te vorderen of de huurovereenkomst te ont-
binden . Anders dan bij art. 1588 heeft de huurder geen recht op schadevergoe-
ding . Art. 1589 zou van toepassing kunnen zijn op een renovatie als een pand
daardoor totaal onbruikbaar wordt. Dringende reparaties, die niet tot na het eindi-
gen van de huur kunnen worden uitgesteld, moeten door de huurder gedoogd
worden, ook als hij een gedeelte van het huis daardoor niet zou kunnen gebruiken
(art. 1591. 1). Als zulke reparaties, waarbij een gedeelte van het huis niet ge-
bruikt kan worden, langer duren dan veertig dagen, wordt de huurprijs voor die
tijd naar evenredigheid verminderd (art. 1591 . 2) . Als door de reparaties het hele
huis onbewoonbaar wordt, kan de huurder het huurcontract verbreken
(art.1591.3). De reparaties mogen niet leiden tot veranderingen aan het huis, van-
wege art. 1590. In een toelichting op dit artikel 1590 staat hierover nog : "Het
verbod (op het aanbrengen van veranderingen) geldt voor het hele huurobject en
aanhorigheden, gemeenschappelijke ruimten en toegangen, zonder enige beperking
tot het overeengekomen gebruik of de bestemming; wil de huurder zich echter te
goeder trouw verzetten dan moet hij een redelijk belang hebben". En: "In kort ge-
ding neigt de rechter bij complexgewijze renovatie naar oplegging van een gebod
deze te dulden indien de meerderheid der bewoners accoord gaat, de voorzienin-
gen niet al te ingrijpend en de gevolgen financieel te dragen zijn" .
In de jurisprudentie worden als ingrijpende veranderingen beschouwd: overschilde-
ren in een andere kleur; verplaatsing van een toilet; renovatie van een keuken als
de huurder dat onnodig vindt; aanbrengen van een ventilatiesysteem met een me-
talen kast en grote pijpen. Niet-ingrijpend is o.a. het plaatsen van dubbel glas.
Andere artikelen uit het BW die iets zeggen over de staat van onderhoud of het
uitvoeren van onderhoud zijn art. 1598, 1599, 1603, 1619 1623e en 1623j. Als
er bij de verhuur een beschrijving gemaakt was moet de huurder als hij vertrekt
het gehuurde in dezelfde staat opleveren als hij het volgens de beschrijving aan-
vaard had, afgezien van normale slijtage (art. 1598). Als er geen beschrijving
was opgemaakt wordt aangenomen dat de huurder het huis in goede staat had
aanvaard en moet hij het dus ook zo teruggeven (art. 1599). Alles wat een huur-
der op eigen kosten in een woning heeft aangebracht, mag hij bij vertrek ook
weer meenemen, mits dat zonder beschadigingen geschiedt (art. 1603). Art. 1619
bepaalt dat geringe en dagelijkse reparaties voor rekening van de huurder zijn .
De art. 1623a en j zijn van toepassing als de huurder door de rechter gemach-
tigd is om bepaalde onderhoudswerken of reparaties ten gunste van de huurder uit
te voeren, of bij eigenmachtige reparaties als die zo dringend zijn dat ze in ver-
band met het behoud van het gehuurde niet langer uitgesteld kunnen worden. Een
en ander is niet van toepassing voor woonruimte in gebouwen die aan een ge-

22
meente toebehoren en die ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst
voor afbraak bestemd waren.
De huurbescherming is geregeld in art. 1623e lid 1. Hierin worden de vijf huur-
opzeggingsgronden genoemd. Zodra één van deze gronden aanwezig is, moet
een rechter een vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst ook toewijzen.
In verband met woningverbetering of renovatie is van belang dat een huurovereen-
komst beëindigd kan worden als de huurder niet instemt met een redelijk aanbod
tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst. Zo'n redelijk aanbod kan zijn
het aanbrengen van verbeteringen met een daarbij behorende prijsverhoging. Uit
art. 1590 BW volgt dat, afgezien van groot onderhoud, voor verbouwingen altijd
de instemming van de huurders vereist is. Zulk overleg is ook wettelijk verplicht en
er moet een verslag worden overgelegd van het resultaat van dat overleg . Stemt
een meerderheid in met de renovatie, dan blijft het altijd mogelijk dat één of meer
van hen het plan blijven afwijzen. Als ze daar redelijke argumenten voor aanvoe-
ren, is daar dan meestal weinig tegen te beginnen .

2.3 .2 Financieringsregelingen
Sinds 1 januari 1995 geldt het 'Besluit woninggebonden subsidies 1995' (BWS
'95). Deze financieringsregeling is in de plaats gekomen van het 'Besluit woning-
gebonden subsidies' (BWS) waarvan de eerste versie in 1992 verscheen. Hoewel
het BWS '95 in opzet niet zo heel veel verschilt van het BWS dat in de jaren
1992 tot en met 1994 van kracht was, is het wel een nieuwe regeling: het BWS
werd per 1 januari 1995 ingetrokken. Dat BWS van 1992 verving op zijn beurt
ook een aantal vroegere regelingen, zoals de 'Regeling geldelijke steun huurwonin-
gen normkostensysteem 1988', de 'Regeling geldelijke steun voorzieningen aan
huurwoningen 1987' en de 'Regeling premiehuurwoningen 1989'.
Ter verzelfstandiging van de toegelaten instellingen (daarmee worden de woning-
corporaties bedoeld) zijn per 1 januari 1993 het 'Besluit toegelaten instellingen
volkshuisvesting' (B T I V) en het 'Besluit geldelijke steun volkshuisvesting' (B G S V)
vervangen door het 'Besluit beheer sociale huursector'(BBSH) . Door het BW S kon-
den de gemeenten over vier verschillende budgetten beschikken:
1 Een budget voor sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en ingrijpen-
de verbetering van woningen gebouwd vóór 1946. Gevel en dak van een ingrij-
pend verbeterde woning moeten een warmteweerstand hebben van 1 ,3 m 2 K/W
of hoger.
2 Een budget voor toeslagen voor plaatselijk verschillende omstandigheden
(kopkosten). Het budget geldt ook voor ingrijpende woningverbetering en ongesub-
sidieerde woningbouw. Gebruik van dit budget voor woningverbetering of sociale
huur kan alleen bij raadsbesluit.
3 Een budget voor toeslagen voor huurverlaging. De maximum huurgrens be-
droeg in 1992 f 690 in 1993 f 728 en in 1994 f 768, minus de door de bud-
gethouder toegekende huurverlagingstoeslag. De kale huur kon dus niet boven de
genoemde bedragen van f 690 enz. worden vastgesteld .
4 Een budget voor premiehuurwoningen en premie (-woningen.
Binnen zo'n budget konden gemeenten naar eigen inzicht schuiven met de subsi-
dies, niet tussen de verschillende budgetten . Gemeenten van 30000 inwoners of
meer beheerden al sinds 1992 hun eigen budget; voor de kleinere gemeenten zijn
sinds die tijd samenwerkingsverbanden gevormd, zijn die er nog niet dan doet dat
de provincie. Een belangrijk verschil met de oude regeling is dat het BWS '95
nog maar één budget kent, dat gemeenten of samenwerkingsverbanden van ge-
meenten ter uitvoering van hun lopend of van hun voorlopig volkshuisvestingspro-
gramma kunnen besteden. Voor dat programma wordt verwezen naar art. 64 van
de Woningwet. Naast het lopende programma moet er een voorlopig programma
zijn voor de eerstvolgende drie jaren . Voor dat voorlopige programma moeten ook
al verplichtingen aangegaan worden : 80% van het budget voor het eerste, 60%
van het budget voor het tweede jaar. Dat maakt het mogelijk om meer van het
budget voor volgende jaren te sparen dan onder de vorige financieringsregeling
mogelijk was. Het BWS '95 zegt alleen wat er in elk geval in het voorlopige pro-
gramma moet staan; het mag dus meer zijn dan wat hier volgt:
1 Nieuw te bouwen woningen waarvan de geraamde kosten om ze in eigen-
dom te krijgen niet hoger zijn dan f 159000; dit zijn de 'woningen in de sociale
bouwsector' .
2 Nieuw te bouwen woningen waarvan de geraamde kosten om ze in eigen-
dom te krijgen hoger zijn dan f 159000, tot een maximum van f 227000.
3 Te treffen ingrijpende voorzieningen aan verhuurde of te verhuren vooroor-
logse woningen. Alleen voor verbeteringen aan particuliere huurwoningen van f
50000 of meer wordt nog subsidie beschikbaar gesteld. Voor verbeteringen aan
particuliere huurwoningen die minder kosten, kan een beroep worden gedaan op
de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing.
4 Nieuw te bouwen woonwagens en standplaatsen voor woonwagens.
Aan welk volkshuisvestingsdoel het budget besteed wordt, mogen de gemeenten nu
zelf uitmaken, verschuivingen zijn toegestaan . Ook het maximum-huurbedrag is uit
de regeling verdwenen. Dat is een gevolg van het feit dat de Minister niet langer
de huurprijs van gesubsidieerde woningen vaststelt. Art. 8 van de Huurprijzenwet

24
Woonruimte, die de Minister die bevoegdheid gaf, is geschrapt. Huurders en ver-
huurders moeten zelf tot overeenstemming zien te komen over de huurprijs, eventu-
eel via een advies van de huurcommissie of een uitspraak van de kantonrechter.
Dat hangt weer samen met de grotere vrijheid die woningcorporaties hebben ge-
kregen: door de zgn. huursombenadering moeten ze voor de door hen beheerde
woningcomplexen een verplichte gemiddelde huurverhoging zien te realiseren; niet
alle woningen moeten in dezelfde mate in huur verhoogd worden en ook huurver-
lagingen zijn mogelijk. Budgethouders moeten net als onder de oude BWS-regeling
beschikken over een subsidieverordening voor het verlenen van geldelijke steun
door de gemeenteraad . De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft daar een
model subsidieverordening voor ontwikkeld .
Kerncriteria om de hoofddoelstellingen van beleid te kunnen toetsen zijn voor het
landelijk en provinciaal nivo: de woningbehoefte, een doelmatig en evenwichtig ge-
bruik van de voorraad, de voortgaande verbetering van de kwaliteit van (bestaan-
de) woningen en de woonomgeving en de bevordering van de differentiatie in de
sociale samenstelling van wijken; voor het regionaal of lokaal nivo geldt tevens
nog als criterium : de financiële draagkracht van sociale verhuurders. Het verbete-
ren van gevels past dus wel in een van de hoofddoelstellingen van beleid: verbete-
ring van bestaande woningen en de woonomgeving . Een verplicht budget voor de
verbetering van naoorlogse woningen is er niet, maar gemeenten mogen er eventu-
eel geld voor reserveren. De corporaties zijn bovendien na de oorlog steeds ver-
plicht geweest zelf een reservefonds te vormen.

2.3.3 Individuele huursubsidie


Er zijn tien subsidietabellen :
1 De meerpersoonstabel, 1994-1995 (tabel I). Deze geldt voor huurders met
een partner of echtgenoot en/of een of meer andere huisgenoten waarvan de
partner of echtgenoot met het hoogste inkomen nog geen 65 jaar is.
2 De meerpersoons-bejaardentabel, 1994-1995 (tabel IA) . Deze geldt voor
huurders met een partner of echtgenoot en/of een of meer andere huisgenoten
waarvan de partner of echtgenoot met het hoogste inkomen minstens 65 jaar is.
3 De 1-persoonstabel, 1994-1995 (tabel 11) . Deze geldt voor alleenstaande
huurders die 23 jaar zijn of ouder, maar jonger zijn dan 65 jaar, die niet in aan-
merking komen voor een overgangstabel.
4 De 1-persoons-bejaardentabel, 1994-1995 (tabellIA). Deze geldt voor al-
leenstaande huurders die 65 jaar zijn of ouder, die niet in aanmerking komen
voor een overgangstabel.
5 De 1-persoonstabel overgang, 1994-1995 (tabel IIB) . Deze geldt voor al-
leenstaande huurders die 23 jaar zijn of ouder, maar jonger dan 65 jaar, die in
juni 1994 ook al huursubsidie op basis van een overgangstabel ontvingen.
6 De 1-persoons-bejaardentabel overgang, 1994-1995 (tabel liC) . Deze geldt
voor alleenstaande huurders die 65 jaar zijn of ouder, die in juni 1994 ook al
huursubsidie op basis van een overgangstabel ontvingen.
7 De 1-persoons-jongerentabel, 1994-1995 (tabel 111). Deze geldt voor alleen-
staande huurders jonger dan 23 jaar, die niet in aanmerking komen voor een
overgangstabel .
8 De meerpersoons-jongerentabel, 1994-1995 (tabel lilA) . Deze geldt voor
personen jonger dan 23 jaar (of met een meer verdienende partner die nog geen
23 is), die samenwonen met een partner, kinderen en/of ouders en die niet in
aanmerking komen voor een overgangstabel.
9 De 1-persoons-jongerentabel overgang, 1994-1995 (tabel IIIB). Deze geldt
voor alleenstaande huurders jonger dan 23 jaar, die voor dezelfde woning in juni
1994 ook al huursubsidie op basis van een overgangstabel ontvingen.
10 De meerpersoons-jongerentabel overgang, 1994-1995 (tabeilIIC) . Deze
geldt voor personen jonger dan 23 jaar (of met een meer verdienende partner die
nog geen 23 is), die samenwonen met een partner, kinderen en/of ouders, die
voor dezelfde woning in juni 1994 ook al huursubsidie op basis van een over-
gangstabel ontvingen.

De subsidiabele huur mag niet meer zijn dan f 963,75 en niet minder dan f
335,42; voor jongeren die niet in aanmerking komen voor een overgangstabel
mag de subsidiabele huur niet meer zijn dan f 501 ,25 en ook niet minder dan f
335,42. Voor iedere tabel geldt een bepaalde maximum inkomensgrens. Naarmate
de huurprijs hoger ligt, neemt het gedeelte van de huurprijs dat de aanvrager zelf
verschuldigd is stapsgewijs toe volgens de zgn . kortingsschijven. Wij vestigen er de
aandacht op dat de jaarlijkse huurverhogingen steeds op 1 juli ingingen, maar
nieuwe financieringsregelingen (B W S, BW S '95) op 1 januari . Huursubsidie is
bestemd voor individuele huurders; de mogelijkheden om woningen te renoveren
worden er niet groter of kleiner door.

2.3.4 Huurpriisbeleid
Commerciële en niet-commerciële verhuurders van woonruimte moeten zich in
Nederland houden aan de Huurprijzenwet Woonruimte van 1979, voor het laatst
gewijzigd in 1994. De uitvoering (prijsregels) is geregeld in een aantal

26
Uitvoeringsmaatregelen . De eerste daarvan is het Besluit Huurprijzen Woonruimte,
eveneens uit 1979 en ook voor het laatst gewijzigd in 1994. Bij het Besluit
Huurprijzen Woonruimte horen een aantal belangrijke bijlagen.
Bijlage I is het Woningwaarderingsstelsel met toelichting . Bijlage 11 is het waarde-
ringsstelsel voor niet-zelfstandige woonruimte (kamers). Bijlage 111 is het
Huuraanpassingsschema. Tot 1992 werd hierin bepaald hoe de minimaal en maxi-
maal redelijke huurprijs werd verkregen ; nu worden alleen nog de maximaal rede-
lijke huurprijzen vermeld . Bijlage IV is de zgn. lijst van nulpunten: 'lijst van zeer
ernstige tekortkomingen van woonruimte welke een zelfstandige woning vormt' (tot
1986 stond er in de titel nog bij : 'die een huurverhoging niet toelaten'). Bijlage V
is de zgn . lijst van relatieve nulpunten : 'Lijst van gebreken van woonruimte welke
een zelfstandige woning vormt' . Nulpunten zijn altijd een aanleiding tot huurbe-
vriezing, relatieve nulpunten kunnen daar eventueel aanleiding toe geven. De overi-
ge bijlagen gaan over niet-zelfstandige woonru imte. De overige uitvoerings
maatregelen bevatten toelichtingen , of gaan over de vaststelling van modellen, for-
mulieren e.d., de huurprijs van bepaalde categorieën woonruimte. Nummer 6 ging
over groot-onderhoud en verbetering van woningwetwoningen . Hierin werd gere-
geld dat woningen die ouder waren dan 25 jaar konden worden verbeterd. Het
treffen van niet ingrijpende verbeteringen (minder dan f 50000 per woning) is
echter als subsidie-categorie vervallen, zodat bij deze categorie alleen nog sprake
is van ongesubsidieerde woningverbetering (MG 91-40). Woningcorporaties en
gemeentelijke woningbedrijven moesten zich tot nu toe, behalve aan de voorgaan-
de wettelijke regelingen , ook houden aan de aanwijzingen die ze van de Minister,
via de circulaires ontvingen . Vanaf 1 juli 1993 geldt echter de zgn . huursombena-
dering, die de corporaties een grotere vrijheid geeft. De minimaal redelijke huur-
grens werd toen afgeschaft. Er geldt nog wel een maximaal redelijke huurstijging
van 7,5% per woning . De Minister schrijft verder nog voor dat de totale huurop-
brengst van een sociale verhuurder jaarlijks gemiddeld met een bepaald percenta-
ge moet stijgen, de zgn. minimale huursomstijging. Tegelijk wordt de
object-subsidie jaarlijks verminderd met een vast subsidie afbraakpercentage.

2.4 Ontwikkelingen
Recente maatschappelijke ontwikkeling kunnen gunstig zijn voor de toekomst van
het huidige bestand aan flatwoningen . Dat is op de eerste plaats de vergrijzing
van de bevolking, die het waarschijnlijk maakt dat er meer behoefte komt aan
compacte, gemakkelijk te onderhouden woningen in een veilige omgeving. Voor
ouderen zijn daar betere mogelijkheden voor thuiszorg te creëren . Een essentieel
criterium voor ouderen is de toegankelijkheid, ook voor ouderen met een handi-
cap. In elk geval zijn dan nodig liften en de afwezigheid van hoge drempels,
zoals die nu nog bij galerijflats plegen voor te komen . Voor rolstoelgebruik zijn
drempels zelfs helemaal ongewenst en moeten de woningen aanpasbaar gemaakt
kunnen worden . Een andere factor die gunstig kan zijn voor de marktpositie van
meergezinshuizen is het toenemende milieubesef, vooral wat betreft energiebespa-
ring, duurzaamheid en ecologie. Daarvoor is immers het op en tegen elkaar bou-
wen van woningen het gunstigst. Bestaande flats kunnen door het aanbrengen van
klimaatgevels, door verkleining van het raamoppervlak en door balkons en galerij-
en af te schermen met vliesgevels een gunstiger energiehuishouding krijgen en
daardoor tevens een grondige face lift ondergaan. Verantwoorde vormen van af-
valscheiding zijn het meest rendabel op plaatsen waar veel mensen bij elkaar
wonen. De meeste flats zijn ook juist te vinden in of bij een stedelijke omgeving.
Een derde factor is de toenemende differentiatie in woon- en leefvormen en een
voortgezette emancipatie van tot voor kort achtergestelde groepen. Dit vraagt ech-
ter flexibel indeelbare flats en dus de nodige aanpassingen, voor zover dat nog
niet gebeurd is. De meeste flats zijn nog gebouwd in een periode van grote wo-
ningnood en ze waren oorspronkelijk bestemd voor gezinnen met kinderen . Ook
dat levert een motief voor aanpassing aan nieuwe omstandigheden, temeer daar
veel flats op woontechnisch gebied, vooral de keuken en badinrichting inmiddels
behoorlijk verouderd zijn. Oudere flats hebben vaak ook nog te kleine kamers.
Niet alleen van de zijde van de ouderen is dus een vergrote vraag naar etagewo-
ningen te verwachten, maar ook van meer individualistisch ingestelde jonge 1- en
2-persoons huishoudens.

2.5 Voorbeelden van uitgevoerde bouwkundige aanpassingen


Er kunnen verschillende aanleidingen zijn om gevels aan te passen, zoals techni-
sche of economische. Technische redenen kunnen voortkomen uit slijtage of verou-
dering: houtrot, onvoldoende tochtdichtheid . Economische redenen kunnen zijn een
te geringe kwaliteit en daardoor onvoldoende warmte-isolatie of een onaantrekke-
lijk uiterlijk, dat een negatief effect op de verhuurbaarheid kan hebben. Meestal
hangen ze samen: achterstallig onderhoud heeft ook een negatief effect op het ui-
terlijk: onvoldoende warmte-isolatie kan vochtproblemen veroorzaken. Als techni-
sche verbeteringen noodzakelijk zijn , bijv. ter verbetering van de warmte-isolatie,
ligt het voor de hand dat men dat zo probeert te doen dat ook het uiterlijk verbe-
terd wordt: bijv. een voorzetgevel van aluminium of gevelbekledingen met staal-
plaat in Amsterdam-Buikslotermeer en Rotterdam-Overschie (Bouw, 1978, nr. 8;

28
Acier-Stahl-Steel , 1976, nr. 9; Bouwwereld, 1985, nr. 24) . Het tegenovergestelde
komt ook voor: in de Papaver-hof werd de buitengevelisolatie op zodanige wijze
aangebracht dat de ingreep zo goed als onzichtbaar bleef (De Architect, 1989, nr.
12; Feddes, 1991).
Het is niet moeilijk in binnen- en buitenland een groot aantal voorbeelden te vin-
den van nieuw bepleisterde of beklede gevels (Gutzeit, 1984; AlT, 1991, nr. 10;
Bauzeitung, 1990, nr. 10; DBZ, 1991, nr. 5; Schweizer Aluminium Rundschau,
1976, nr. 5; International Journalof Construction Maintenance & Repair, 1991, nr.
2). Uiteraard werd daarbij in de meeste gevallen ook de isolatie verbeterd . Bij de
renovatie van Klein Driene te Hengelo werd daarbij zelfs een nieuw buitenspouw-
blad gemetseld, gecombineerd met isolatiemaatregelen, een nieuw prefab binnensp-
ouwblad, verkleining van gevelopeningen, isolatie van koudebruggen en een
gebalanceerd ventilatiesysteem met warmteterugwinning (Renovatie & Onderhoud,
1991, nr. 6) .
De verbeteringsingreep kan bestaan uit een toevoeging aan het bestaande gevelop-
pervlak, zoals het aanbrengen van buitengevelisolatie (Bouwwereld, 1991, nr. 10
en nr. 13; Woningraad, 1991 , nr. 14/15; Bouw, 1992, nr. 2) of uit het toevoegen
van een nieuw gevelvlak verder naar buiten, door het afsluiten van galerijen of
balkons met behulp van een vliesgevel (Bouwwereld, 1991 , nr. 5 en 1993, nr. 1).
Eerstgenoemde ingreep komt vrij veel voor. Bij de negen verdiepingen hoge, uit
1952 daterende galerijflats 'De Zeven Provinciën' in Rotterdam Overschie werden
beide genoemde ingrepen samen toegepast, tegelijk met het aanbrengen van me-
chanische ventilatie en een extra liftschacht, het vervangen van kozijnen, het plaat-
sen van nieuwe individuele c.v.-installaties en nieuwe prefab kunststof natte cellen .
Bij drie verdiepingen hoge seniorenflats in Amstenrade werden de balkons en ga-
lerijen met vliesgevels afgesloten, werd een gebalanceerd ventilatiesysteem met
warmteterugwinn ing aangebracht en werden de galerijvloeren verhoogd (Renovatie
& Onderhoud, 1990, nr. 6) . Het ophogen van galeri jvloeren is soms nodig in ver-
band met een slechte afwatering of vanwege het ongemak dat de hoge opstap bij
de voordeur voor ouderen oplevert (Bouwwereld, 1993, nr. 1).
Niet altijd is de verbetering op de eerste plaats op de woningen zelf gericht:
soms beperkt men zich tot het verbeteren van de toegankelijkheid van het woon-
blok, o.a . door het aanbrengen van liften bij vier verdiepingen hoge woonblokken ,
of men beperkt zich tot het accentueren van de ingangen, waardoor eveneens het
uiterlijk van het woonblok verbeterd kan worden . Het aanbrengen van liften komt
voor bij het Open-Bouwenproject in Voorburg tegelijk met het aanbrengen van
nieuwe trappehuizen, verbeteringen aan de woonomgeving d.w.z. het straatnivo
van de woonblokken - en een nieuw inbouwpakket (Kapteijns, 1990).
Verder komen lifttoevoegingen voor bij flats in Delft, Ijmuiden, Rotterdam en
Utrecht (DROS, 1990; Singelenberg e.a., 1992; Renovatie & Onderhoud, 1992,
nr. 2, nr. 9 en 1993, nr. 2; Bouwwereld, 1991, nr. 21 en 1992, nr. 4) . Op het
Kanaleneiland te Utrecht werd om het plaatsen van liften mogelijk te maken een
extra verdieping toegevoegd. In Diemen werden nieuwe noodtrappehuizen ge-
bouwd bij vijftien verdiepingen hoge torenflats, die door hun enigszins scheve
stand een opmerkelijke toevoeging vormen . Door de vervanging van een gemetseld
buitenspouwblad door isolatiepleister bereikte men hier bovendien een omvorming
van een horizontale geleding naar en verticale (Renovatie en Onderhoud, 1991 ,
nr. 3; Bouwen met Staal, 1992, nr. 108). Het accentueren van de ingangen ge-
schiedde met goed resultaat in Leiden en Groningen (De Architect, 1989, nr. 9;
Renovatie & Onderhoud, 1992, nr. 6; Bouwwereld, 1992, nr. 19). In Leiden wer-
den lange galerijen gecompartimenteerd en werden nieuwe lifthuizen toegevoegd,
samengesteld uit glazen bouwstenen . Een veel geringer effect bereikte men in
Ijmuiden door het toevoegen van buitentrappen naar de galerij op de eerste ver-
dieping, plus de toevoeging van luifels en ornamenten boven de andere ingangen
(Renovatie & Onderhoud, 1992, nr. 9) . In Venlo en Vianen werden open hoeken
tussen woonblokken volgebouwd (Singelenberg e.a., 1992; Renovatie &
Onderhoud, 1993, nr. 1; Bouwwereld, 1993, nr. 13). Bij vier verdiepingen hoge
flats in Cherbourg werd een (bewoonbare) kapconstructie toegevoegd, maar blijk-
baar geen liften (Nouveau Journal de Charpentes, Ménuiseries, Parquets, 1989, nr.
7). In Boulogne-Billancourt werden op binnenterreinen gelegen blokken van voor-
oorlogse flats gesloopt en werden de bestaande blokken - met toevoeging van lif-
ten - met enige lagen verhoogd, zodat het oorspronkelijke woningaantal weer
bereikt werd (HLM Aujourd'hui, 1991, nr. 22). De literatuur over woningverbete-
ring omvat voorts een aantal algemene werken en tijdschriftartikelen (Graafland,
1985; Dekker, 1989; Boonstra, 1991 ; van Tooren, z.j.; Aktuelles Bauen, 11/12
1987; Corporatie Magazine, 1990, nr. 5; Renovatie & Onderhoud, 1992, nr. 11).
Het interessantst voor het onderzoek 'Verbetering van gevels' zijn de gevallen
waarbij een nieuwe gevelconstructie werd toegepast, in het bijzonder de ingrepen
aan de voormalige verpleegstersflat in Rotterdam-lJsselmonde. Bij dit woongebouw
kwam een geheel nieuwe gevelconstructie tot stand doordat de bestaande aan de
vloer vastgestorte zeembalkons werden verwijderd, bij de woning getrokken of ver-
vangen werden door een groter balkon (De Architect, 1990, nr. 5). In Milwaukee
werd door toevoeging van een dak- en een entreepartij bereikt dat een vijftal
woonblokken met saaie gevels uit 1960 beter herkenbaar werden als woongebouw

30
(Progressive Architecture, 1991 nr. 6). In Denemarken in Egedalsvaenge werden
voornI. cosmetische effecten nagestreefd door een plat dak te vervangen door een
zadeldak en een groot aantal afdakjes tussen de balkons aan de gevels aan te
brengen (Arkitektur DK, 1988, nr. 1).
Forse ingrepen, vergelijkbaar met een hoog-nivo renovatie, komen in Nederland
ook bij naoorlogse flats wel eens voor, zoals bij een galerij-flat in Gouda en bij
een complex met Welschen-flats in Rotterdam -Overschie (Woningraad, 1992, nr.
17; Renovatie & Onderhoud, 1993, nr. 1, nr. 2 en nr. 9) . Geconcludeerd kan
hieruit worden dat voor het onderzoek 'Verbetering van gevels' het meest interes-
sant zijn : Milwaukee West Development, de verbouwing van de verpleegstersflat in
Rotterdam-Usselmonde en de toevoeging en wijzigingen aan de gevels van de stu-
dentenflats in Diemen .
32
3 ASPECTEN VOOR ANALYSE VAN
GALERIJFLATS

In dit hoofdstuk worden , aan de hand van diverse literatuur, aspecten of criteria ti)
~
beschreven waarop galerijflats kunnen worden beoordeeld . Dit hoofdstuk is dus
niet alleen van belang voor de situatie van Hoogoord, maar is geschreven ten be-
oe
..l
hoeve van het beoordelen van galerijflats in het algemeen . Alleen die aspecten ..l
komen aan bod die direct dan wel indirect van invloed zijn op en gevolgen kun- "'"
nen hebben voor mogelijke aanpassingen van gevels. De aspecten zijn gerang- D:
schikt in vier hoofdgroepen, te weten : 1&1
..l
1 Sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten, zoals bijv. sociale veiligheid (3 .1);
2 Functioneel-ruimtelijke aspecten, zoals de toegankelijkheid van het gebouwen de
oe
oppervlakte van de woning (3 .2);
3 Bouwtechnische en bouwfysische aspecten en brandveiligheid (3.3)
"z
4 Vormaspecten , zoals bijv. vormwaarneming van de gevel (3.4) . oe
In het kader van deze studie zal dus niet worden ingaan op stedebouwkundige as- >
pecten. Elk aspect zal uitgebreid worden beschreven, waarbij tevens ontwerpaan- 1&1
ti)
dachtspunten aan bod komen . Het lezen van dit hoofdstuk geeft inzicht in
mogelijke problemen en oorzaken alsmede mogelijke maatregelen voor galerijflat- ."
."
>
..l
gebouwen . oe
Het lezen van dit hoofdstuk wordt dan ook zowel aanbevolen voor de lezer die Z
alleen in Hoogoord geinteresseerd is, als de lezer die geinteresseerd is in verbete- oe
ring van een ander specifiek galerijflatgebouw dan wel in galerijflats in het alge- D:
meen. De lezer die niet in Hoogoord geinteresseerd is kan eventueel na het lezen 0
van dit hoofdstuk vervolgen met hoofdstuk 5 Conclusies en aanbevelingen voor 0
aanpassingen van galerijflatgebouwen. De lezer die wel in Hoogoord geinteres- >
seerd is kan na dit hoofdstuk te hebben gelezen vervolgen met hoofdstuk 4 waarin
Z
Hoogoord onder meer zal worden beoordeeld m.b.t. de in dit hoofdstuk beschre- 1&1
ven aspecten. Alvorens de aspecten nader te behandelen zal eerst kort worden in- ~
gegaan op de categorieen belevingsaspecten die een rol spelen bij de beleving U
1&1
van de ruimtelijke omgeving in het algemeen .
~
ti)
Beleving van de ruimteliike omgeving. Er kunnen vier categorieen belevingsaspecten oe
worden onderscheiden :
."
1 Perceptie (waarnemen); 3 Affectie (voelen) en;
2 Cognitie (kennen); 4 Motivatie (streven) .
Steffen (1983) beschrijft in 'De toegankelijkheid van gebouwen en de persoonlijk-
heid van bezoekers' de omgevingskenmerken die relevant zijn voor de toeganke-
lijkheidsbeleving van de ruimtelijke omgeving, en maakt daarbij een onderverdeling
in vier groepen criteria overeenkomstig de voorgaande categorieen. Alhoewel het
in de betreffende publicatie gaat om de 'toegankelijkheid van gebouwen', worden
vele criteria beschreven die van algemeen belang zijn bij de beleving van de
ruimtelijke omgeving, en die ook direct betrekking hebben op de gevels, dan wel
indirect via de ontsluiting . Op basis van de publicatie van Steffen (die een zeer
bruikbaar overzicht geeft) zullen de relevante criteria behandeld worden. De vier
belevingsaspecten kunnen als volgt worden omschreven (Steffen, 1983):
ad 1 Perceptie is de psychologische functie die door middel van zintuigorganen
een individu in staat stelt informatie te ontvangen en te verwerken over de toe-
stand van de omgeving (dingen, personen, verschijnselen). Met name de visuele
waarneming van de gevels is voor dit onderzoek van belang. Hierop zal in de
paragraaf Vormaspecten (3.4) nader worden ingegaan.
ad 2 Cognitie hangt nauw samen met perceptie, omvat deze eigenlijk en stijgt er
bovenuit. Het cognitieve proces slaat op het kennen in de meest uitgebreide zin:
weten, inzien, oordelen, redeneren enz.. Het gaat dus om intellectuele processen.
Van belang voor het ruimtelijk gedrag is het menselijk oriëntatievermogen, dat in
paragraaf 3.2.2 zal worden behandeld.
ad 3 Affectieve of emotionele processen verwijzen naar innerlijke belevingstoe-
standen, te omschrijven als aangedaan worden, vervuld zijn (van iets), getroffen of
geraakt worden (door iets). Voor de belevingswaarde van de gevels (maar ook
voor het interieur) zijn onder meer: complexiteit en contrastwerkingen van belang.
Hierop zal in de paragraaf Esthetische en vormaspecten nader worden ingegaan .
ad 4 Motivatie tensloffe, verwijst naar de dynamiek van het gedrag: behoeften,
neigingen, begeerten, driften . Het individu ervaart dat de ruimtelijke situatie al dan
niet aansluit bij het behoeftenpatroon. Het gaat hierbij om lichamelijk comfort
(waarbij het gaat om voorzieningen met het oog op behoefte aan onder meer
licht, lucht en warmte}en veiligheid en zekerheid. Wat betreft veiligheid en zeker-
heid zijn voor het onderzoek van belang constructieve veiligheid, brandveiligheid,
gebruiksveiligheid en sociale veiligheid (onder meer duidelijkheid t.a.v. uitgangen
en vluchtwegen) . Ook de mogelijkheid tot oriëntatie is van belang. Verder spelen
m.b.t. motivatie, erkenning en ontplooiing een rol. De motivationele aspecten zullen
in de verschillende paragrafen aan bod komen .

34
3.1 Sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten
3.1.1 Doelgroepen
Tot voor kort waren de doelgroepen voor galerijflats onder meer gezinnen met
lage inkomens, 1- en 2-persoonshuishoudens (starters op de woningmarkt) en mi-
granten. Er is nu echter sprake van een grotere verscheidenheid aan huishoudens-
typen en onder meer ouderen worden mede in verband met de toenemende
vergrijzing als doelgroep beschouwd . Zowel het willen aantrekken van een andere
doelgroep of doelgroepen als het juist meer tegemoet willen komen aan de be-
hoeften en wensen van de bestaande doelgroep kan aanleiding geven tot het
nemen van bepaalde maatregelen . Voorbeelden hiervan zijn:
- Het verbeteren van het uiterlijk van een complex.
- Het verbeteren van de woontechnische kwaliteit van een complex door grotere
afmetingen van (bepaalde) ruimten en een beter afwerkingsnivo van het woonge-
bouw (en de woningen) te realiseren .
- Het wijzigen van de woningdifferentiatie, bijv. omdat men rekening wil houden
met een toenemende differentiatie naar huishoudenstypen. Differentiatie in woning-
typen kan worden aangebracht door middel van herstructurering (woningsplitsing
of -samenvoeging) of het wijzigen van de woningindeling bijv. door een flexibel
inbouwsysteem aan te brengen. Andere mogelijkheden zijn het slopen van een
deel van de woningen (bijv. een bouwlaag, z.g. 'aftopping'), of juist het bijbouwen
van woningen, bijv. op de begane grond op de plaats van bergingen en/of ge-
meenschappelijke ruimten.
- Bouwkundige maatregelen rekening houdend met de doelgroep ouderen zijn
onder meer maatregelen m.b.t. de toegankelijkheid, zoals het toevoegen van liften
en ook het rolstoeltoegankelijk maken van galerijen (zie 'Bijzondere toegankelijk-
heid', paragraaf 3.2.) en maatregelen m.b.t. de sociale veiligheid zoals afsluit-
baarheid van entrees (zie paragraaf 3.1.3 Sociale veiligheid).

3.1 .2 Imago van een gebouw


Het imago of de reputatie van een gebouw of complex kan enerzijds tot verhuur-
baarheids-problemen leiden, maar anderzijds ook het gevolg zijn van verhuurbaar-
heidsproblemen . Verschillende maatregelen kunnen leiden tot verbetering van het
imago. Bouwkundige maatregelen die tot verbetering van het imago kunnen leiden
zijn onder meer verbetering van het uiterlijk, beveiliging en bouwkundige maatre-
gelen ten behoeve van een bepaalde doelgroep of bepaalde doelgroepen, zoals
hiervoor beschreven (uitvoering maatregelen sociaal beheer).
3.1.3 Sociale veiligheid
Het begrip sociale veiligheid kan worden gesplitst in enerzijds objectieve veiligheid,
waarbij het gaat om het (zo weinig mogelijk) feitelijk plaatsvinden van crimineel
gedrag en subjectieve veiligheid, waarbij het gaat om het zich veilig voelen . De
objectieve veiligheid kan bijv. worden onderzocht door middel van analyse van po-
litiegegevens. Subjectieve veiligheid kan worden onderzocht door middel van be-
wonersonderzoek en/of werkelijk gedrag te bestuderen . Bij crimineel gedrag kan
het gaan om onder meer de volgende delicten : beroving, diefstal en inbraak en
openbare geweldplegingen. Het bureau Criminaliteitspreventie geeft in het rapport
'Hoogbouw gewogen ... ' (1987), een aanzet voor een methode om de 'leefbaar-
heid' in woongebouwen te meten in relatie tot de 'ontwerpveiligheid' . In het be-
treffende rapport wordt voortgeborduurd op de theorieen van Oscar Newman en
Alice Coleman m.b.t. veiligheid en netheid. Leefbaarheid is de verzamelnaam voor
sociale veiligheid en netheid. Netheid is de positief gestelde grootheid van 'verloe-
dering'.
Onder verloedering wordt in navolging van Coleman sociale- en beheerproble-
men verstaan . Als indicatoren voor verloedering worden gebruikt: vervuiling, graffi-
ty, vernielingen en vandalisme en uitscheiding (uitwerpselen e.d.). Verloedering kan
worden onderzocht door bijv. observaties. Andere onderzoekers maken dit onder-
scheid niet en rangschikken vandalisme en graffity onder crimineel gedrag in rela-
tie tot het begrip sociale veiligheid . Of criminaliteit in de gebouwde omgeving
daadwerkelijk plaatsvindt is afhankelijk van de aanwezigheid van een potentiële
dader en de aanwezigheid van een doelwit, maar ook van de gebouwde omge-
ving die een drempel op kan werpen, waardoor potentiële daders zich onthouden
van ongewenst gedrag, of die dit juist niet kan doen. Of de gebouwde omgeving
een drempel opwerpt is afhankelijk van een aantalontwerpkenmerken. Behalve de
aanwezigheid van een doelwit zijn ook de aantrekkelijkheid van het doelwit en de
fysieke kwetsbaarheid van belang (van der Voordt en van Wegen, 1990, p.22) .
Preventieve maatregelen om overlast en criminaliteit te voorkomen kunnen worden
onderscheiden in socio-technische maatregelen', die gericht zijn op het verhogen
van een psychologische drempel (sociale controle) zoals het stimuleren van betrok-
kenheid van bewoners en techno-preventieve maatregelen, die gericht zijn op ver-
hoging van de fysieke drempel, waarbij het gaat om beveiliging door middel van
technische hulpmiddelen zoals compartimentering van galerijen en inbraakbestendi-
ge sloten . In deze rapportage zullen we niet nader op inbraakpreventieve maatre-
gelen ingaan . of een ontwerp gevoelig is voor criminaliteit is dus mede afhankelijk
van een aantalontwerpkenmerken . Meerdere onderzoekers ontwikkelden een lijst

36
met ontwerpkenmerken die samenhangen met een aantal variabelen m.b.t. sociale
veiligheid en criminaliteit.
In 'Hoogbouw gewogen ... '(1987) worden m.b.t. de ontwerpveiligheid de vier va-
riabelen : zichtbaarheid, territorialiteit, vluchtmogelijkheden en kinderrijkheid die
reeds eerder door Coleman werden aangegeven aangevuld met de variabelen: af-
scherming en toegankelijkheid en objectstevigheid. Coleman had op haar beurt in
'Utopia on trial' (1985) voortgeborduurd op eerder onderzoek van Newman
(Defensible spaceL die m.n . aanbevelingen formuleerde m.b.t. het verhogen van de
zichtbaarheid en het verhogen van het gevoel van territorialiteit. De in totaal zes
variabelen die in 'Hoogbouw gewogen ... ' worden beschreven hangen samen met
een 25-tal ontwerpkenmerken . In 'Het effect van bouwkundige maatregelen bij het
terugdringen van exploitatieproblemen' (Ministerie van V ROM, 1989) wordt in
aanvulling op deze zes variabelen of groepen ontwerpkenmerken als zevende
groep bereikbaarheid behandeld. Elsinga en Wassenberg trekken uit hun onder-
zoek 'Kleine criminaliteit en naoorlogse etagebouw' (1991L mede op grond van
een aantal deelonderzoeken conclusies waarin zij onder meer maatregelen aange-
ven ter verhoging van de informele sociale controle, vergroting van de zichtbaar-
heid en vergroting van de attractiviteit van de woonomgeving.
Van der Voordt en van Wegen (1990) hebben een checklist ontwikkeld ten be-
hoeve van het ontwikkelen en toetsen van (plannen voor) de gebouwde omgeving
(op stedebouwkundig plannivo en bouwplannivo) . Zij onderscheiden een achttal cri-
teria, elk onderverdeeld in verschillende indicatoren die te gebruiken zijn als
checkpunten en die vervolgens worden uitgewerkt in concrete ontwerpaandachts-
punten . Naast de criteria: aanwezigheid van potentiele daders, aantrekkelijkheid
van een potentieel doelwit en fysieke kwetsbaarheid van een potentieel doelwit,
waarop we niet nader in zullen gaan, worden (op bouwplannivo) vijf hoofdthema's
ofwel drempels onderscheiden als criteria voor toetsing, nl. aanwezigheid van so-
ciale ogen, zichtbaarheid, betrokkenheid/verantwoordelijkheid, attractiviteit van de
omgeving en toegankelijkheid/vluchtwegen , die alle betrekking hebben op zowel
objectieve als subjectieve veiligheid . De criteria, variabelen, ontwerpkenmerken en
ontwerpaandachtspunten m.b.t. sociale veiligheid (en netheid) die voor galerijflats
in het algemeen van belang zijn (en direct dan wel indirect gevolgen hebben voor
de gevel) zullen hierna worden behandeld . Aan de orde komen achtereenvolgens
(naar de criteria van van der Voordt en van Wegen, 1990):
- Aanwezigheid van sociale ogen
- Zichtbaarheid
- 8etrokkenheid/verantwoordeliikheid
- Attractiviteit
- Toegankelijkheid/vluchtwegen.
Op de variabele objectstevigheid of fysieke kwetsbaarheid zullen we in het kader
van dit onderzoek niet nader ingaan.

Aanwezigheid van sociale ogen


Van der Voordt en van Wegen (1 990) beschrijven voor de aanwezigheid van so-
ciale ogen onder meer als checkpunt de (voelbare) aanwezigheid van omstanders,
onder meer afhankelijk van zicht vanuit de woningen op de openbare buitenruimte
en omgekeerd. Als ontwerpaandachtspunten beschrijven zij :
- Wooneenheden tot op het begane grondnivo.
- Geen toegangen tot woningen en woongebouwen op plekken waar zelden of
nooit iemand langs komt.
- Tracht bij de keuze van onder meer de schaal van de bebouwing en de wijze
van ontsluiting een evenwicht te bewerkstelligen tussen enerzijds voldoende mensen
om een zekere sociale controle te kunnen uitoefenen en anderzijds niet te veel
mensen om anonimiteit te vermijden.

Zichtbaarheid
De belangrijkste aspecten zijn onder meer zicht en overzicht vanuit de bebouwing
op de (semi-) openbare ruimten en omgekeerd (van der Voordt en van Wegen,
1990, p.22). Als checkpunten voor zichtbaarheid noemen zij :
- Een goede verlichting en;
- zicht vanuit de woningen op de openbare buitenruimte en omgekeerd.
Als ontwerpaandachtspunten worden aangegeven :
- Overzichtelijke vormgeving en voldoende ruime; dimensionering bij het toepassen
van onderdoorgangen onder woongebouwen (blokdoorgangen);
- Geen teruggelegen donkere ruimten en zij-ingangen ;
- Zicht op vandalisme- en inbraakgevoelige ruimten (bijv. bergingen en kelder-
boxen) vanuit intensief gebruikte ruimten;
- Visueel contact met de begane grond, m.n. met het oog op spelende kinderen
en;
- Erkers en hoekramen die het zicht en overzicht vanuit de woning positief kunnen
bei nvloeden .
Esinga en Wassenberg (1991 ,p. 128) noemen verder nog:
- Vermijden van donkere en onoverzichtelijke hoeken en nissen in de hal, onder
de trap en op de galerij.

38
In de toetslijst 'Buiten gewoon veilig' (1986) staan onder meer nog de volgende
aandachtspunten m.b.t. zicht en zichtbaarheid:
- Vermijd lange blinde gevels.
- vermijd uitstekende delen boven het trottoir (overbouwingen, balkons op de eerste
etage e.d.). Deze nemen het zicht op straat weg vanuit de hoger gelegen wonin-
gen.
- vermijd inhammen en hoeken in de gevels.
- De entreehal, de lift en het trappehuis dienen vanaf de straat goed zichtbaar te
zqn .
- Brandtrappen moeten zo mogelijk aan dezelfde kant van het gebouw eindigen
als waar de hoofdingang zich bevindt in verband met toezicht op in- en uitgaande
mensen.
- Situeer bergingsdeuren niet direct aan de straat maar inpandig en groepeer de
bergingen in groepjes van bijv. 8 tot 10 in verband met overzichtelijkheid en het
leren kennen van andere gebruikers. De toegang van de bergingen en de gang er
naar toe moeten overzichtelijk zijn .
In 'Hoogbouw gewogen ... ' (1987) worden de volgende ontwerpkenmerken be-
schreven die positief met zichtbaarheid samenhangen : verlichting van semi-openba-
re ruimten in en rond het gebouw, zichtbaarheid van de entrees vanaf de woning
en openbare weg, overzichtelijkheid van het maaiveld en zichtbaarheid vanuit de
woning en zichtbaarheid van de bergingstoegangen vanuit de woning en openba-
re weg . Het ontbreken van woningen op de begane grond en de aanwezigheid
van loopbruggen hangen in negatieve zin samen met de variabele zichtbaarheid .

Betrokkenheid/verantwoordelijkheid
Betrokkenheid van de bewoners bij de woonomgeving vergroot het gevoel van ver-
antwoordelijkheid en daarmee de kans op sociale controle (Elsinga en
Wassenberg , 1991 , p.130) en daarmee ook op daadwerkelijk ingrijpen . In het al -
gemeen kan worden gesteld hoe grootschaliger het gebouw, des te groter is het
gevoel van anonimiteit en hoe kleiner de betrokkenheid. Mensen voelen zich meer
bij hun omgeving betrokken naarmate (van der Voordt en van Wegen, 1990,
p.25) :
- de vormgeving en inrichting beter zijn afgestemd op hun voorkeuren en wensen;
- de omgeving meer binnen de persoonlijke invloedsfeer van de gebruikers valt,
zodat mensen het gevoel hebben een zekere controle over hun eigen omgeving te
kunnen uitoefenen;
- duidelijker is wie voor welk gedeelte verantwoordelijk is;
- bewoners sociaal goed geintegreerd zijn en;
- de gebouwde omgeving er goed onderhouden en verzorgd uitziet.
Een begrip dat hiermee nauw verwant is en in de literatuur veelvuldig wordt be-
handeld als variabele die positief samenhangt met netheid en dus negatief met ver-
loedering is territorialiteit. Een territorium kan worden gezien als een gebied dat er
persoonlijk uitziet en dat een bepaalde mate van eigendom aangeeft. Er zijn per-
soonlijke kenmerken aangebracht die de ruimte markeren (Heys, 1990). "Een ge-
bied dat ogenschijnlijk ergens bijhoort dat verzorgd is en er persoonlijk uitziet, is
voor potentiele daders minder aantrekkelijk dan een anoniem gebied" (Ministerie
van V ROM , 1989, p.40) . In een galerijflat is de woning het persoonlijke territori-
um en de galerij een semi-openbaar territoriumVolgens Coleman (Utopia on Trial,
1985) leiden onder meer de ontwerpkenmerken : aantal woningen per ingang,
aantal woningen per woongebouw en aantal verdiepingen per woongebouw, tot
verloedering . In 'Hoogbouw gewogen ... ' (1987) worden naast deze ontwerpken-
merken die zijn overgenomen van Coleman, onder meer nog in (negatieve) samen-
hang met de variabele territorialiteit genoemd: 'veel woningen per galerij' en 'veel
bergingen aan collectieve ruimte'.
Voor de relatie tussen territorialiteit en de betekenis van vormen verwijzen we naar
de paragraaf 'Waarneming en betekenis van vormen'.
Van der Voordt en van Wegen (1990) onderscheiden als checkpunten voor be-
trokkenheid/verantwoordelijkheid onder meer:
- participatie van bewoners bij de totstandkoming en het beheer van hun woning
en de semi -openbare gebieden en
- betrokkenheid van bewoners op elkaar en op de buurt, waarbij onder meer als
aandachtspunt het baseren van ontwerpkeuzen op woonvoorkeuren van gebruikers
en kennis uit woon satisfactie- en woningmarktonderzoek. Alhoewel deze checkpun-
ten binnen dit onderzoek niet tot concrete bouwkundige maatregelen zullen leiden
en dus verder in het kader van deze publicatie niet nader zullen worden behan-
deld, willen wij het niet nalaten het belang hiervan te onderstrepen door deze
checkpunten wel te vermelden . Andere checkpunten uit de publicatie van van der
Voordt en van Wegen van belang voor dit onderzoek zijn :

- Individuele herkenbaarheid van bewoners onderling


Het is van belang dat bewoners elkaar van gezicht kennen , zodat ongewenste per-
sonen gemakkelijker opgemerkt kunnen worden (Ministerie van VROM, 1989,
p.42) . De ontwerpaandachtspunten die hierbij horen zijn:
- Beperking van het aantal woningen per entree.

40
- Beperking van het aantal woningen per blok- en woongebouw.
- Schaalverkleining en individualisering van galerijen en berginggangen d.m.v.
compartimentering .
In 'Buiten gewoon veilig' (1986) worden zo kort mogelijke galerijen en weinig ga-
lerijen per stijgpunt aanbevolen . Hierbij dient te worden opgemerkt dat het aantal
won ingen per entree behalve door compartimentering kan worden verminderd door
sloop van de bovenste lagen (aftopping), of het samentrekken van woningen .
Verder is het aan te bevelen de bergingen op te delen in clusters waarbij elk clus-
ter aan een galerij of compartiment woningen (per stijgpunt) wordt toegewezen
(Ministerie van VROM, 1989, p.42).

- Privégebied, met als aandachtspunt; privatisering d.m.v. fysieke en symbolische


barriéres.
Door compartimentering van galerijen (en eventueel ook bergingsgangen) worden
deze korter en zullen minder mensen hiervan gebruik maken . Door middel van
vorm , kleur en materiaalgebruik zou (ons inziens) een gedeelte van de galerij bij
de woning kunnen worden betrokken.

- Duidelijkheid over verantwoordelijkheden, met als ontwerpaandachtspunt; duidelij-


ke overgangen tussen openbaar en privéterrein . Coenen (1989, p.155) veralge-
meent zijn conclusies voor andere gemeenten na onderzoek in acht
hoogbouwcomplexen en geeft aan dat inbraak in bergingen en woningen, vervui-
ling en graffiti samenhangen met de massaliteit en anonimiteit van de semi-publie-
ke ruimten van een complex. Het ontsluitingssysteem is van groter belang voor de
mate van anonimiteit dan het aantal woonlagen .

Attractiviteit
Een attractieve gebouwde omgeving kan preventief werken op het voorkomen van
verloedering , criminaliteit en kan een positief effect hebben op het zich veilig voe-
len. Het kan (Elsinga en Wassenberg, 1991) positief werken op de tevredenheid
van de bewoners en daarmee op het gevoel van betrokkenheid/verantwoordelijk-
heid en aanzetten tot daadwerkelijk ingrijpen bi j ongewenst gedrag. Een attractieve
woonomgeving kan ook zorgen voor een beter imago naar buiten toe. Als check-
punten voor de attractiviteit van de omgeving noemen van der Voordt en van
Wegen (1 990) onder meer:
- afstemming van het gebouwde op wensen en voorkeuren van de gebruikers en;
- regelmatig en goed onderhoud.
Ook noemen zij menselijke schaal, geen monumentalisme en gigantisme, aantrek-
kelijk kleur- en materiaalgebruik en goede verlichting. Verloedering en vervuiling
hebben uiteraard een negatieve samenhang met attractiviteit. Op punten die direct
betrekking hebben op de gevels zal nader worden ingegaan in de paragraaf
Vormaspecten (3.4).

Toeganke/iikheid/v/uchtwegen
Met het begrip 'toegankelijkheid' wordt de fysieke toegankelijkheid bedoeld. Een
makkelijke toegankelijkheid en de aanwezigheid van veel vluchtwegen vergroten de
kans dat een potentiele dader overgaat tot een delict. Anderzijds is het van belang
dat potentiële slachtoffers gemakkelijk kunnen vluchten. Verder zijn bereikbaarheid
en toegankelijkheid belangrijke voorwaarden om formele en informele surveillance
te kunnen uitoefenen (van der Voordt en van Wegen, 1990, p.26). Checkpunten
op bouwplannivo voor toegankelijkheid/vluchtwegen zijn onder meer (van der
Voordt en van Wegen, 1990):
- duidelijk onderscheid in openbaar en privé;
- afsluiting van privéruimten en semi-openbare ruimten zoals portieken, berging-
gangen, galerijen;
- deugdelijk hang- en sluitwerk en;
- vluchtwegen voor potentiële slachtoffers.
Negatief werken:
- een groot aantal gemakkelijk bereikbare en toegankelijke entree's en;
- vluchtwegen voor potentiële daders.
De volgende aandachtspunten worden m.b.t. vluchtwegen van potentiele daders
onder meer aangegeven:
- Extra aandacht voor de situering en toegankelijkheid van ramen, deuren en (plat-
te) daken.
- Rekening houden met de inbraakgevoeligheid van deuren, ramen, brievenbussen
e.d ..
- Mogelijkheden om in geval van nood hulp in te roepen (bijv. door ergens aan te
bellen).
- Afsluitbaarheid van toegangen op bepaalde tijdstippen, m.n. in kwetsbare gebie-
den.
- Beperkte doorgankelijkheid van grote complexen, bijv. door middel van comparti-
mentering van galerijen .
- Bij voorkeur geen loopbruggen om woonblokken onderling te verbinden .

42
Korthals Altes (1987) geeft in navolging van Coleman drie ontwerpkenmerken aan
die de variabele vluchtmogelijkheid operationaliseren, te weten:
- verbonden stijgpunten;
- verbonden uitgangen voor- en achterzijde en;
- een groot aantal (verbonden) uitgangen .
In 'Het effect van bouwkundige maatregelen bij het terugdringen van exploitatie-
problemen van na-oorlogse complexen' (Ministerie van VROM, 1989, p .42-43l,
wordt aangegeven dat het aantal vluchtwegen voor de dader beperkt kan worden
door compartimentering van bergingen en het dichtmaken van toegangen . Verder
worden een aantal maatregelen aangegeven ter afscherming van de interne ont-
sluitingsstructuur, te weten :
- Het aanbrengen of vervangen van een electrische deuropener- en een vandalis-
mebestendige hallofooninstallatie.
- Het verplaatsen van de vandalisme-bestendige postvakken zodanig, dat deze al-
leen van buitenaf bestelbaar en van binnenuit te openen zijn .
- Het afsluiten van de noodtrappen(huizen) door een hek of deur die alleen vanaf
de binnenzijde te openen is.
Ook wordt een case genoemd waar de toegangsdeuren tot de galerijen afsluitbaar
zijn gemaakt en van een beltableau zijn voorzien . De galerij valt zo meer binnen
de invloedsfeer van de woning (territorial iteit) en tevens wordt het aantal vluchtmo-
gelijkheden verminderd . Ook Elsinga en Wassenberg (1991, p.65) geven aan dat
door compartimentering en afsluiting van bergingsgangen de toegankelijkheid
wordt beperkt en de mogelijkheid voor informele sociale controle wordt vergroot.
Compartimentering van bergingen en galerijen en het afsluiten van entrees vermin-
dert de toegankelijkheid en verhoogt de sociale controle (p.130) .
Coenen (1989) geeft onder meer aan dat de betrokkenheid van de bewoners van
groot belang is voor de effectiviteit van de entreeafsluiting. Diefstal uit postboxen
kan worden voorkomen door alleen de brievensleuven nog van buitenaf toeganke-
lijk te maken, bijv. door opneming in de entreepui. Verder geeft hij aan dat het
afsluiten van een bergingslaag een groter effect heeft als deze ook gecomparti-
menteerd wordt.
In 'Buiten gewoon veilig' (1986) wordt geadviseerd galerijen en trappehuizen af-
sluitbaar te maken: hoe minder mensen toegang hebben, hoe gemakkelijker het in-
formele toezicht in die ruimten is. De ruimten zullen eerder als eigen ruimten
worden gezien (territorialiteit)!
In het Bouwbesluit zijn m.b.t. sociale veiligheid voorschriften geformuleerd.
In hoofdstuk 11 (Technische voorschriften omtrent het bouwen van woningen en
woongebouwen) is een voorschrift geformuleerd m.b.t. de toegang van een woon -
gebouw (art. 20) .
Artikel 20
1 Een toegang van een woongebouw moet, met het oog op het tegengaan
van veel voorkomende criminaliteit, zijn voorzien van een zelfsluitende deur die
van buitenaf slechts met behulp van een sleutel kan worden geopend.
2 Ten minste één deur als bedoeld in het eerste lid, moet vanuit elke woning
die op die deur is aangewezen, rechtstreeks kunnen worden geopend.
3 Ter plaatse van de in het tweede lid bedoelde deur moet aan de buitenkant
een voorziening aanwezig zijn waarmee een in de won ing waarneembaar signaal
kan worden gegeven, alsmede een vanuit de woning bedienbare spreekinstallatie.

3.2 Functioneel-ruimtelijke aspecten


In deze paragraaf zullen achtereenvolgens de volgende voor galerijflats relevante
aspecten worden behandeld: Toegankelijkheid, ontsluiting(sstructuur} en oriëntatie-
vermogen en tenslotte aspecten m.b.t. de individuele won ing (woontechnische as-
pecten van de woning).

3.2.1 Toegankeliikheid
Toegankeliikheid volgens het Bouwbesluit
In hoofdstuk 111 van het Bouwbesluit zijn Technische voorschriften geformuleerd om-
trent de staat van bestaande woningen en woongebouwen . Hierin zijn onder meer
voorschriften geformuleerd m.b.t. de toegankelijkheid van woongebouwen alsmede
voorschriften uit het oogpunt van gebruiksveiligheid die betrekking hebben op de
ontsluiting (art. 74 tlm 77). Bij de analyse van een woongebouw dient te worden
gecheckt of aan hoofdstuk 111 van het Bouwbesluit wordt voldaan . Over het alge-
meen zal dit voor galerijflats weinig problemen opleveren . Een mogelijk voorko-
mend probleem zou het hoogteverschil tussen vloeren van gemeenschappelijke
verkeersruimten kunnen vormen . Bij aanpassing van galerijflats dienen de betreffen-
de voorschriften te worden opgevolgd. Hoofdstuk 11 van het Bouwbesluit bevat
Technische voorschriften omtrent het bouwen van woningen en woongebouwen .
Ook hierin zijn onder meer voorschriften geformuleerd m.b .t. de toegankelijkheid
van woongebouwen . Zoals reeds eerder gesteld hebben we ervoor gekozen om in
dit onderzoek voor bouwkundige aanpassingen uit te gaan van de voorschriften
voor nieuwbouw. Deze voorschriften staan in paragraaf 1, onder toegankelijkheid
van afdeling 3 'Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid', en betreffen

44
onder meer de vrije doorgang (art. 41) en bereikbaarheid van een in een woon-
gebouw gelegen woning (art. 42). In artikel 42 is onder meer een voorschrift ge-
Formuleerd m.b.t. het maximale hoogteverschil tussen de vloeren van
gemeenschappelijke verkeersruimten . Meer indirect zijn van belang de liftschacht
(art. 51) en de liftmachinekamer (art. 52). Verder zijn in aFdeling 1 'Voorschriften
uit het oogpunt van veiligheid' in paragraaF 2 voorschriften geFormuleerd m.b.t. de
gebruiksveiligheid. Voor de ontsluiting van galerijflats zijn m.n. de volgende artike-
len van belang : vloeraFscheiding (art. 3L overbrugging van hoogteverschillen (art.
4L trap (art. 5) en hellingbaan (art. 6). Behalve deze artikelen is ook art. 43, bij-
zondere toegankelijkheid, voor galerijFlats van belang. Hierop zal nu eerst nader
worden ingegaan.

Biizondere toegankeliikheid
Met het begrip 'bijzondere toegankelijkheid' wordt bedoeld toegankelijkheid mede
voor rolstoelgebruikers. In (onder meer art. 43 van HooFdstuk 11 van) het
Bouwbesluit zijn voorschriften geformuleerd m.b.t. bijzondere toegankelijkheid . De
voorschriften betreffen situering van een verblijFsgebied in de woning ten opzichte
van het aansluitende terrein, de minimale breedte van een verkeersruimte in de
woning, de vrije doorgang, de situering van toilet en badruimte in de woning, het
hoogteverschil tussen een toegang van de woning en het aansluitende terrein en
hoogteverschillen tussen vloeren en het plaatsen van een hellingbaan .
Van belang is ook het begrip 'aanpasbaar renoveren' . Hiermee wordt bedoeld
dat een woning, wanneer dat nodig mocht zijn, eenvoudig en snel aan te passen
is, zodat deze geschikt is voor gebruik door een gehandicapte en geschikt voor
rolstoelgebruik. Een bewoner die in een rolstoel terecht komt kan in dat geval in
zijn woning blijven wonen . Het vrij indeelbaar maken van de woning kan ook een
mogelijkheid zijn. Aanpassingen in de woning die niet van invloed zijn op de
gevel vallen echter buiten het kader van deze studie.
Onder meer de Nationale Woningraad (NWR) heeft onderzoek verricht naar
aanpasbaarheid van gebouwen . Tevens willen we verwijzen naar de checklist
Aanpasbaar Verbouwen (v.d Voordt e.a.; 1995). De voorschriften die in het
Bouwbesluit zijn geFormuleerd en die gevolgen hebben voor de gevel zijn voor
deze studie van belang. In bestaande galerijflats kunnen m.b.t. bijzondere toegan-
kelijkheid m.n. hoogteverschillen tussen vloeren problematisch zijn . Onder meer het
hoogteverschil tussen de vloer van de lifthal en de galerijvloer kan te groot zijn.
Het rolstoeltoegankelijk maken van de galerijen door de galerijvloer te verhogen
kan dan ook als aandachtspunt worden geFormuleerd . Verder is voor deze studie
het toevoegen van liften voor gehandicapten en ouderen van belang .

Toegankeliikheid en lichameliik comfort


Steffen (1983) beschrijft onder meer het motivationele criterium lichamelijk comfort.
Het gaat hierbij om voorzieningen met het oog op de menselijke behoeften aan
voedsel, drank, licht, lucht, onderdak en bescherming tegen natuurelementen. Van
belang voor dit onderzoek is onder meer een korte loopafstand, dus niet te lange
routes naar de woning. Bij galerijflats is de loopafstand in het algemeen vrij groot
door de bouwhoogte en de galerijen . Door compartimentering kan de loopafstand
entree-woning worden bekort.

3.2.2 Ontsluiting(sstructuur) en oriëntatievermogen (cognitie)


Het cognitieve proces slaat zoals reeds beschreven op het kennen in de meest uit-
gebreide zin : weten, inzien, oordelen, redeneren, enz. Het gaat dus om intellectu-
ele processen (Steffen, 1983, p.24) . Van belang voor het ruimtelijk gedrag is het
menselijk oriëntatievermogen, het weten of te weten komen waar men zich bevindt.
Of iemand zich in een gebouw kan oriënteren is afhankelijk van zowel de bezoe-
ker zelf als van de eigenschappen van het gebouw. Steffen (1 983) geeft hiervoor
een vijftal criteria aan, die hier kort zullen worden behandeld. Voor galerijflats
geldt dat men, daar waar in bestaande situaties oriëntatieproblemen zijn, maar
ook bij aanpassingen van de ontsluiting zoals het toevoegen van stijgpunten, reke-
ning dient te houden met onderstaande criteria en middelen .

Richtingsduideliikheid " De weg waarlangs men zich verplaatst moet een duidelijke
richting hebben" . Steffen geeft een aantal middelen aan die richtingsduidelijkheid
bevorderen, onder andere: hoeken van 90 graden, T-kruisingen, rechte gangen of
geringe bochten waarbij de hoofdrichting duidelijk blijft, beperking van het aantal
knikken en bochten, gebruik van vaste kleuren voor vaste richtingen, asymmetrie,
en aanwezigheid van markante objecten .

Continuïteit Om continuïteit van routes middels kenmerken die in een doorlopend


verband voorkomen te bereiken worden de volgende manieren aangegeven
(Steffen, 1983): ononderbroken vloerprofiel, zijvlakken, pijlenreeks, gekleurde lijnen,
trappen alsmede gelijkheid, overeenkomst of harmonie van oppervlakte, vorm, en
gebruik (zelfde materiaal, kleur of kunstwerk) .

Zichtbaarheid van verbindingen Knooppunten, kruisingen, schakelingen, verbindin-

46
gen of ontmoetingspunten van routes en ruimten zijn beslissingsmomenten voor het
bewegingsgedrag en moeten daarom opvallen en een sterke indruk achterlaten.
Bewegwijzering en tijdreeksen Hier is van belang dat de opzet en inrichting van
een gebouw zodanig is dat een bezoeker zelf zijn weg kan vinden. Steffen geeft
onder meer aan dat borden geplaatst moeten worden daar waar beslissingen ge-
nomen moeten worden over de te volgen weg, het lettertype moet goed leesbaar
zijn, de tekst moet kernachtig zijn of er kan gebruik gemaakt worden van symbo-
len met een herkenbare betekenis.
Voor galerijflats kunnen eventueel verwijsborden worden aangebracht m.b.t. de
toegangen van het woongebouw, de verschillende etages en de huisnummers.
Van belang kan volgens Steffen zijn dat elk element gekoppeld is aan een element
ervoor en een element erachter. Als voorbeelden worden gegeven duidelijk herken-
bare plaatsen in gangen en nummering van etages. Voor galerijflats gaat het hier
uiteraard ook om de nummering van de woningen .
Tenslotte is oriëntatie relevant vanuit het motivationele criterium ontplooiing (Steffen,
1983). Hierbij is van belang of er ingespeeld is op de behoefte eigen capaciteiten
(vaardigheden) te ontplooien .

3.2.3 Woontechnische aspecten van de woning


Met woontechnische aspecten van de woning wordt bedoeld de manier waarop de
woning is ontworpen betreffende grootte, inrichting en uitrusting. Op de uitrustin-
gen van de woningen (bijv. wijzigen of aanpassen van sanitair, keukeninrichting
e.d., bijv. ten behoeve van de doelgroepen ouderen of gehandicapten) zal niet
nader worden ingegaan, omdat wijzigingen veelal geen effect op de gevel zullen
hebben. Het begrip 'aanpasbaar renoveren' is reeds bij 'Bijzondere toegankelijk-
heid' aan de orde gekomen.
Problemen die in flatgebouwen een rol kunnen spelen zijn:
- De totale oppervlakte van de woning is te klein (of juist te groot) .
- Er zijn te weinig slaapkamers.
- Er is te weinig bergruimte of deze is ongunstig gesitueerd .
- Er zijn te kleine ruimten.
- De indeling van de woning is niet functioneel.
- Er is te weinig buitenruimte.
Men kan besluiten om de woningen aan te passen om de woonkwaliteit te verbe-
teren, maar ook omdat men zich wil richten op een bepaald gedeelte van de wo-
ningmarkt.
De volgende bouwkundige maatregelen zijn denkbaar:
a Het vergroten of verkleinen van de woning . Het vergroten of verkleinen van wo-
ningen is een maatregel die veelal wordt genomen, omdat men zich op een be-
paald deel van de woningmarkt wil richten en daartoe de woningdifferentiatie wil
wijzigen. Hiertoe wordt tevens verwezen naar paragraaf 3.1.1 (doelgroepen) .
De woningen kunnen worden vergroot door:
- Herstructurering, te weten door samenvoeging van woningen, horizontaal en/of
vertikaal, bijv. door maisonettes te realiseren over de begane grond en eerste ver-
dieping of bijv. over de bovenste verdieping en een nieuwe dakopbouw, dan wel
worden verkleind door middel van woningsplitsing.
- Een gedeelte van het balkon bij de woning te trekken, bijv. als bergruimte of als
serre, waarmee tevens een gunstig effect wordt verkregen m.b.t. de warmteisolatie.
- Een gedeelte van de galerij bij de woning te trekken.
Dit is bijv. een mogelijkheid voor de woningen die aan het einde van een galerij
(deel) zijn gelegen . Bij compartimentering zal dit per verdieping per compartiment
voor twee woningen mogelijk zijn.
b Het veranderen van de indeling van de woning . Hierbij kan het aantal kamers
gelijk blijven, bijv. bij het verplaatsen van de binnenwanden, of het aantal kamers
kanworden gewijzigd door samenvoeging of splitsing van ruimten, waarmee tevens
de woning-differentiatie wijzigt. Voor zover deze maatregelen geen invloed hebben
op de gevel vallen zij buiten het kader van dit onderzoek.
c Het realiseren van extra buitenruimte door onder meer:
- Een gedeelte van de galerij waar mogelijk te bestemmen als buitenruimte bij de
woning .
- Bestaande balkons te vervangen door grotere balkons.
- Extra balkons tegen de gevel te plaatsen.
Bij wijziging van de woninggrootte, de plattegrond en inrichting en de uitrusting
gelden onder meer de voorschriften die in het Bouwbesluit zijn geformuleerd en
die met name t.a.v. de indeelbaarheid van de woning belangrijke wijzigingen heb-
ben ondergaan ten opzichte van de voorheen geldende voorschriften.
In het algemeen zijn galerijwoningen ruime woningen met goede of voldoende uit-
rustingen. Bergingen zijn veelal op de begane grond gesitueerd .

3.3 Bouwtechnische en bouwfysische aspecten en brandveiligheid


In deze paragraaf zullen achtereenvolgens bouwtechnische aspecten, bouwfysische
aspecten en brandveiligheidsaspecten aan de orde komen.

48
3.3.1. Bouwtechnische aspekten
De bouwtechnische aspekten kunnen onderscheiden worden naar bouwdelen zoals
kasko, gevel en binnenpakket of nog algemener naar drager en afbouwen in-
bouw waaronder ook installaties begrepen kunnen worden . Aan de bouwdelen zijn
verschillende aspekten te onderkennen zoals gebruiksaspekten en architectonische
aspekten en daarnaast fysische en technische.
In het onderzoek van c.c.F. Thijssen 'Technische kwaliteit van etagewoningen' is
ondermeer een bouwconstructieve analyse van naoorlogse meergezinshuizen in de
non-profit huursector 1966- 1980 gemaakt. Behalve hoogbouw omvat dit ook de
meer gevarieerde bouwwijze van na 1973. De overwegende karakteristiek van de
bouwdelen zijn :
- onderbouw Veelal op palen . B.g. gestort op de grondslag komt ca. 50% voor.
Funderingssloven komt in 83% voor.
- buitenwanden Meestal gestorte betonwand met metselwerk blad .
- binnenwanden Niet- dragend ca . 50% van gipsblokken . Niet- dragend tussen
woningen nauwelijks. Tussen corridor en woning soms te dun. Grote elementen
soms dun tussen woning en gemeenschappelijke ruimten .
- vloeren Meestal in het werk gestort. Soms op breedplaat. Bij grote elementen
prefab vloerelementen . Beg . grond meestal systeemvloer met voorspanliggers en
vulelementen van lichtbeton . Beg .grond soms van gewapend beton ongeisoleerd .
Soms met zwevende dekvloer.
- galerijen en balkons Meestal prefab galerij- en balkonplaten op prefab balkons
consoles. Soms in het werk gestort. Balkonplaten steken soms deels uit met opleg-
gingsvoorzieningen in het achterste deel van de plaat. Sommige balkons als uitkra-
gende plaat in het werk gestort of geprefabriceerd .
- trappen en trappenhuizen Meestal prefab elementen van gewapend beton. Soms
prefab uit losse bomen en treden . Bordessen zijn soms in het werk gestort. Indien
geen tweede trappehuis dan verzinkt stalen noodtrappen op de galerijen. In 15%
komen trappen in woningen voor, meestal van hout, soms van beton.
daken >50% plat dak met een isolatie van geventileerde kanaalplaten uit cement-
gebonden houtspaanders of vlasscheven . In 1968-1970 kanaalplaten op 2 cm po-
lystyreen, daarna ongeventileerde isolatieplaten van kunststofschuim of kurk. Soms
damprem onder de isolatie op beton . Soms uitvoeringen van omgekeerde daken.
Soms houten daken uitgevoerd als warm- of als kouddak. Dakranden veelal gepre-
fabriceerd in beton, ook houten dakranden komen voor. Soms is het metselwerk
doorgetrokken tot bovendaks. Hellende daken komen 16% voor.
- skelet 89% van de woningen heeft een dragend skelet. In 70% van de woningen
uit gestorte wanden en vloeren. Overigen uit prefab betonwand- en vloerelementen
met daarnaast vaak 3-dimensionale liftschachtelementen. Bij dilatatievoegen als
regel een dubbele wand . Soms alleen dilataties in het dak of in de vloeren.
- buitenkoziinen en wandopeningen Meestal vurehout, dark red meranti. Af en toe
verzinkt stalen ramen of aluminium. Kunststof slechts zelden . Ontluchte beglazings-
systemen voornamelijk in de aluminium en kunststofkozijnen. Deuren zowel vlakke
als glasdeuren meestal van vurehout. In de borstweringen tussen 1967-1978 bijna
50% binnen- en buitenplaat van asbestcement en een vulling van kunststofschuim of
kurk, bevestiging als of het glasplaten zijn. Overige puien uit losse binnen en bui-
tenplaten, met daartussen isolatieplaten .
- binnenkoziinen, wandopeningen en inbouwpaketten Na 1966 meer en meer op-
dekdeuren en montagekozijnen . Montagekozijnen van plaatstaal, aluminium of
hout. Inbouwpakketten alleen in enkele gietbouwsystemen .
- dak- en vloeropeningen Meeste openingen zijn klim-vluchtopeningen naar platte
daken. Meeste vloeropeningen zijn ter plaatse van invoerputten en kruipluiken.
- balustrades Trapbalustrades uit onverzinkt stalen buis met of zonder houten of
kunststof dekleuning. Bij balkon en galerijhekken een grote verscheidenheid, zoals
verzinkte stalen hekwerken al dan niet met een beplating in een ander materiaal,
zoals; gemoffeld staalplaat. Ook vuren, meranti, prefab beton en metselwerk.
- afwerkingen Ongeveer 30% verfwerk op beton. 11 % van de balkons moesten
nog afgewerkt worden. Verlaagde plafonds vooral buiten de woningen in centrale
hallen, entree's en bij blokdoorgangen.
- afvoervoorzieningen 49% kunststofbuizen . 30% geheel uit geasfalteerd gietijzer.
Sommige inwendig gebitumineerd verzinkt stalen buis. H.w.a . in kunststof met on-
derstukken uit slagvast kunststof, van gietijzer of al dan niet verzinkt staal. Na
1966 komt de toepassing van zinken h.w.a. niet meer voor. Individuele rookkana-
len komen in etagewoningen weinig voor; de kanalen werden gemaakt van cha-
motte of lichtbeton ook wel van aluminium buis. 46% van de ventilatiekanalen van
verzinkt plaatstalen spiraalbuis. 35% lichtbeton shunt kanaalelementen, soms verdie-
pinghoge kanaalelementen volgens het shuntsysteem verbonden. 53% van de wo- .
ningen heeft een mechanische afzuiging, 33% natuurlijke d.m.v. een shuntkap.

bouwdelen en schaden
Ook schade kan in het algemeen aan bouwdelen gekoppeld worden. In onder-
staand overzicht wordt voornamelijk gekeken naar specifieke zaken, die los staan
van het ahcterwege blijven van onderhoudsmaatregelen, zoals dat zich manifesteert
in verschijnselen als roest, carbonatatie enz.

50
- onderbouw Palen wijken voor wat betreft de plaats soms af van de ontworpen
plaats. In enkele gevallen zijn door verkeerd vooronderzoek dan wel ondeskundige
uitvoering palen verkeerd geplaatst. Soms zijn de palen onder het gebouw zelfs
beschadigd. Onder bepaalde omstandigheden en tegen hoge kosten kan dit ach-
teraf hersteld worden , zoals onder een flat in Zaandam . Achteraf zijn hier de
palen dieper gedrukt. Funderingssloven blijken aan de onderkant soms inhomo-
geen . Dit wordt zichtbaar in gevallen waarbij achteraf de fundering wordt blootge-
legd omdat er bijv. sprake is van vervuilde grond.
- buitenwanden De combinatie betonnen eindgevelbinnenblad met een gemetseld
buitenblad heeft nogal eens tot schade geleid. Soms omdat de ankers niet ver ge-
noeg in het beton verankerd zijn en bij grote zuigende krachten op de eindgevel
uit het beton werden getrokken; soms als gevolg van ankers die niet thermisch ver-
zinkt waren en in de omgeving van de Noord-Zeekust en het Ijsselmeer door kli-
maatomstandigheden doorroesten; soms omdat per drie bouwlagen betonbanden
aan het betonnen binnenbad tot aan de voorkant van het metselwerk doorstaken,
waardoor eveneens een verschillend vervormingsgedrag ontstond; in een aantal ge-
vallen omdat geen rekening werd gehouden met het verschil in gedrag tussen bin-
nen- en buitenblad. Voorbeelden hiervan zijn dilataties die niet werden doorgezet
in het buitenblad; het niet thermisch isoleren van daken waardoor temperatuurbe-
wegingen van betonnen daken doorgegeven worden aan gemetselde buitengevel-
-
In

bladen en vrij hangende grote buitengevelelementen, zoals bij het BM B systeem


waarvan de voegen door mortel werden dichtgezet. De starre ankers van het sys-
teem namen bij uitzetting van het buitenblad zoveel belasting op, dat ankers, voor-
al boven in het gebouw, vloeiden en gevelelementen scheurden .
- binnenwanden Doordat lichte binnenwanden zonder enige speling werden ge-
plaatst tussen de betonnen draagkonstruktie die bestond uit vloeren of uit vloeren
en wanden moest de lichte wand noodzakelijkerwijs de vervorming van de drager
volgen . Dit leidde soms tot scheurvorming . Een andere vorm van schade door het
kruipen van het beton ontstond indien vrij kort na het ontkisten tegels op het jonge
beton werd aangebracht. De vervorming van het beton kon niet door de tegels ge-
volgd worden die of verbrijzeld werden dan wel van het beton afspatten . In jonge-
re gietbouwsystemen wordt hedentendage in de wanden vrijwel geen wapening
meer toegepast. Door verhindering van krimp van de wanden ter plaatse van de
vloeren ontstaan vertikale scheuren in de wanden. De scheuren zijn in het alge-
meen dermate klein dat dit de geluidsisolatie niet beïnvloedt.
- v/oeren De vloeren zelf leveren zelden problemen op. Afwerkvloeren van zand-
cement daarentegen wel. Oorzaken van schade kan gelegen zijn in het niet hech-
ten van de afwerkvloer aan de dragende vloer. Het niet hechten kan ontstaan
omdat de dragende vloer droog is en het vocht wegzuigt uit de afwerkvloer. Ook
een onjuiste samenstelling kan oorzaak van vroegtijdige desintegratie zijn zoals
door een tekort aan bindmiddel of door vorstschade. Schade ontstaat soms in
zwevende vloeren zoals geconstateerd in een BMB projekt. De oorzaak was hier
het verschil in dikte of scheluwte van vloerelementen.
- galeriien en balkons Hier is de meeste schade te vinden. Soms is tussen galerij-
c.q. balkonplaten en het oplegvlak, zoals consoles geen drukvilt, neopreen enz.
toegepast. Doordat op de randen piekbelastingen optreden of als gevolg van ther-
mische en hygrische beweging treedt dan schade op aan de bovenzijde van de
consoles . Ernstige schade is in het verleden opgetreden bij flats waar uit onwetend-
heid de galerijplaat werd vastgestort aan de console. De console werd door de
temperatuurbeweging horizontaal tot partieel bezwijken belast. Een voorbeeld hier-
van is de Kennedyflat in Eygelshoven die inmiddels is gesloopt. Een ander groot
schadegeval heeft te maken met uitkragende balkons of galerijen. Het verschil in
de klimatologische omstandigheden tussen binnen en buiten zal altijd tot scheurvor-
ming aanleiding geven. Dichten van scheuren heeft in dit soort gevallen geen en-
kele zin omdat het verschil in temperatuuromgeving blijft en er opnieuw scheuren
zullen optreden. Uit veiligheidsoverwegingen speelt dit nauwelijks een rol. Een be-
langrijke rol is de ligging van de steunpuntswapening. Een aantal jaren geleden is
een dergelijke uit de gevel stekende galerijplaat bezweken door te lage ligging
van de steunpuntswapening . Belangrijke schade is ontstaan als gevolg van chemi-
sche invloeden. Voorbeelden hiervan zijn inmenging van chloriden in geprefabri-
ceerde betonelementen en eveneens door inwerking van koolzuurgas uit het milieu
op de galerijen, balkons en consoles.
Galerijen en balkons ondervinden ook schade indien gestrooid wordt met zouten
in winter perioden als een vorm van gladheidbestrijding. Tenslotte is relatief veel
schade te vinden in de verbindingen tussen galerij, balkon en de hekwerken die
de galerij en het balkon afsluiten . De schade heeft verschillende oorzaken . Er kan
water indringen tussen meestal de stalen verbinding en het beton. Als gevolg hier-
van kunnen twee schademechanismen ontstaan. Corrosie van het staal en bevrie-
zing van het ingedrongen water. Beide oorzaken leiden tot uitzetting en tot
destructie van het beton . Ook verschil in temperatuurbeweging tussen hekwerk en
galerij kan tot schade aanleiding geven .
- daken Schade overeenkomend met aantastingen van het materiaal. Soms omdat
de gevel en dak van verschillende materialen zijn gemaakt, treedt in de aansluiting
verhindering van vervorming op hetgeen tot schade leidt. Door het dak in te pak-

52
ken komt het onder binnenklimaatcondities te staan waardoor temperatuur bewe-
gingen worden weggenomen .
- skelet In het skelet als stabiliserend systeem komt vrijwel geen schade voor. Op
detailnivo kan er sprake zijn van aantasting. Twee uitzonderingen zijn hierop te
noemen . Een aantal flats hebben een portaalachtige staalkonstruktie als drager. De
sterkte en de veiligheid zijn in orde, maar de stijfheid laat te wensen over. Bij
hoge windbelasting is de horizontale uitwijking te groot. De stijfheid kan gemakke-
lijk vergroot worden, bijv. door de bovenste verdieping als stijve schijf uit te voe-
ren, waardoor de uitwijking onmiddelijk met 50% wordt gereduceerd . Een andere
mogelijkheid, welke aanzienlijk kostbaarder is, is door spuitbeton de staalkonstruk-
tie op te nemen in gespoten betonwanden . De andere zijn die waar het skelet bui-
ten onder invloed van het klimaat staat. Een voorbeeld hiervoor zijn bijv. 'de
morgenstond' flats in den Haag. Strikt genomen behoren ze echter niet tot de ga-
lerijflattype, het zijn torenflats .
- buitenkozi;nen en wandopeningen Drie soorten schade komen hier voor. Eerst
materiaalschaden door vochtindringing . Een bekend verschijnsel is het schilderon-
derhoud dat gepland wordt uitgevoerd aan de buitenkant van de flats. Het binnen-
schilderwerk is voor de bewoner, die het in bepaalde gevallen achterwege laat.
Gezien de dampdrukverschillen zou het schilderwerk aan de binnenzijde damp-
dicht en aan de buitenzijde dampopen moeten zijn . Door het nauwelijks schilderen
binnen en het goed onderhouden van het buitenwerk ontstaat er een systeem dat
gemakkelijk vocht laat indringen, waardoor het vochtgehalte tot boven het imbibitie
maximum kan komen . Dark red meranti is het materiaal dat vaak was voorge-
schreven in bestekken . Geleverd werd in een aantal gevallen meranti in plaats van
dark red meranti wat voor de duurzaamheid een groot verschil uitmaakt. Een an-
dere schadevorm is soms te vinden in de opbouw van borstweringen zonder
dampdichting aan de binnenzijde wat tot vochtaccumulatie kan leiden . Een derde
vorm waarbij om een aanslag te vormen ter plaatse spouwen zijn dichtgezet, met
soms binnen oppervlak condensatie als gevolg. Over het algemeen is de gereali-
seerde kierdichting onvoldoende.
- balustrades Schade door onjuiste verbindingen en achterstallig onderhoud .
- afvoervoorzieningen In bepaalde gevallen komen nog grondleidingen in gres
voor en tot 1966 werd voor de binnenriolering nog asbestcement toegepast.

3.3.2 Bouwfysische aspecten


Als onderdeel van de technische waardering is ook de bouwfysische kwaliteit van
bestaande galerijflats uit de periode 1965-1980 globaal onderzocht. De methode
van onderzoek van de bouwfysische aspecten is in figuur 1 schematisch weergege-
ven. De onderzoeksaanpak wordt als volgt beschreven;
- Na onderzoek van de bouwfysische staat van naoorlogse meergezinswoningen is
een overzicht te krijgen van veel voorkomende bouwfysische gebreken (zie blok 1
en 2 van figuur 1). Uit deze studie kan vastgesteld worden welke bouwfysische as-
pecten bij galerijflats uit de periode 1965 1980 kenmerkend zijn (blok 3). Hieruit
kan voor galerijflats een matrix ontwikkeld worden waarin, van de relevante bouw-
fysisch aspecten, de prestaties van bouwdelen, woning en gebouw kunnen worden
opgenomen (blok 4). Door de matrixnotatie wordt het onderzoek gestructureerd en
overzichtelijk. Een prestatie in dit geval is de mate waarin een bouwfysisch aspect
per bouwdeel, woning of gebouw aan een bepaalde verwachting voldoet. De ver-
wachting wordt bepaald door de op te stellen prestatie-eisen. Bij het geheel of ge-
deeltelijk vernieuwen of vergroten van een woongebouw behoeven dit niet altijd de
prestatie-eisen te zijn zoals die voor nieuw te bouwen woningen gelden (blok 7) .
- Na analyse (meting, berekening e.d .) van voornoemde relevante bouwfysische as-
pecten van een specifiek gebouw kunnen de bouwfysische prestaties van de bouw-
delen, een representatieve woning en het gehele gebouw vastgelegd worden (blok
5 en 6). De bouwfysische prestaties kunnen niet altijd gekwantificeerd worden . Niet
kwantificeerbare prestaties dienen dan zo objectief mogelijk gekwalificeerd te wor-
den.
- Door de vereiste bouwfysische prestaties per bouwdeel, woning of gebouw vast
te stellen kan de bouwfysische kwaliteit, al of niet naar weging van de prestaties,
van de huidige toestand van het specifieke gebouw beoordeeld worden (blok 8) .
De bouwfysische kwaliteit kan worden omschreven als het totaal van bouwfysische
prestaties. Op grond van de bepaalde bouwfysische kwaliteit kunnen bouwfysische
oplossingsmogelijkheden (verbeteringsvoorstellen) aangegeven worden (blok 9) .
- Uit de overige gegeven maatregelen per aspect (sociaal, functioneel-ruimtelijk en
vorm, blok 13) en de bouwfysisch bepaalde verbeteringsvoorstellen (blok 9), kun-
nen oplossingsvarianten voor het specifieke gebouw worden ontwikkeld (blok 10).
- Na een algemene beoordeling van de oplossingsvarianten kan een voorstel voor
bouwkundige ingrepen worden gegeven (blok 11 en 12). De bouwfysische oplos-
singsmogelijkheden komen in hoofdstuk 5 weer aan de orde. De bouwfysische
prestaties, als onderdeel van de algemene beoordeling van de oplossingsvarianten,
zijn vooral bepalend voor het fysisch binnenmilieu (geluidoverlast, vochtproblemen
enz.) en de energiezuinigheid van het uiteindelijke voorstel.

54
Omdat bij de hiervoor beschreven onderzoeksmethodiek o.a. de prestaties van
bouwdelen moeten worden vastgesteld is het gebruik van gecompliceerde rekenmo-
dellen, meetapparatuur en een nauwgezette bestudering van alle detail- en overige
bouwtekeningen noodzakelijk. De relevante bouwfysische aspecten komen daarom
in dit onderzoek globaal aan de orde. De hiervoor besproken onderzoeksmetho-
diek zal globaal en niet projectgebonden uitgewerkt worden . Het aangeven van
oplossingsmogelijkheden zijn algemeen van aard en zeker niet compleet (blok 9).
Een nauwgezette bouwfysische toetsing van de oplossingsvarianten is gezien de
mate van uitwerking onmogelijk. (blok 11).

1 Onderzoek voorkomende
bouwfys . staat bouwfysische
galerij flats

5 Analyse
(meting /berek. )

7 Vaststellen
bws . prest
project

13 Oplossings-
mogelijkheden

rl

12 Gebruiksmogelijkheden VOORSTEL
Vaststellen relevante bouwfysische aspecten galerijflats
Omdat de tijd voor een uitgebreid onderzoek naar de bouwfysische staat van ga-
lerijflats ontbreekt wordt gebruik gemaakt van de bouwconstructieve analyse van
naoorlogse meergezinswoningen van c.c.F. Thijssen . Aan de hand van deze be-
schrijving kan globaal vastgesteld worden welke bouwfysische aspecten bij galerij -
flats relevant kunnen zijn voor nader onderzoek. De gegeven karakteristiek is per
bouwdeel in hoofdstuk 3.3.1 gegeven . Ter beperking van het onderzoek worden
hierna niet alle bouwdelen besproken. Door het globale karakter van deze aanpak
kunnen wellicht projectgebonden bouwfysische gebreken over het hoofd worden ge-
zien.
- buitenwanden De meest voorkomende constructie voor dragende eindgevels is
een in het werk gestorte gewapend betonwand met een gemetseld buitenspouwblad
van baksteen. Tot 1975 werd de spouwmuur niet of minimaal geisoleerd (15 of 20
mm polystyreenschuim) . Na 1975 werd meer isolatiemateriaal in de spouw aange-
bracht (40 mm polystyreenschuim). Bij gietbouwcomplexen en bij grote elementen -
systemen werden na 1965 veel complete puivullingen toegepast; maar bij de beter
geisoleerde woningen van na 1975 komen ze duidelijk minder voor. Ter plaatse
van in het werk gestorte gevelbanden van gewapend beton kunnen in de woning
vocht en schimmelproblemen ontstaan. Bij belemmerende vervormingen ontstaan
spanningen, welke aanleiding kunnen geven tot scheurvorming. Zo is scheurvor-
ming in metselwerk een vrij veel voorkomend gebrek a ls gevolg van het ontbreken
of op te grote onderlinge afstand voorkomen van dilatatievoegen . De nader te on-
derzoeken bouwfysische aspecten bij de buiten wanden van galerijflats hebben be-
trekking op het fysisch binnenmilieu (vochtoverlast), duurzaamheid (scheurvorming)
en energiezuinigheid (warmteisolatie).
- binnenwanden De dragende- in het werk gestorte woningscheidende- en geprefa-
briceerde binnenwanden zijn in het algemeen onvoldoende geluidsisolerend (soms
slechts 18 cm dik) . De slechte geluidsisolatie wordt door flankerende transmissie
via de star verbonden, veel voorkomende niet dragende, gipswanden versterkt.
Soms steken de wanden door de gevel heen, waardoor in de woning vocht- en
schimmelproblemen kunnen ontstaan . De relevante bouwfysische aspecten bij de
binnenwanden van galerijflats zijn geluidsisolatie en oppervlaktecondensatie.
- vloeren De in het werk gestorte vloeren, welke soms op geprefabriceerde breed-
plaatelementen werden gestort, en geprefabriceerde vloerelementen . Zwevende dek-
vloeren komen weinig voor. De lucht- en contactgeluidsisolatie tussen de woningen
zal in het algemeen, zeker gezien de huidige maatstaven onvoldoende zijn . De
begane grond vloer was meestal een systeemvloer met voor spanliggers en vu lele-

56
menten van lichtbeton . Soms werd een gewapende betonvloer toegepast. vloeren
tussen woningen en daaronder gelegen bergingen en de begane grondvloer wer-
den meestal niet geisoleerd. De lucht- en contactgeluidsisolatie en de warmteisolatie
zijn de nader te onderzoeken bouwfysische aspecten van vloeren .
- galeriien en balkons In de meeste gevallen werden galerij - en balkonplaten ge-
prefabriceerd en opgelegd op in het werk gestorte of eveneens geprefabriceerde
consoles . Sommige balkons werden als uitkragende plaat geconstrueerd.
Scheurvorming door belemmerde vervorming ontstaat bij toegepaste constructies
waarbij het buitenspouwblad op de achterste rand van de balkon of galerijplaat
rust. De fysische aspecten, oppervlaktecondensatie en temperatuurspanningen, zijn
bepalend voor de bouwfysische kwaliteit van galerijen en balkons.
- daken Een tot 1973 zeer veel voorkomende platdakconstructie is een steenachtige
dakvloer van gewapend beton of een systeemvloer met geventileerde kanaalplaten
uit cementgebonden houtspaanders of vlasvezels. Een foutieve kwalitatieve ther-
misch-hygrische beoordeling van deze dakplaten leidde al snel tot het weg rotten
van de kanaalplaat. Enorme hoeveelheden bouwvocht uit de afschotlaag conden-
seerden tegen de onderzijde van de dakhuid . Afvoer via ventilatie van dit vocht
via kanalen aan de onderzijde van de kanaalplaat is een illusie. Dampremmers op
de afschotlaag en gestorte betonvloer zou de dampdiffusie van dit bouwvocht naar
de onderzijde van de dakhuid hebben kunnen voorkomen . Het isolerend vermogen
van deze platen was minimaal, waardoor de stookkosten, de vervormingen van de
dakplaat en de kans op scheurvorming stegen . Vanaf 1967 werden warmdakcon-
structies toegepast met polystyreenschuimplaten al of niet voorzien van een ca-
cheerIoag. Ook hier bleek het bouwvocht bij m.n. de ongecacheerde platen tot
veel schadegevallen te leiden. De isolatie dikte van 25 mm steeg vanaf 1976 tot
40 a 45 mm dikte. De dakranden bestaan meestal uit geprefabriceerde elementen
van gewapend beton. De voornaamste gebreken van platte daken hebben betrek-
king op vochtproblemen in de dakconstructie en aan de binnenzijde bij dakranden
en dakoverstekken. Verder is de warmteisolatie van de daken onvoldoende.
- buitenkoziinen en wandopeningen Na 1965 zijn de meest gebruikte materialen
voor de buitenkozijnen vurenhout en dark red meranti . Van enige kierdichting bij
de spouwmuuraansluiting is geen sprake. Pas vanaf 1976 werd meer aandacht be-
steed aan een tochtdichte aansluiting kozijn en metselwerk. Dubbel glas werd nog
lang niet altijd toegepast. Na 1978 werd dubbel glas in vaste en bewegende
delen van de kozijnen van woonkamers en keukens geplaatst. Tot 1977 bestaan de
gevels vaak uit vullingen van complete puien . De tochtd ichtheid bij de aansluitin-
gen aan het betonskelet en de geluiddichtheid tussen de woningen onderling is
vaak twijfelachtig . In de borstweringen van de puien werden meestal licht geiso-
leerde sandwichpanelen toegepast. De relevante fysische aspecten hebben vooral
betrekking op energiezuinigheid en geluidisolatie.
In figuur 2 zijn in tabelvorm de bouwfysische aspecten (rijen) in relatie tot de
bouwdelen (kolommen) in matrixvorm opgenomen. In de matrix worden de kwalita-
tieve of kwantitatieve beoordelingen van enkele relevante bouwfysische aspecten (=
Beoordelingsmatrix bouwfysische prestaties

BOUWDELEN

Ul P,
ç:: 0
0 '0
ç:: .><: ç::
Q) rl (1j
'0 (1j ~
ç:: .0 '-
(1j '- N
~ ç:: 0
ç:: Q) .><:
Q) ~ ç::
ç:: Q) Q) .w
ç:: 0 .><: · rl
· rl rl (1j ::;
.0 > '0 rQ

1 Luchtgeluidisol.bu-bi Gak

2 Luchtgeluidisol . bi-bi Iluk

3 Contactgeluidisolatie Ico

4 Oppervlaktecondensatie f

5 Inwendige condensatie Gw

6 Luchtverversing dm3/s

7 Warmteisolatie (m~2) Rc
Q) I
·rl l:J1
l:J1 ' rl 8 Lin. warmteverlies (m ' ) WIK
~ ç:: '0
Q) - r-! -r-!
ç:: ::; Q)
t:iI N .r:: 9 Luchtdoorlatendheid

Figuur 2

58
prestaties) per bouwdeel opgenomen . Door de matrixvorm, zullen lang niet alle
bouwfysische aspecten per bouwdeel van belang zijn . Dientengevolge zullen in de
matrix verschillende prestaties onvermeld blijven (gearceerd). De bouwfysische kwa-
liteit van alle bouwdelen of per bouwdeel kan worden omschreven als het totaal,
al of niet naar weging, van de bouwfysische prestaties.

PRESTATIES RUIMTE/GEBOUW
kwalitatieve beoordeling ++ =
goed
+ = voldoende
- = onvoldoende
-- = matig/slecht
n.r. =niet relevant
••
o = onbekend

1 Binnennivo externe bel. Lkar

2 Binnennivo interne br . Li,w

3 Installatiegeluid Linst

4 Galm m2 . or

5 Opwarming vertrekken h(25)

6 Luchtverversing dm3/s

7 Daglichttoetreding eq . m2

8 Vochtigheid pi

9 Energiegebruik verwarm . MJ

10 Energieprestatiecoeff . -

~
.r<
~

Een soortgelijke matrix (figuur 3) kan ook worden opgezet voor een representatie-
ve woning, verblijfsruimte of het gehele gebouw. Bij het beoordelen van ruimten of
ontwerpvarianten gaat het m.n. over het fysisch binnenmilieu en energiezuinigheid.
De meeste prestaties welke gesteld worden aan bouwdelen zijn afgeleid van de
comforteisen die in de gebruiksruimten van het woongebouw (prestatie-eisen van
ruimten) gesteld worden . De vereiste prestaties per bouwdeel geven een basisnivo,
waarmee in de meeste situaties en bij goede uitvoering de minimaal vereiste com-
forteisen van de gebruiksruimten worden bereikt. Bij het samenvoegen van de
bouwdelen tot één ruimte c.q . gebouw zijn de prestaties van de samenstellende
bouwdelen nl. niet alleen bepalend voor de te bereiken prestaties van de gebruiks-
ruimten . Op dit integratienivo komen invloedsfactoren zoals bouwdeelaansluitingen,
plattegrondindeling en onderlinge ligging ruimten , warmtecapaciteit van de
ruimte, aankleding, lichtverdeling, nagalmtijd e.d. aan de orde.
Bij het fysisch binnenmilieu komen aspecten zoals geluidsnivo ten gevolge van m-
stallaties, nagalmtijd in trappehuizen, luchtverversing, opwarming van ruimten,
daglicht e.a. aspecten van comfort aan de orde. Bij de energiezuinigheid gaat het
m.n. om het energiegebruik ten gevolge van verwarming en installaties. Zoals hier-
voor al opgemerkt zijn veel bouwfysische prestaties van ruimten afhankelijk van de
prestaties van de bouwdelen. Zo is een niet te hoog geluidsnivo ten gevolge van
burenlawaai mede afhankelijk van de prestatie van de woningscheidende wand of
vloer. Het bepalen van de bouwfysische kwantitatieve prestaties van ruimten of het
gehele gebouw bij iedere ontwerpvariant is tijdrovend . In de ontwerpfase ligt een
kwalitatieve beoordeling van de ontwerpvarianten meer voor de hand. Bij de
bouwfysische oplossingsmogelijkheden in hoofdstuk 4 .6.3. zal globaal aangegeven
worden op welke wijze het ontwerp aangepast zou kunnen worden om de bouw-
fysische prestaties van ruimten en bouwdelen te vergroten .

Bouwfysische prestatie-eisen
Hierna wordt aangegeven op welke wijze de bouwfysische prestatie-eisen vastge-
steld kunnen worden (blok 7, zie figuur 7) .
De bouwfysische prestatie-eisen in de tabel van figuur 4, welke gebaseerd zijn op
wettelijk bepaalde voorschriften voor nieuwbouw (hoofdstuk 11; Bouwbesluit), dienen
als uitgangspunt voor het definitief vaststellen van de prestatie-eisen . De financiële
en technische mogelijkheden bij het vernieuwen of veranderen van een woonge-
bouw bepalen of de prestatie-eisen voor nieuwbouw haalbaar zijn . Op grond van
de slechte bouwfysische kwaliteit van de huidige toestand en de beperkte oplos-
singsmogelijkheden kunnen de prestatie-eisen per project naar beneden bijgesteld
worden. Volgens hoofdstuk XIII art.406 van het Bouwbesluit kunnen Burgemeester
en Wethouders bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van een
woongebouw hiertoe vrijstelling verlenen .

60
<IJ 0.
o
'o" '0

!'"
.'<
rl

~'" N
o
.'<

'"
Q)
.'<
'"
'0

Inwendige condensatie Gw

Luchtverversing dm3 / s

Warmteisolatie (m 2)A Re
Q) ,
·rl '"
"'·rl Lin . warmteverlies (m ' ) WIK
~ ·rl
a> '" ·'0
rl
'"
Ol ~
N .c:Q)
Luchtdoorlatendheid mA 3/s
Figuur 4

<IJ 0.
o
'o"
.'<
'0
rl

'"
'"
'"
~
~ N
o
.'<

'"
Q)
.'<
'"
'0

Inwendige condensatie Gw

Luchtverversing dm3 / s 30

Warmteisolatie (m~2) Re 70 70
Q) ,

·rl '"
"' · rl Lin . warmteverlies (m ' ) WIK
~ · '"
Q) '0
rl·rl
'"
Ol ~
N .c:
Q)
Luchtdoorlatendheid mA 3/s 71 71 71
Figuur 5
De artikelen uit hoofdstuk 11 van het Bouwbesluit met bouwfysische bepalingen zijn
in de tabel van figuur 5 opgenomen .
In afwijking van de prestatie-eisen voor nieuwbouw kan vrijstelling verleend wor-
den tot: Gak 70 dB(A) lager of Lkar maximaal 45 dB(A)
Linst. maximaal 40 dB(A)
Iluk en /co minimaal 70
Rc minimaal 7.3 SI
Uit het oogpunt van gezondheid en energie zuinigheid dienen deze lagere presta-
ties tot een minimum beperkt te worden.

3.3.3 Brandveiligheid.
Woningwet In Nederland heeft men voor alles, wat betrekking heeft op de bouw
en de volkshuisvesting te maken met de woningwet (Stb. 1991, 439) . In artikel 2
van deze woningwet staat vermeld, dat bij of krachtens een algemene maatregel
van bestuur een aantal technische voorschriften gegeven worden uit het oogpunt
van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. Het gaat hier
zowel om het bouwen in het algemeen, als om de staat van bestaande bouwwer-
ken. Ook woonwagens e.d. vallen hieronder. In artikel 3 staat voorts, dat kan
worden verwezen naar normen, kwaliteitsverklaringen en voorschriften van bijv.
nutsbedrijven .
Bouwbesluit Om artikel 2 uit te kunnen voeren is het Bouwbesluit (Stb. 1991,
680) ontwikkeld, dat in 1992 van kracht is geworden. In dit Bouwbesluit zijn tech-
nische voorschriften opgenomen omtrent het bouwen van bouwwerken en de staat
van bestaande bouwwerken. Verder bevat het voorschriften, die verband houden
met de EEG -Richtlijn Bouwproducten . In dit Bouwbesluit wordt ter uitvoering van
artikel 3 van de Woningwet inderdaad verwezen naar allerlei normen, zoals
NE N, ISO, DIN, IE C. Door deze verwijzing hebben deze normen een publiek-
rechtelijke status verkregen en moeten dan ook worden nageleefd . De voorschriften
van het Bouwbesluit zijn opgesteld en gerangschikt volgens de in de Woningwet
(artikel 3) gegeven uitgangspunten, nl. :
- veiligheid;
- gezondheid;
- bruikbaarheid en;
- energiezuinigheid.
Verder zijn deze voorschriften als prestatieeisen weergegeven . D.w.z. dat zij opge-
deeld worden in een beschrijvend deel en een grenswaardebepalend deel. In het
ene deel wordt een functionele omschrijving gegeven, die de bedoeling van het

62
voorschrift weergeeft, terwijl in het andere deel de grenswaarde en de bepalings-
methode gegeven wordt. Deze grenswaarde geeft dan het prestatienivo aan dat
moet worden bereikt. De bepalingsmethodes staan in principe in de genoemde
norm bladen ondubbelzinning meetbaar omschreven. "Het is in principe toegestaan
om van de in het Bouwbesluit gegeven prestatie-eisen af te wijken, door zich te
beroepen op het gelijkwaardigheidsbeginsel. Dit wordt slechts dan getolereerd, als
de gekozen oplossing gelijkwaardig is aan het prestatienivo van de voorschriften
waarvan men afwijkt" .
De Ministeriële Regelingen In het Bouwbesluit wordt regelmatig verwezen naar
een achttal ministeriële regelingen, waarin eveneens voorschriften of nadere voor-
schriften zijn opgenomen .
Voor de bestaande bouw zijn hierin voorschriften opgenomen over onderwerpen,
waar geen NE N -norm over bestond . 'Nadere voorschriften' houden een nadere
aanduiding in van de van toepassing zijnde norm. In het geval dat bijv. een be-
paalde NE N -norm niet geheel voldoet aan de uitgangspunten van het
Bouwbesluit, wordt er een formulering aan toegevoegd in de zin van :
- moet worden gelezen als volgt, of;
- mag zijn toegepast of;
- een gedeelte dat al of niet geldig is.
Regeling Bouwbesluit brandveiligheid In de Regeling Bouwbesluit Brandveiligheid
(stcrt. 104 van 2 juni 1992) zijn voor de nieuwbouw nadere aanduidingen op de
bestaande NE N -normen geformuleerd, waarnaar in de brandveiligheidsvoorschrif-
ten van het Bouwbesluit wordt verwezen. Verder bevat de regeling vooral voor-
schriften voor de bestaande bouw. Deze hebben o.a. betrekking op:
- trappehuizen;
- woningen en woongebouwen (N EN 6082);
- grote woningen, zoals bejaardentehuizen, gezinsvervangende tehuizen, studenten,
verpleegsters e.a. samenwerkingsverbanden.
Regeling tot wijziging van enkele uitvoeringsregelingen Bouwbesluit (stcrt. 188
van 29 september 1992). In deze regeling zijn een aantal korrekties op de
Regeling Bouwbesluit Brandveiligheid opgenomen .
Brochure Brandveiligheid woningen en woongebouwen Om de gebruiker van deze
complexe regelgeving enigszins tegemoet te komen, heeft het ministerie van
VROM een brochure uitgegeven, waarin de regelgeving is samengevoegd tot een
toegankelijker set voorschriften. Hierin zijn tevens een beperkte toelichting en enke-
le tekenvoorbeelden opgenomen. Aan deze brochure kan uiteraard geen rechtsgel-
digheid verleend worden . De volledige titel luidt als volgt: 'Brandveiligheid
woningen en woongebouwen, Eisen op basis van het Bouwbesluit voor nieuw te
bouwen woningen en woongebouwen tot een hoogte van 70 meter.' In deze bro-
chure worden de gestelde eisen thematisch behandeld . De thema's luiden als volgt:
1 Sterkte van de bouwconstructie
2 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarliike situatie
3 Beperking van ontwikkeling van brand
4 Beperking van uitbreiding van brand (WBDBO)
5 Beperking van ontstaan van rook
6 Beperking van verspreiding van rook
7 Vluchten bii brand
8 Inrichting van vluchtmogeliikheden
9 Vluchten uit een woning
10 Voorkoming en beperking van ongevallen bii brand
11 Bestriiding van brand
In het hierna volgende hoofdstuk wordt een samenvatting gegeven van de in deze
brochure opgenomen voorschriften . In het kader van dit onderzoek wordt slechts
op die voorschriften ingegaan, die betrekking hebben op het onderzochte projekt.
Getracht wordt om zoveel mogelijk de terminologie, zoals deze in het Bouwbesluit
gehanteerd wordt, toe te passen . Waar nodig wordt een korte samenvattende ver-
klaring van de gebruikte term gegeven . Voor de volledige en wettelijke definitie zij
echter verwezen naar het Bouwbesluit, hoofdstuk I, Begripsbepalingen .
Het onderzochte projekt betreft een woongebouw van dertien verdiepingen,waarin
woningen, bergruimtes, eventueel bergingen (twee of meer bergruimtes met bijbe-
horende gang) en de bijbehorende stijgpunten opgenomen worden .

1 Sterkte van de bouwconstructie


1.1 Hoofddraagconstructie (tekening 7.7) Bij woongebouwen met vloeren , die meer
dan 13 meter boven het maaiveld gelegen zijn, is de geeiste brandwerendheid
van de hoofddraagconstructie m.b.t. bezwijken : 120 of 90 minuten (90 minuten bij
een niet te grote vuurbelasting) .
Het gaat in dit voorschrift om het moment waarop voortschrijdende instorting
plaats vindt. Onder voortschrijdende instorting wordt volstaan het bezwijken van
andere constructie-onderdelen ten gevolge van het bezwijken van het beschouwde
constructie-onderdeel .
1.2 Vloeren en trappen Brandwerendheid m.b.t. bezwijken: 20 minuten. Wanneer
over deze vloeren en trappen een vluchtmogelijkheid (vluchtroute zonder rook en
zonder benodigde sleutel, zie Bouwbesluit artikel 1.1.q) voert, wordt de eis ver-

64
hoogd tot: 30 minuten . Het doel van deze eis is om bewoners in staat te stellen
na het uitbreken van een brand snel naar buiten te gaan .

2 Beperking van het ontstaan van brandgevaarlijke situaties


2.1 Leidingschachten en kanalen Om te voorkomen, dat een brand zich in een
groot woongebouw (ongemerkt) zou kunnen uitbreiden via leidingschachten en ka-
nalen, zijn hieraan eisen verbonden . Wanneer deze kanalen aan meerdere wonin-
gen grenzen en vrij grote afmetingen hebben, moet het materiaal aan de
binnenzijde onbrandbaar zijn . Een uitzondering hierop vormen die schachten en
kanalen, die uitsluitend door boven elkaar gelegen toilet- en badruimten lopen en
die uitsluitend sanitaire leidingen bevatten. Aangezien het niet te verwachten is dat
in dergelijke ruimten brand uitbreekt, behoeft niet aan de voorgaande eis voldaan
te worden, ongeacht de afmetingen van de schacht. Schachten, die bestemd zijn
voor rookafvoer, moeten brandveilig zijn . Bovendien moet het materiaal, waarvan
een rookafvoer gemaakt is en alle materialen die erbij in de buurt zitten en heet
kunnen worden, onbrandbaar zijn .
2.2 Open haard Ten aanzien van open haarden en hun afvoer worden zeer speci-
fieke eisen gesteld, die hier verder niet behandeld worden .
2.3 Dak Een dak mag niet brandgevaarlijk zijn .
n.b. Termen , zoals onbrandbaar, brandveilig, brandgevaarlijk e.d. zijn in het
Bouwbesluit niet als zodanig gedefinieerd . Voor de bepalingsmethode van dergelij-
ke begrippen wordt in de desbetreffende artikelen van het Bouwbesluit steeds ver-
wezen naar normen, waarin de beproevingsmethode exact omschreven staat.

3 Beperking van ontwikkeling van brand


3.1 Bijdrage tot brandvoortplanting, algemeen (tekening 3. 1).
Om te voorkomen dat een brand eenvoudig kan ontstaan en dat een brand zich
snel zou kunnen uitbreiden langs het oppervlak van constructie-onderdelen, waar-
door bewoners te weinig tijd zouden krijgen om weg te komen, zijn daaraan
eisen gesteld t.a.v. de bijdrage tot brandvoortplanting. Voor alle zijden van de
constructie-onderdelen geldt in princpie, dat zij minstens moeten voldoen aan : klas-
se 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting . Dit geldt dus ook voor de naar de
buitenlucht toegekeerde zijde van de gevel. Voor een zijde, die naar een vlucht-
weg toegekeerd is, geldt de strengere eis van : klasse 2 van de bijdrage tot brand-
voortplanti ng .
. g
tekenln 1.1

klasse 2

eventueel
klasse 1

. g
tekenln 3.1

66
3.2 Vloer en tredevlak Omdat de brandvoortplanting langs horizontale vlakken an-
ders verloopt dan langs niet-horizontale vlakken, gelden voor deze oppervlakken
andere eisen, nl. :
- klasse T3 van de bijdrage tot brandvoortplanting
- klasse Tl van de bijdrage tot brandvoortplanting, wanneer het een vluchtweg be-
treft.
3.3 De voet van een woongebouw Om te voorkomen , dat in het geval van brand-
stichting de gevel gemakkelijk vlam zou vatten , worden eisen gesteld aan de voet
van een woongebouw. Deze eisen zijn van toepassing voor een woongebouw met
een vloer, hoger dan 5 meter. De onderste 2,5 meter van de gevel van dat woon-
gebouw moet (wat de buitenkant betreft) minstens behoren tot: klasse 1 van de bij -
drage tot brandvoortplanting. Een uitzondering wordt gemaakt voor onderdelen
a ls; borstweringen, ramen, deuren, kozijnen, ventilatieroosters e.d. Men gaat ervan
uit, dat deze bijna nooit echt gevaar opleveren en zij hoeven dan ook niet aan de
voorgaande eis te voldoen .
3.4 Uitzondering op hoofdstuk 3 voor kleine onderdelen, zoals plinten, stopcontac-
ten, e.d. In de norm, die gevolgd moet worden bij het bepalen van de bijdrage
tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel (N E N 6082) wordt rekening
gehouden met de mogelijkheid om enkele zeer kleine constructie-onderdelen toe te
passen zoals; plinten, stopcontacten, rookmelders, e.d. die niet voldoen aan boven-
vermelde eisen door te stellen dat: slechts 95% van de constructie-onderdelen aan
de eisen moeten voldoen . In het geval van een vluchtweg, mogen deze kleine on-
derdelen slechts 2 klassen slechter zijn dan vereist.

4 Beperking van uitbreiding van brand


4.1 Om te voorkomen, dat een brand zich te gemakkelijk kan uitbreiden binnen
het gebouw of van het ene gebouw naar het andere, zijn de (woon)gebouwen in
administratieve stukjes, brandcompartimenten of subbrandcompartimenten genoemd,
opgedeeld en zijn allerlei eisen gesteld aan de begrenzingen van deze (sub)brand-
compartimenten . Een brandcompartiment is volgens de bepalingsnorm 6082 een
" besloten gedeelte van een gebouw, bestemd als maximaal uitbreidingsgebied voor
brand" . De gebruiksoppervlakte van een brandcompartiment mag niet groter zijn
dan 500 m2. Een brandcompartiment is bijv. een woning, een trappehuis, een
berging (= 2 of meer bergruimtes met een gang), een technische ruimte aan een
gemeenschappelijke verkeersruimte, enz., waarbij onder gemeenschappelijk moet
worden verstaan het gegeven, dat twee of meer woningen erop zijn aangewezen .
Ook de zgn . megawoning is in (sub)brandcompartimenten opgedeeld. In het kader
van dit onderzoek wordt echter niet op megawoningen ingegaan .
4 .2 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) De eisen, ge-
steld aan de begrenzingen van brandcompartimenten, zijn o.a. verwoord in de
term 'Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag' (W B D B 0); gegeven in
minuten. Bepalingsmethoden om te kunnen controleren of een bepaald constructie-
onderdeel aan de eisen voldoet, zijn uiteraard aangegeven in een aantal normbla-
den, welke in het Bouwbesluit bij de betreffende onderdelen als bindend genoemd
worden. De W B D B0, die gehanteerd moet worden bij de begrenzingen van een
brandcompartiment, is o.a. afhankelijk van de hoedanigheid van de aan dit
brandcompartiment grenzende ruimte. Zo wordt aan een scheidingsconstructie tus-
sen twee brandcompartimenten een andere eis gesteld dan aan die tussen bijv.
een brandcompartiment en een vluchtweg .
4.3 Opmerking en uitzonderingen bii de gestelde eisen in W BD B0 :
- tussen gemeenschappelijke toilet- of badruimte en vluchtweg of veiligheidstrappe-
huis: geen eis;
- tussen brandcompartiment en brandcompartiment met lage vuurbelasting (bijv.
tussen twee steenachtige woningen of woongebouwen): 30 minuten i.p.v. 60 minu-
ten;
- voor schachten of kokers, die slechts ventilatiekanalen bevatten en slechts langs
één brandcompartiment lopen of slechts door boven elkaar gelegen sanitaire ruim-
tes geldt: geen eis;
- tussen woning en aangrenzende bergruimte (die bij die woning hoort): geen eis;
- zelfsluitende deur: tussen brandcompartimenten of tussen een stookruimte en een
andere besloten ruimte mag als beweegbaar onderdeel slechts een deur met dran-
ger zitten en;
- overschreiding van de perceelgrens: wanneer men een woning of woongebouw
bouwt, moet men voor het bepalen van de WBDBO rekening houden met een
denkbeeldig, identiek gebouw, spiegelsymmetrisch gelegen op het aangrenzende
perceel.

5 Beperking van ontstaan van rook (rookdichtheid)


5.1 Rookproductie algemeen (tekening 5. 7) Om te voorkomen dat gebruikers zich
bij een beginnende brand slecht kunnen oriënteren doordat er teveel rook is, wor-
den eisen gesteld aan de rookproductie van constructie-onderdelen . De rookproduc-
tie wordt uitgedrukt in 'optische dichtheid' of 'rookdichtheid'. Deze grootheid kan
worden omgezet in zichtlengte en wordt uitgedrukt in m 1. Zo mag de naar een
besloten ruimte toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel geen grotere rook-

68
dichtheid hebben dan : 10 meter. De bepaling vindt plaats volgens NE N 6066.
5.2 Vluchtwegen (zie tekening 5. 7) Het is de bedoeling dat ruimtes waar mensen
doorheen moeten vluchten, zo min mogelijk rook bevatten. Daarom zijn aan vlucht-
wegen hogere eisen op het gebied van rookproductie gesteld dan aan andere
ruimtes. Deze eisen zijn gerelateerd aan de eisen m.b.t. de bijdrage tot brand-
voortplanting (zie thema : Beperking van ontwikkeling van brand) . Indien immers
het vuur zich langzamer voortplant, langs een of ander constructie-onderdeel, zal
het brandende oppervlak ook minder snel groter worden en daardoor de rookpro -
ductie iets minder snel toenemen . Voor besloten ruimten, waardoor een vluchtweg
voert gelden derhalve de volgende eisen:
- Indien het constructie-onderdeel behoort tot klasse 1 van de bijdrage tot brand-
voortplanting , mag de rookdichtheid van dit constructie-onderdeel niet groter zijn
dan : 5,4 meter;
- Indien het constructie-onderdeel behoort tot klasse 2 van de bijdrage tot brand-
voortplanting, mag de rookdichtheid van dit constructie-onderdeel niet groter zijn
dan : 2,2 meter.
- Voor vloeren , tredevlakken ,plinten, stopkontakten e.d. wordt ook nu weer een uit-
zondering gemaakt. Deze behoeven slechts te voldoen aan de algemene basiseis
voor de rookproductie, nl. : 10 meter.
- Voor de buitenzijde van bijv. gevels gelden geen speciale rookproductie-eisen. Zij
behoeven eveneens slechts te voldoen aan de basiseis van : 10 meter.

6 Beperking van verspreiding van rook


6.1 Op het gebied van het benoemen van ruimten worden in het Bouwbesluit an-
dere termen gehanteerd dan de tot nu toe gebruikelijke. Zo wordt niet meer ge-
sproken over woon -, slaapkamer, zolder, enz., maar is het begrip 'verblijfsruimte'
geïntroduceerd. (zie tekening 6. 7) Een verblijfsruimte is een besloten ruimte, be-
stemd voor het verblijven van mensen . Een verzameling van verblijfsruimten e.a.
ruimten, die alle met elkaar in verbinding staan en met elkaar een besloten ruimte
vormen, kan vervolgens tot 'verblijfsgebied' benoemd worden . Hierin mag dan niet
een sanitaire ruimte, technische ruimte of gemeenschappelijke verkeersruimte opge-
nomen zijn . Wel een verkeersruimte, zoals een entreehalletje of een overloop. De
trap in een woning is noch een verblijfsruimte, noch een onderdeel van een ver-
blijfsgebied. De ontwerper zelf bepaalt welk deel van het gebouw als verblijfsge-
bied moet worden beschouwd. Alleen dat deel moet dan aan de betreffende
voorschriften voldoen . Dit alles is er o.a. op gericht de vrije indeelbaarheid van
een bouwwerk te vergroten . Door de bouwtechnische voorschriften in principe te
rookdichtheid besloten ruimte

~===;;==~I ~I===::::;===~I 1
:====::::;===~I L-I_
buiten binnen vluchtweg vluchtweg [
algemeen bijdr . br . voor bijdr . br . voor
klasse 1 klasse 2
lOm 5,4m 2,2m
~~~

~CJCJCJ[
(boven) tekening 5.1 (rechter-
% pagina) tekening 6.1
rnax. door de
rook at te legenda tekening 6. 1
leggen afstand
1.1 verkeersruimte
1.2 meterruimte
1.3 verblijfruimte
1.4 verkeersruimte
1.5 toiletruimte
1.6 verblijfsruimte
1.7 berging
4: verblijfsgebied (niet gro-
ter dan een rookcornpartiment)
tekening 6.2

vervolg legenda tekening 6.1


v v 2 .1 verkeersruimte
2.2 verblijfsruimte
2.3 verblijfsruimte
2.4 verblijfsruimte
2.5 badruimte
2.6 onbenoemde ruimte
3.1 onbenoemde ruimte

B: verblijfsruimte tekening 6.3

70
1.7

opp.leidingschacht
612,5cm2

begane grond

2 ~6

r---

1.7 1.6 2.2 2.3 ;llLllJII


l,J,J-J.J..lo.L.I..J.UU UU
~ <'t
tJ ,.3 . 1 .<

~
2:-: 'd
opp . leidingschacht
tm
i'J1500+vl i J
-
Q)
612,5cm2 2 v
11 0'"
1000 ..0
1.3
100- Q) t--
2.5 2.' J...;' 2400+vl Ol

1.2 - ~
I
m
rm
.. 1500+vl ~
Ol
on
0'"
rl
..0
_ _ ""
H
Q)
~
c
begane grond 1e verdieping 2~ verdieping
:>

[
1500+vl
laten gelden voor een heel verblijfsgebied en niet voor de verblijfsruimten afzon-
derlijk, heeft het anders indelen van een plattegrond op een later tijdstip minder
konsekwenties op het gebied van de voorschriften.
6.2 Maximale door de rook af te leggen afstand vanuit een verbli;fsgebied (zie te-
kening 6.2) Vanuit ieder punt in een verblijfsgebied moet men met ingehouden
adem de uitgang naar een vluchtmogelijkheid kunnen bereiken. Men heeft deze af-
stand gesteld op: 20 meter. In werkelijkheid kan iemand op deze manier zelfs nog
een anderhalf maal zo grote afstand afleggen. Om aan een zo hoog mogelijke
graad van vrije indeelbaarheid te voldoen hoeft men, bij deze eis, geen rekening
te houden met niet-dragende constructie-onderdelen en kan er met een rechte lijn
gerekend worden. Als deze eis leidt tot meer dan één uitgang, dan moeten deze
uitgangen minstens 5 meter uit elkaar liggen. Dit om te voorkomen dat door een-
zelfde brand beide uitgangen onbruikbaar zouden zijn.
6.3 Maximale door de rook af te leggen afstand vanuit een verbli;fsruimte (zie te-
kening 6.3) Om te voorkomen dat de schakeling van de verblijfsruimten zo onge-
lukkig gekozen wordt dat de weg, die via deuropeningen, afgelegd moet worden
naar een uitgang zou een vluchtmogelijkheid te lang worden en is een zgn. 'vang-
netvoorschrift' toegevoegd . In dit voorschrift wordt gesteld dat:
- de kortste route vanaf enig punt in een verblijfsruimte tot de dichtstbijzijnde uit-
gang naar een vluchtmogelijkheid niet meer mag bedragen dan : 30 meter.
- Als deze eis leidt tot meer dan een uitgang, dan moeten deze uitgangen min-
stens 5 meter uit elkaar liggen. In dit geval moet ook met niet-dragende construc-
tie-onderdelen rekening worden gehouden en moet de werkelijke route via deuren
e.d. berekend worden .
6.4 Vluchten vanuit een bergruimte in een woongebouw (zie tekening 6.4). In het
Bouwbesluit wordt ervan uitgegaan, dat er minstens twee onafhankelijke wegen
nodig zijn om personen een redelijke kans te geven uit een brandend bouwwerk
te kunnen ontvluchten. Er worden drie verschillende soorten vluchtmogelijkheden ge-
definiëerd: 7 Een vluchtroute; 2 Een vluchtmogeli;kheid en; 3 Een vluchtweg.
Bij deze drie vluchtmogelijkheden hoort een oplopende graad van bescherming: 7a
Een vluchtroute. Dit is de minst beschermde mogelijkheid tot vluchten. Deze route
mag uitsluitend bestaan uit vloeren, trappen of hellingbanen en er mogen geen
deuren inzitten, waar je een sleutel voor nodig hebt. 2a Een vluchtmogeli;kheid.
Dit is een vluchtroute (als boven), waar geen rook aanwezig mag zijn. 3a Een
vluchtweg. Dit is een vluchtmogelijkheid, waar bovendien geen brand aanwezig
mag zijn. Ook voor het vluchten langs niet-horizontale wegen moet men rekening
houden met de begrippen en formuleringen zoals die in het Bouwbesluit gehan-

72
algemeen uitzondering 1

bergruimte buiten woning bergruimte buiten woning

vluchtroute vluchtroute vluchtroute

~ uitzondering 2 ~ uitzondering 3 (berging)

'"
bergruimte bergruimte

woning
'\ ........ .......
1
--- QJ
'Cl
<=:
<0
'-'
Ul
"-'
,...-

~1
'\""
<0
'-' 0.
bergruimte
"'"
0
'-'
M
0
0
bergruimte

.r::
u '"
QJ

"> '-'

.
M QJ
bergruimte Ei
1\ binr:en M a)

r' wonlng bergruimte


'\ r- x
<0
Ei
j bergruimte

~
v l uchtroute

of 2 vluchtroutes
of veiligheidstrappehuis
teerd worden. Zo kan er sprake zijn van twee soorten trappehuizen, nl. :
7 Een vluchttrappehuis en; 2 Een veiligheidstrappehuis.
Ook deze hebben een oplopende mate van bescherming. 7a Een vluchttrappehuis
wordt gedefiniëerd als een verkeersruimte waarin een trap is gelegen waarover
een vluchtweg voert. 2a Een veiligheidstrappehuis is een vluchttrappehuis, dat uit-
sluitend kan worden bereikt vanuit de buitenlucht. Er moet vanuit de toegang van
een bergruimte (een besloten ruimte van bepaalde afmetingen met een buitendeur
en bestemd voor één woning .) in twee richtingen gevlucht kunnen worden via on -
afhankelijke vluchtroutes. Deze vluchtroutes mogen nergens door eenzelfde ruimte
voeren.
Op hiervoor genoemde regel mogen in drie gevallen uitzonderingen gemaakt wor-
den, nl. :
a Wanneer een bergruimte twee toegangen en iedere toegang een eigen vlucht-
route heeft (de vluchtroutes mogen nergens samenvallen);
b Wanneer de bergruimte binnen de woning ligt.
c Ook is rekening gehouden met een verzameling bergruimtes, die aan een gang
o.i.d. liggen (In de terminologie van het Bouwbesluit een 'berging 'genoemd).
Men gaat ervan uit dat het niet beslist noodzakelijk is, om vanaf de deur van ie-
dere afzonderlijke bergruimte twee vluchtroutes te hebben . Men mag dus volstaan
met een eerste stukje enkele vluchtroute, totdat de uitgang van de gehele berging
bereikt is. Op dat moment moet dan wel een veiliger plaats bereikt zijn, nl. óf
twee onafhankelijke vluchtroutes óf een veiligheidstrappehuis . De afstand van ge-
noemde toegang van de bergruimte tot de toegang van de berging is maximaal 8
meter.
6.5 Weerstand tegen rookdoorgang (zie tekening 6.5) Om te voorkomen dat de
rook zich te snel verspreidt over de verschillende vluchtwegen , die de bewoners tot
hun beschikking hebben, wordt tussen de volgende ruimten een weerstand tegen
rookdoorgang geëist van 30 minuten, nl. :
- vluchtwegen;
- een brandcompartiment en een vluchttrappehuis;
- een brandcompartiment en een liftschacht met brandweer/ift;
- een schacht o.i.d. en een vluchtweg;
- een schacht o.i.d. en een liftschacht met brandweerlift.
Dit geldt niet voor schachten, die uitsluitend door boven elkaar gelegen toilet- en
badruimten lopen en die uitsluitend sanitaire leidingen bevatten . In de scheidings-
constructies tussen de genoemde ruimten mag alleen een deur met dranger zitten.
Ramen, luiken e.d. zijn niet toegestaan . Voor een portiekflatsituatie wordt een uit-

74
~ weerstand tegen rookdoorgang van 30 min .
~ en slechts deuren met dranger indien de
volgende situatie aanwezig is :

rook 30 $ vluchtweg

vluchtweg 30

30

brandcompartiment

30 ~ vluchttrappehuis
zondering gemaakt. Daar grenst een woning (dus een brandcompartiment) aan
een (het) vluchttrappehuis. In dat geval is een gewone deur zonder dranger toege-
staan .

7 Vluchten bij brand


7.1 Algemene eis = 2 onafhankelijke vluchtwegen (zie tekening 7. 1) Zoals eerder
gezegd, geldt als principe, dat in twee richtingen via vloeren, trappen en helling-
banen gevlucht moet kunnen worden uit een woongebouw of woning. Met andere
woorden: "een uitgang van een brandcompartiment of subbrandcompartiment (bijv.
in bejaardentehuizen o.i.d.) moet grenzen aan een ruimte waarin in twee richtin-
gen over een vluchtweg naar het aansluitende terrein kan worden gevlucht" (zie de
brochure van V ROM : Brandveiligheid woningen en woongebouwen [toelichting bij
IV.7.1 ]).
Op het moment dat een veiligheidstrappehuis bereikt is, mogen deze twee vlucht-
wegen samenvallen . Aan een veiligheidstrappehuis worden dan ook dusdanige
eisen gesteld, dat aangenomen kan worden dat men daar - in redelijke mate -vei -
lig is. In vier gevallen is het echter toegestaan hier een uitzondering op te maken .
In de hierna volgende gevallen mag volstaan worden met één vluchtweg (ook wel
doodlopende vluchtweg genoemd) vanuit een woning of ander brandcompartiment
(Deze uitzonderingsregels gelden echter niet voor een berging) :
A Wanneer men vanuit de toegang van een woning geen enkel ander {sub)brand-
compartiment hoeft te passeren voordat men; ofwel twee vluchtwegen ofwel een
veiligheidstrappehu is bereikt heeft (tekening 7. 1. 1).
B Wanneer men vanuit de toegang van een woning slechts één andere woning
hoeft te passeren voordat men; ofwel twee vluchtwegen ofwel een veiligheidstrap-
pehuis bereikt heeft.
In het laatste geval moeten wel de toegangen van die twee woningen recht tegen-
over elkaar liggen en in de woning die men passeert mogen geen beweegbare
delen zitten (bijv. te openen ramen [tekening 7. 1.2]).
C Portiekflat maximaal 3 hoog . Wanneer door niet meer dan 6 woningen gebruik
gemaakt wordt van de enige vluchtweg die er is en bovendien in horizontale rich-
ting geen ander brandcompartiment gepasseerd wordt, is het toegestaan te vol-
staan met deze enige vluchtweg . Dit mag echter alleen als de hoogste vloer niet
hoger is dan 6 meter boven maaiveld.
Populair gezegd geldt dit dus voor een portiekflat van 3 lagen (tekening 7. 1.3).
D Portiekflat meer dan 3-hoog; Verlaging status van een van de vluchtwegen .
Wanneer het {sub)brandcompartiment twee toegangen heeft, dan mag een van de

76
algemeen uitzondering 1 : langs één brandcompartiment
(geldt niet voor berging)

brandcompartiment brandcompartiment
b . v . woning b . v . woning

vluchtweg 1 vluchtweg
vluchtweg

I!:::::::=====::::::J(\
. \

uitzondering 2 (geldt niet voor berging)


langs één ander brandcompartiment

uitzondering 3 (geldt niet voor berging)


portiekflat ~ 3 hoog

brandcompartiment brandcompartiment
(b.v . woning) (b . v . woning) woning woning

I
r--

,-1
---~ .........-\-
........
r-...


Ol
Q)
~
'-'
.c
u

~" ..... ...


vluchtweg indien :
~ 6 woningen
~ 3 lagen
twee toegangen volstaan met één vluchtweg, als de andere toegang een vluchtmo-
gelijkheid heeft (bijv. doorlopende balkons aan de achterzijde, die op een trappe-
huis aansluiten) . Een eventueel vertikaal gedeelte van de vluchtmogelijkheid moet
dan wel als vluchttrappehuis uitgevoerd zijn (Het vertikale gedeelte van de vlucht-
weg met een trap is per definitie al een vluchttrappehuis) [tekening 7. 1.4]).
Bij een stookruimte of technische ruimte mag worden volstaan met één vluchtweg,
als de afstand van die toegang tot het punt waar wel twee vluchtwegen zijn of
een veiligheidstrappehuis bereikt is niet meer is dan: 8 meter. (vergelijk het vluch-
ten uit een bergruimte in een berging [tekening 7. 1.5]).
7.2 Veiligheidstrappehuis bij hoge woongebouwen (tekening 7.2.a tlm e) Bij
woongebouwen, waarin een vloer op meer dan 13 meter hoogte ligt, moet min-
stens één van de vluchtwegen door een veiligheidstrappehuis gaan (vanaf de bui-
tenlucht te bereiken) . Dit hoeft niet, wanneer er twee vluchttrappehuizen aanwezig
zijn, die beide slechts via toegangssluizen te bereiken zijn. Een toegangssluis is
minstens 2 meter lang en heeft de status 'vluchtweg' . De sluis mag slechts bereik-
baar zijn vanuit een andere vluchtweg of vanuit de buitenlucht.

8 Inrichting van vluchtwegen


8.1 Onafhankelijkheid van vluchtwegen Wanneer twee vluchtwegen aan elkaar
grenzen en in een van de twee een brand woedt, dan moet de andere vluchtweg
nog 30 minuten rook- en brandvrij blijven . Tussen onafhankelijke vluchtwegen moet
anders gezegd een WBDBO en een weerstand tegen rookdaargang zijn van: 30
minuten . In de desbetreffende scheidingsconstructie mogen alleen zelfsluitende deu-
ren zitten.
8.2 Vluchtmogelijkheid in de buitenlucht In een aantal gevallen is er sprake van
'vluchten via de buitenlucht', bijv. bij het vluchten naar een veiligheidstrappehuis.
Het is niet altijd meteen duidelijk wanneer een ruimte nu inderdaad als buitenruim-
te of, zoals in het Bouwbesluit staat als 'niet-besloten ruimte' kan worden be-
schouwd . In redelijke mate moet nl. gegarandeerd worden dat vanuit zo'n ruimte
rook e.d . ruimschoots de gelegenheid krijgt te ontsnappen naar buiten, zodat in-
derdaad een beschermde vluchtroute wordt geboden . Derhalve is het aandeel aan
openingen ten opzichte van het dichte vlak aan maximumregels gebonden. Zo
moet:
- minstens 30 % van de langswanden open en niet-afsluitbaar zijn en;
- meer dan 50% van dit open oppervlak boven de 1,50 m. boven de vloer liggen .
Om te garanderen dat de open oppervlakken gelijkmatig verdeeld zijn over zeer
lange vluchtwegen via de buitenlucht, is bovendien de eis toegevoegd, dat;

78
ui t zondering 4 (geldt wel voor berging)
po r tie kfla t $ 3 hoog

I ~ 1 vluchtmogelijkheid vlucht
trappehuis
.----( .----( ....-\. ....-\

brandcompartiment brandcompartiment brandcompartiment brandcompartiment


(b . v. woning) (b v . woning) (b . v . woning) (b . v . woning)

.....--\. _r---.... .....--\- _J--...


• •• I

1 vlu chtweg
11 ....
11
woning

....-\-
1 vluch tweg
t echnische ' \ I •••••••• ~. ~. ~.e.t.:; •••••••••• ~
ruimte

----.J....

woning
2 vluchttrappehuizen
met toegangssluizen
,---_---'1I,-________--.,
I
v loer hoger

I- ~ I I I I: ~ :I I
--=-da n 13 meter

I
mogelijkheid 1

1 veiligheidstrappehu is 1 vluchtt r appehuis

vloer hoger
--=-dan 13 meter

mogelij kheid 2
(boven) tekening 7a en 7b

vluchttrappehuis:
- verkeersruirnte
- vluc h tweg
veiligheidstrappehuis :
- verkeersruimte
- vluchtweg
.....
.. .
- trappen - trappen
- via buiten

v luchttrappehuis
met toegangss!uis :
- v luchtweg
- 2 meter
- via vluchtweg of
buiten

toega ng ssluis

vl uchtweg of buitenlucht

80
- -- - - - - -- - - - - - - -- - - - - - - -- - - - - - - -- - - - - - - - - - - - - - - - - -- - -

- bij lengtes langer dan 10 meter, indien op iedere 10 meter aan voorgaande
eisen voldaan is.
8.3 Veiligheidstrappehuis, vuurbelasting Een veiligheidstrappehuis mag per bouw-
laag geen grotere vuurbelasting hebben dan : 50 MJ/m2. In de praktijk houdt dat
in dat trappen , vloeren en wanden steenachtig moeten zijn en dat alleen de deu-
ren, leuningen en plinten, die in dit trappehuis aanwezig zijn in hout mogen zijn
uitgevoerd.
8 .4 Toegang tot een v/uchttrappehuis Eisen tot toegang naar een vluchttrappehuis
zqn :
- De deuren moeten in de vluchtrichting opendraaien om te voorkomen dat zij bij
paniek een obstakel vormen , doordat de mensen er tegenaan gedrukt worden.
- De uitgang moet hetzij meteen naar buiten zijn (maaiveld) of via een portaal di -
rect uitkomen op de buitendeur van het woongebouw.
- Om te voorkomen, dat op een vluchttrappehuis ruimten uitkomen met een te
groot brandrisico, is een opsomming gegeven van die ruimten, die via een deur
met het vluchttrappehuis verbonden mogen zijn. Deze ruimten zijn : 1. een vlucht-
weg; 2. een san itaire ru imte; 3. een grote technische ruimte en; 4. een liftschacht.
Voor de ruimtes 2 en 4 geldt tevens dat de permanente vuurbelasting niet groter
mag zijn dan 100 MJ/m2.
- In sommige gevallen is het toegestaan dat een woning, een gemeenschappelijk
-
CO

verblijfsgebied , een subbrandcompartiment of een kleine meterruimte direct uitko-


men op een vluchttrappehuis . Dit is het geval wanneer voldaan is aan de eisen
van 7 .1. Hierdoor is het soms mogelijk om portiekoplossingen te maken.
8.5 Compartimentering van een horizontale vluchtweg . Om te voorkomen dat be-
woners een te lange weg door de rook zouden moeten afleggen, wordt geëist, dat
een horizontale vluchtweg (binnen) is onderverdeeld in compartimenten van 30
meter.

9 Vluchten uit een woning


9.1 WBDBO-eisen in een woning (tekening 9. 7 [weerstand tegen branddoorslag
en brandoverslag]) . Tussen verblijfsruimten, die niet op dezelfde bouwlaag liggen
moet een WBDBO zijn van : 20 minuten . Deze eis is ook geldig tussen een ver-
blijfsruimte en een willekeurige andere ruimte, als er één of meer bouwlagen tus-
sen zitten . Het doel hiervan is te voorkomen dat bij open verbindingen door het
schoorsteeneffect de brand aangewakkerd wordt.
9.2 Vluchtroute vanuit verbliifsruimten - algemene eisen (tekening 9.2) :
a Woning met beschermde gangen en trappen (20 minuten);
(boven en rechts) tekening 9.1

WBDO = 90 min . tussen :;;


VR1/VR2 VR3/VR4/VRS ~ ft
>~
VR1/VR2 VR6/VR7
VR1/VR2 VKR3 """."~.:<#p.,, ..~qIp~....... ~
VR3/VR4/VR6 VK6/VR7
11T I
~N r
:

VR VerblijfsRuimte
VKR VerKeersRuimte
berging

meterruimte

meterkast

beweegbaar

v (kamer)
(keuken)

WBOO 0 --..... 0 20 minuten

vloer van de woning hoger gelegen


dan 7m boven het referentienivo

(boven) tekening 9.2

82
b Kamer met te openen raam bij laagbouw (hoogste vloer lager dan 7 meter);
c Gelijkwaardige vluchtroute bij hogere bouw.
Vanuit alle kamers in een woning moet men in geval van nood redelijk beschermd
kunnen vluchten naar het maaiveld. In het Bouwbesluit gaat men ervan uit dat dat
in principe mogelijk moet zijn via gangen en trappen (verkeersruimten). Tussen
deze gangen en trappen en de andere ruimten in een woning moet dan een
W B D B 0 zitten van: 20 minuten . Deze eis van 20 minuten geldt niet alleen voor
de scheidende constructies, maar ook voor onderdelen daarvan, zoals deuren en
bovenlichten. Wel mogen onder de deuren spleten open blijven voor toevoer van
verse lucht. Is voor een bepaalde kamer (verblijfsruimte) niet aan deze eis voldaan,
dan moet een andere vluchtmogelijkheid geboden worden . Men kan dan volstaan
door in de buitenwand van die kamer een beweegbaar raam of een deur van be-
paalde afmetingen te plaatsen, van waaruit de bewoner naar beneden kan sprin-
gen of door de brandweer kan worden gered . Wanneer van de hiervoor
genoemde kamer (verblijfsruimte) de vloer hoger ligt dan 7 meter boven maaiveld,
dan is het niet meer mogeli jk om te springen o.i.d. Gesteld wordt dat in dat geval
een vluchtroute moet worden geboden die gelijkwaardig is aan algemene eisen .
9.3 Open haard Een open haard mag niet te dicht bij een trap zijn gesituëerd.
Dit om te voorkomen dat door een brand bij een open haard het vluchten over de
trap onmogelijk geworden is.

10 Voorkoming en beperking van ongevallen bi; brand


10.1 Vluchtafstand tot trappehuis Om de brandweer het blussen gemakkelijker te
maken en de mensen bij een reddingsactie sneller in het veilige vluchttrappehuis te
krijgen, wordt geeist dat de afstand tussen de toegang van een woning en de toe-
gang van een vluchttrappehuis niet groter is dan : 45 meter.
10.2 Brandweerlift. Een woongebouw met een vloer, hoger dan 20 meter boven
maaiveld moet een aantal brandweerliften hebben .
De afstand tussen de toegang van een woning en de toegang van de brandweer-
lift mag niet groter zijn dan : 90 meter.

11 Bestri;ding van brand


Op het vereiste aantal blusleidingen, brandslanghaspels e.d. wordt in het kader
van dit onderzoek niet ingegaan .
3.4 Vormaspecten
In deze paragraaf zullen beeldaspecten aan de orde komen : de verschijningsvorm,
de verhoudingen van delen tot elkaar en tot het geheel, de betekenis van het
beeld en de gevoelens die het beeld oproept. Galerijflats in het algemeen kenmer-
ken zich door grootschaligheid, een harde verschijningsvorm, eenvormigheid van
de gevels en een sterke horizontale gelaagdheid in de gevel. Veel mensen vinden
galerijflats er dan ook onvriendelijk, saai en lelijk uitzien . Vaak staan maatregelen
aangaande het uiterlijk van galerijflats niet op zich. Veelal zijn op grond van an-
dere aspecten, zoals bijv. sociale veiligheid, bouwkundige maatregelen wenselijk
die het uiterlijk van het gebouw direct (bijv. het toevoegen van stijgpunten), dan
wel indirect wijzigen . In deze gevallen, maar ook daar waar het verbeteren van
het uiterlijk doel op zich is en de enige reden om de gevels aan te passen, is in-
zicht in vormwaarneming en -beleving en de mogelijke concrete toepassingen
daarvan van groot belang . Aan de hand van literatuur zullen we hier in deze pa-
ragraaf dan ook nader op ingaan .

3.4 .1 Waarneming en betekenis van vormen (perceptie)


Steffen (1983) beschrijft omgevingskenmerken of -criteria die relevant zijn voor de
waarneembaarheid van ruimtelijke elementen a.h .v. de drie hoofdelementen in het
waarnemmgsproces:
1 Selectie van informatie;
2 Organisatie van het waarnemingsveld, en;
3 Interpretatie van informatie.
Voor dit onderzoek hebben deze criteria direct betrekking op de gevel(s), dan wel
betrekking op de ontsluiting van galerijflats en daarmee indirect op de gevel(s) .

Selectie van informatie


Bij selectie van informatie gaat het om de keuze die een mens doet uit de hoe-
veelheid van aangeboden informatie. Steffen (1983) onderscheidt hierbij vier om-
gevingscriteria, te weten; singulariteit, dominantie, kleur en kinestesie, die
achtereenvolgens kort aan de orde komen.
singulariteit Elementen die zich door een bepaalde eigenschap onderscheiden .
Het kan gaan om: typische vormgeving, grootte, opmerkelijke details, materiaal,
textuur, ligging en contrast. Ook kleur kan hierbij een belangrijke rol spelen. Voor
galerijflats kan dit bijv. betekenen het met behulp van deze middelen verbijzonde-
ren van de entrees in het gevelvlak, het verbijzonderen van de stijgpunten of juist
het verbijzonderen van (een groep) woningen.

84
dominantie Elementen die overheersen. Middelen die toegepast kunnen worden
zijn: grotere afmetingen, centrale plaatsing of de belangrijkste functie.
Voor de gevel(s) kan dit betekenen het binnen de totaalvorm zorgen voor domi-
nante elementen, zoals het benadrukken van de ontsluiting (trappehuis en entree).
kleur Kleuren kunnen functioneel worden gebruikt, bijv. ter oriëntering, en esthe-
tisch. Voor galerijflats kan dit ondermeer betekenen het benadrukken van de ont-
sluiting (zowel interieur als exterieur) door stijgpunten, entrees en entreehalletjes
van kleur te voorzien . Ook kunnen bepaalde geveldelen, bijv. per compartiment,
van kleur worden voorzien of door middel van kleur worden benadrukt.
kinesthesie (bewegingszin) Kinesthesie verwijst naar ruimtelijke kenmerken die de
waarnemer inlichten over zijn feitelijk en mogelijk bewegingspatroon. Het gaat
hierbij m.n. om de vorm, bijv. om bochten, hellingen, trappen en liften. Voor gale-
rijflats kan dit bijv. betekenen het benadrukken van de entrees en stijgpunten in de
gevel door middel van richtingsverandering of door uitspringen ten opzichte van
het gevelvlak, of door te trachten om door middel van vormtoepassingen de domi-
nante horizontale bewegingsindruk van de galerijen te verminderen.

2 Organisatie van het waarnemingsveld


11)
Bij organisatie van het waarnemingsveld gaat het om de ordening van omgevings-
co
prikkels volgens bepaalde wetmatigheden. Bij visuele waarneming gaat het volgens
de Informatietheorie enerzijds om de redundantie, waarmee al het voorspelbare of
verwachte wordt bedoeld en anderzijds om de informatie, waarmee al het onver-
wachte, onvoorspelbare en nieuwe wordt bedoeld. Redundantie ontstaat vooral bij
herhaling van gelijke elementen, systematische opbouw, ordening, regelmaat, sym-
metrie, bekendheid en vertrouwdheid (Steffen, 1980). Gestaltpsychologen hebben
zgn . Gestaltwetten geformuleerd . De Gestaltwetten dragen bij aan redundantie van
informatie. Een goede Gestalt bevat volgens de Gestaltprincipes veel redundantie.
De Gestaltwetten zijn kort als volgt weer te geven (Bron illustraties met bijbehoren-
de tekst: Prak, 1973, p. 27 t/m 29):

- Volgens de Wet van de Prägnanz worden aparte visuele


prikkels geintegreerd tot een geheel.

Niet: twee driehoeken op elkaar, maar een trapezium met een diogonaal
V\
- Volgens de Wet van de nabijheid worden vormen die dicht bij elkaar liggen als
een geheel waargenomen.
•• •• •• •• •• •• •• ••
• • • • • • • • • • • • • • • •
De wet van de nabijheid. We zien steeds paren van punten bij elkaar staan in de bovenste rij.
Maar als de punten ongelijk zijn gaat deze groepering niet meer op; gelijkheid wint het van
nabijheid in de onderste rij.

Volgens de Wet van de gelijkheid worden gelijke vormen of gelijkheden onmidde-


lijk herkend. Behalve om gelijke vormen kan het gaan om gelijkheid van opper-
vlakte, gelijkheid van helderheid, gelijkheid van ligging of gelijkheid van richting .

of de gelijkheid van elementen herkend


wordt, hangt -als steeds- van de condi-
ties af. De vierkanten links zijn gemakke-
•••• •• •
lijk terug te vinden, omdat ze ook groter
• •••
zijn dan de ronde stippen. Rechts zijn
vierkanten en stippen gelijk van grootte,
en dus moeilijker van elkaar te onder-
scheiden. Links wordt een verschil in
•• ••• ••••• •••
••
vorm ondersteund door een verschil in grootte, rechts niet.
De herkenning van gelijkheden wordt nog moeilijker indien vormverschil en grootte-verschil niet
in dezelfde elementen voorkomen, dus bijv. grote en kleine cirkels én grote en kleine vierkanten.

- Volgens de Wet van de continuïteit wordt een configuratie voortgezet zoals hij
was begonnen en wordt geen nieuwe informatie toegevoegd .

--------_ ....... . ,
AVVVVV -..-.....-.
-
'---'" ~
'--" ...... .. L .J

Continui1eit en sluiting (Engels : cios ure). Lijnen worden voortgezet zools ze begonnen zijn:
een rechte lijn, een zigzag lijn of een golvende lijn worden elk op resp. recht, zigzag of
golvend voortgezet. De gelijke voortzetting voegt geen nieuwe informatie toe. Midden: cios ure.

86
De vier hoekpunten ziin genoeg om de rechthoek te zien; immers, de informatie is op-
geslagen in de punten waar de omtrek van richting verandert, dat ziin de hoekpunten.
De tussenliggende ziiden worden door de wet ven de continui1eit ingevuld. Geheel
rechts: cios ure gaat zelfs op als de ziiden niet recht ziin, zoals bii deze driehoek
met quasi-gebogen ziiden.

- Volgens de Wet van de eenvoudige hoofdvorm worden zo eenvoudig en zo


groot mogelijke hoofdvormen waargenomen .

[]= 0+0' D+
De wet van de eenvoudige hoofdvorm.
De bovenste 2 riien figuren tonen dat
de continui1eit of discontinuïeteit van
de omtrek het zien van één of twee
rechthoeken bepaalt. Zelfs als een
deel/iin ontbreekt (figuur hieronder)
dan kan één gesloten omtrek worden
waargenomen als twee zeshoeken.
dJ= Ll 'D+O
Analyseren we globaal a.h.v. deze wetten de gevels
van galerijflats dan kan in het algemeen gesteld
worden dat: een galerijflat zal worden waargeno-
men, als een rechthoekig blok dat veel redundantie
van informatie bevat door de vele gelijke wooneenheden, die regelmatig geordend
zijn, maar ook door de galerijen en balkons op onderling gelijke afstanden. In de
meeste galerijflats vormen de stijgpunten nauwelijks waarneembare verticale onder-
brekingen door hun te weinig afwijkende vorm. Steffen (1983) geeft in 'De toe-
gankelijkheid van gebouwen en de persoonlijkheid van bezoekers' aan dat; hoe
een object wordt gezien, vooral afhankelijk is van de vormpregnantie, (de figuur-
achtergrond relatie) en het visueel bereik. Hierop zal kort worden ingegaan.
pregnantie Goede vormen in Gestaltpsychologische zin. Zoals we reeds gesteld
hebben, is er in het algemeen bij galerijflats sprake van een eenvoudige hoofd-
vorm en regelmatige gevelindeling en een sterke ordening van gelijke elementen
(onder meer de wooneenheden) . Dat deze goede vormen juist als problematisch
aangemerkt kunnen worden zal duidelijk worden als verderop in dit rapport het
begrip 'complexiteit' zal worden behandeld.
figuur-achtergrond relatie Figuren die zich scherp van hun achtergrond onder-
scheiden . Visuele prikkels die als een geheel worden waargenomen worden be-
schouwd als een 'figuur', de rest als 'achtergrond' . Een figuur heeft dus een her-
kenbare vorm . Steffen geeft de volgende onderscheidingskenmerken aan : een
duidelijke omlijning van de figuur, continuïteit van de achtergrond en ruimtelijke
nabijheid van de figuur, d.w.z. dat deze wordt waargenomen vooraan of op de
achtergrond .
Binnen het geheel van de gevels van galerijflats zullen meestal nauwelijks figuren
waargenomen worden. Wanneer stijgpunten vooruitspringend ten opzichte van het
gevelvlak zijn gesitueerd, kunnen deze door ruimtelijke nabijheid en een duidelijke
omlijning wel als figuur worden waargenomen en kan de regelmatige ordening
van woningen worden gezien als achtergrond. Het belang van een duidelijk her-
kenbare ontsluitingsstructuur en daarmee ook duidelijk herkenbare entrees is reeds
eerder aan de orde gekomen. Passen we de genoemde onderscheidingskenmerken
toe op de entrees, dan is een strakke duidelijke contour van belang, een herken-
bare vorm en eventueel ook vooruitspringing ten opzichte van het gevelvlak.
visueel bereik Plaatsen met een wijd ruimtelijk uitzicht. Visuele barrieres belem-
meren de oriëntatie, ruimtelijke openheid bevordert deze. Steffen geeft drie eigen-
schappen aan die de omvang en de diepte van het gezichtsveld verhogen, nl.
transparantie (bijv. door middel van glazen deurenL perspectief (lange gangen) of
een concave lijn (gebogen routes en wanden , waardoor objecten verderop zicht-
baar worden) . Over het algemeen zal men bij het benaderen van galerijflats een
wijd ruimtelijk uitzicht hebben daar men door de veelal rechte rooilijn de gehele
gevelwand zal kunnen overzien . Dit betekent echter niet dat men de toegangen
ook meteen herkent. Een lange rechte gevel geeft geen aanwijzingen over de
plaats van de toegangen .

3 Interpretatie van informatie


Bij interpretatie van informatie gaat het om de zin of betekenis van vormen .
Steffen onderscheidt als criteria de betekenisaspecten en de naamgeving, waarop
kort zal worden ingegaan .
betekenisaspecten Het gaat om de relatie tussen de vorm (van het gebouw als
totaal of in zijn onderdelen) en betekenis. De betekenis kan functioneel zijn, sym-
bolisch, esthetisch, politiek, sociaal en persoonlijk. Heeft een vorm of ruimtelijk ele-
ment een duidelijk afleesbare betekenis, dan zal dit lang onthouden blijven . Wil
men een galerijflat of onderdelen daarvan, bijv. de entrees, onderscheiden dan
dient men hier rekening mee te houden .
naamgeving plekken met een duidelijke naamgeving. Het geven van een eigen

88
naam aan een gebouw draagt bij aan de identiteit en vindbaarheid. Een van -
grote afstand - afleesbaar naambord of ander ruimtelijk symbool kan op het ge-
bouw of bij de entrees worden aangebracht.
Veelal wordt er in de literatuur een onderscheid gemaakt tussen de denotatieve be-
tekenis van vormen ofwel; de objectief afleesbare betekenis en de connotatieve be-
tekenis van vormen ofwel; de emotionele betekenis. Vaak wordt met beleving de
connotatieve betekenis bedoeld . Een rol hierbij spelen territorialiteit (zie sociale vei-
ligheid) en identificatie en herkenbaarheid . Zowel de herkenbaarheid van het ge-
bouw als de herkenbaarheid van de individuele woning of een groep van
woningen (bijv. per compartiment of per galerij) kan van belang zijn.
Het vergroten van de herkenbaarheid van een gebouw is van belang wanneer;
een aantal (ongeveer) gelijke gebouwen bij elkaar zijn gelegen, waardoor de
ruimtelijke omgeving als monotoon kan worden ervaren . Door middel van speciaal
op het uiterlijk gerichte maatregelen, maar ook met behulp van van maatregelen
die primair een ander doel hebben, kan de herkenbaarheid van een galerijflat
worden verbeterd . Het gaat om verschillen in vorm, kleur- en materiaalgebruik.
Toepassingen zi jn bijv. verschillende in vormgeving van trappehuizen , erkers, vorm-
geving, kleur- en materiaalgebruik van galerijen en balkonnetjes, het dichtmaken
van galerijen of balkonnetjes (eventueel over bepaalde bouwlagen) of bijv. door
middel van het aanbrengen van buitengevelisolatie en het daarmee verbeteren van
de herkenbaarheid.
Ook herkenbaarheid van (een groep) woningen in de gevel is van belang. Door
middel van vorm-, kleur- en materiaalgebruik kunnen woningen in de gevel her-
kenbaar worden gemaakt. Hierbij dient ervoor te worden gewaakt dat gebruik van
een teveel aan middelen opnieuw tot onherkenbaarheid leidt, wat bijv. het geval
kan zijn bij het willen benadrukken van elke woning op zich . Het beste kan men
daarom groepen woningen herkenbaar proberen te maken . Ook de afzonderlijke
entrees tot het woongebouw kunnen met behulp van vorm-, kleur- en materiaalge-
bruik herkenbaar worden gemaakt.

3.4 .2 Beleving van vormen (affectie)


Zoals reeds eerder werd beschreven verwijzen affectieve processen naar innerlijke
belevingstoestanden ofwel gevoelens. Voor de belevingswaarde van het exterieur en
interieur van gebouwen zijn onder meer van belang : complexiteit en contrastwer-
kingen (Steffen, 1983, p. 37), waarop nu achtereenvolgens nader zal worden in-
gegaan .
Complexiteit
Complexiteit verwijst naar de hoeveelheid variatie of verscheidenheid . Uit onder-
zoek (onder meer Berlyne 1960, Rapoport en Hawkes 1970, Rapoport 1977) blijkt
dat complexiteit afhankelijk is van (Steffen, 1983):
7 Het aantal onderscheidbare elementen De complexiteit neemt toe met het
aantal onderscheidbare elementen (onderdelen, details).
2 Het aantal ongeli;ke elementen De complexiteit neemt toe met grotere ver-
schillen tussen de elementen. De complexiteit wordt verlaagd door identieke ele-
menten op verschillende plaatsen, door elementen die gelijk zijn behalve in
richting, elementen die een kenmerk gemeenschappelijk hebben en verschillen in
andere opzichten en tenslotte elementen met dezelfde richting (regelmatige of geo-
metrische rangschikking).
3 Het ontbreken van eenheid De complexiteit neemt toe bij afwezigheid van
samenhangende eenheid (eenheid : Gestolt) . Hierbij spelen m.n . de wetten van de
nabijheid, gelijkheid en continuiteit een rol.
4 Ingewikkelde relaties De complexiteit neemt toe bij meer ingewikkelde rela-
ties tussen de elementen, de organisatie of de structuur van het geheel (Steffen,
1980).
Osgood onderscheidt m.b.t. de connotatieve betekenis van de ruimtelijke omgeving
een drietal factoren, waaronder; evaluatie. Esthetische aangenaamheid heeft hier-
mee een positieve samenhang en blijkt weer een positieve samenhang te vertonen
met: complexiteit, nieuwheid, incongruentie en verrassing . Voor een optimale esthe-
tische uitwerking moet een object deze eigenschappen in een gemiddelde mate be-
zitten (Heys, 1990). Ook Rapoport (1977) geeft aan dat op kleinere schaal
complexiteit nodig is en Steffen (1980, p.52) beschrijft naar aanleiding van de in-
formatietheorie dat esthetisch genot juist bestaat in het proces van informatiever-
mindering. Essentieel is dus dat een complexe omgeving aanzet tot een
redundantieproces waarin informatie en onzekerheid afnemen en zekerheid en (or-
dende) structuur toenemen. Een te grote complexiteit in de gebouwde omgeving
kan echter weer tot chaos leiden . Daarom is het van belang samenhang tussen on-
derscheidbare delen aan te brengen, bijv. door middel van (Steffen, 1980, p.54):
- Continuïteit van daklijn, goothoogte, rooilijn enz.
- Gebruik van hetzelfde materiaal.
- Herhaling van gelijke maten, oppervlakken en richtingen.
- Afwisseling op een gebied (verschil in hoogte) aanvullen met overeenkomst op
een ander gebied (dezelfde ramen) .
In het algemeen geldt voor de gevels van galerijflats dat deze worden waargeno-

90
men als eenheden die bestaan uit een groot aantal identieke elementen, nl. de
wooneenheden, die regelmatig gerangschikt zijn, kortom ruimtelijke beelden met
een lage complexiteit.

Steffen (1980) heeft een lijst gemaakt met architectonische middelen waarmee de
complexiteit van de ruimtelijke omgeving kan worden verhoogd . Deze middelen
zijn tevens te beschouwen als: ontwerpcriteria (ontwerpaandachtspunten) of beoor-
delingscriteria (voor een bestaande situatie) . De criteria en middelen uit deze lijst
die voor de gevels van galerijflats van belang zijn zullen kort aan de orde komen .
De architectonische complexiteit is te bevorderen door variatie aan te brengen m;
de fofaa/vorm . Voor galerijflats kunnen van belang zijn :
- Een eenvoudige hoofdvorm, met een meer complexe opbouw.
- Afwisseling van bijv. langwerpige rechthoekige vormen met korte vierkante vor-
men .
- Afwisseling van hoekige contouren met ronde lijnen.
Passen we dit toe op galerijflats dan kan dit bijv. leiden tot: een afwijkende vorm-
geving van eventuele nieuwe stijgpunten en entree's (door bijv. gebruik te maken
van gebogen lijnen) .
- Aanpassen van galerijen en/of balkons, bijv. aanbrengen van ronde balkonne-
tjes.
geleedheid in de fofaa/opbouw Dit betreft de verdeling van een gebouw in her-
kenbare onderdelen die een bepaalde relatie met elkaar hebben.
Voor galerijflats kan dit bijv. worden toegepast door per compartiment variatie (in
vorm) aan te brengen en door de herhaling van bijv. gelijke maten of oppervlak-
ten of door gebruik van hetzelfde materiaal zorg te dragen voor samenhang van
deze onderdelen.
afmefingen Het gaat hierbij om de verschillen in breedte en hoogte van een ge-
bouw, bijv. een verspringende daklijn of verschillende dakvormen.
Werken we dit uit voor galerijflats dan levert dit onder meer de volgende toepas-
smgen op:
- De nieuwe stijgpunten laten verschillen in dakvorm of hoogte. Hierbij dient er
echter voor te worden gewaakt dat er een samenhang met het bestaande gedeelte
wordt gerealiseerd. Door plaatsing van de nieuwe stijgpunten buiten het bestaande
gevelvlak worden deze delen al snel waargenomen als losse dozen die tegen de
gevel zijn geschoven .
- Per compartiment een verschillende daklijn of dakvorm realiseren .
- Combinaties hiervan .
bouwmateriaal Complexiteit kan worden verhoogd door verschillende bouwmateria-
len toe te passen. Uit onderzoek blijkt dat hout positiever wordt gewaardeerd dan
baksteen en beton, en baksteen weer positiever dan beton (zie o.m. de Jonge,
1971). Bij het aanpassen of aanbrengen van nieuwe gedeelten in galerijflats kan
hiermee rekening worden gehouden .
kleur Door middel van toepassing van kleur kan de complexiteit worden ver-
hoogd. Complexiteitverhogend zijn onder meer kleurcontrasten of complementaire
kleuren (bijv. blauw-oranje, groen-rood), warme kleuren (rood, oranje, geel) zijn
meer complexiteitverhogend dan koude kleuren (groen, blauw), het kleurennivo
speelt een rol, kleuren met een lage grijswaarde boven kleuren met een hoge grijs-
waarde, helderheidscontrosten enz. Over kleur en kleurtoepassingen is reeds veel
onderzoek gedaan, daarvoor verwijzen we naar literatuur over dit onderwerp.
Voor het toepassen van kleur op gevels van galerijflats willen we verwijzen naar
paragraaf 3.4.1 .
richtingen in het gevelvlak Het gaat hierbij om het aanbrengen van richtingsver-
schillen, afwijkingen in de gevelwand ten opzichte van het platte vlak, zowel in
horizontale als in verticale zin. Delen van een gebouw kunnen naar voor of naar
achter worden geplaatst of er kunnen schuine of geknikte vlakken in verticale rich-
ting worden geplaatst. Bij het eventueel aanbrengen van nieuwe stijgpunten en/of
entrees bij galerijflats kunnen richtingsverschillen worden gerealiseerd door deze
stijgpunten bijv. onder een hoek met een bestaande gevel te plaatsen . Ook kunnen
nieuwe richtingen in het gevelvlak worden geintroduceerd door middel van (aan-
passing van) balkonnetjes en/of galerijen. Een van de mogelijkheden om meer ver-
ticaliteit in de gevel aan te brengen is het aanbrengen van nieuwe balkons die
met behulp van een staalconstructie aan het gebouw hangen.
vorm en grootte van onderdelen Delen van het gebouw kunnen in vorm en
grootte worden gevarieerd. De dakvorm kan bijv. gevarieerd worden en er zouden
inspringende gedeelten kunnen worden aangebracht en uitspringende gedeelten
(bijv. erkers, serres, balkonnetjes) . Gaan we uit van de Gestolttheorie dan kan hier
nog worden vermeld dat een harde Gestolt kan worden doorbroken door vlakken
zowel naar voor (ten opzichte van het bestaande gevelvlak) als naar achter te
plaatsen.
regelmaat gevelindeling Om de complexiteit te verhogen kunnen onderdelen op
onregelmatige afstand worden geplaatst. Een na enige tijd te doorgronden regel-
maat vergroot complexiteit. Als voorbeeld wordt een assymetrische gevelindeling
gegeven. Bi j galerijflats kan dit bijv. worden bewerkstelligd door aanpassing van
bestaande onderdelen zoals balkons of het (op het eerste gezicht willekeurig) reali-

92
seren van serres bij een beperkt aantal wooneenheden of door toevoeging van
nieuwe onderdelen zoals trappehuizen en/of entrees.
toevoegingen Hiermee bedoelt Steffen elementen zoals: trappehuizen en entrees
alsmede details zoals bijv. versieringen . Door variatie aan te brengen in toevoegin-
gen kan architectonische complexiteit worden bevorderd.

Contrast
Behalve complexiteit is contrast van belang voor de belevingswaarde van de ruim-
telijke omgeving. Steffen bespreekt een theorie die stelt dat er een verband bestaat
tussen de visuele belevingswaarde van de omgeving en een evenwichtige verhou-
ding bij : toegepaste vormen, maten, kleuren, materialen, enz. Een bepaalde eigen-
schap moet worden gecompenseerd door een kwaliteit met een tegengesteld effect
om overheersing te voorkomen .
Steffen (1983) omschrijft de principes der dynamische contrasten (Wentholt, 1968),
die in de eerste plaats vuistregels zijn voor de vormgeving van de binnenstad,
maar ook als toetsingsbeginselen bij de beoordeling van de gebouwde omgeving
op psychologische kwaliteiten kunnen worden gebruikt. Deze principes dienen in
relatie tot elkaar te worden bezien . Bij toepassing dient er echter voor te worden
gewaakt dat de samenhang behouden blijft. Samenhang is onder meer te realise-
ren door overeenkomst in materialen, kleuren en redundantie (zie hiervoor de
Gestaltwetten) . De principes der dynamische contrasten zullen nu kort worden be-
handeld en tevens zullen we aangeven welke toepassingen voor galerijflats denk-
baar zouden zijn .
oppervlakte en diepte Enigszins grote vlakken die worden doorbroken door een
dieptestructuur. Een massaal vlak, dat geen drie-dimensionale dieptewerking moge-
lijk maakt, slaat de omgeving dood. Bij galerijflats is dit in het algemeen het
geval. De gevels zijn grote vlakken en uitspringingen (galerijen, balkons) zijn klein
en/of onderdeel van een zeer regelmatige vlakverdeling . Doorbreking van de ge-
velvlakken door het aanbrengen van terug- en vooruitspringende delen (onder
meer stijgpunten) kan voor een derde dimensie (diepte) zorgdragen en harde
Gestalt doorbreken .
totaliteit en detaillering Evenwicht tussen de details van ruimtewanden en de to-
taalvorm. Afwisseling van vormen is van belang voor een positieve visuele beleving
van een wand . Van de gevels van galerijflats kan over het algemeen worden ge-
zegd dat, als er weinig afwisseling van vormen is, er sprake is van een strakke
vormgeving met rechte hoeken en er geen onverwachte wendingen zijn. Suggesties
voor galerijflats m.b .t. afwisseling van vormen en onverwachte wendingen zijn
reeds eerder aan de orde gekomen zie complexiteit.
vorm- en tekstuurcontrasten Contrastwerking wat betreft vorm, grootte, tekstuur
e.d. van vaste en losse elementen . M .b.t. galerijflats kan worden gesteld dat bij
veel strakke, regelmatige vormen als contrast, speelse, grillige vormen kunnen wor-
den aangebracht. Ook een kunstwerk kan in dit opzicht een rol spelen . Bij weinig
kleur kunnen extra kleuren worden aangebracht. Bij vervanging of aanbrenging
van nieuwe elementen kan bijv. hout (bij de aanwezigheid van veel beton) worden
toegepast. Ook kan worden gedacht aan geveldecoraties. Enkele suggesties voor
toepassingen zijn : het verlevendigen van de strakke vormgeving van galerijflats,
door nieuwe stijgpunten en entrees speels vorm te geven en; balkonnetjes en gale-
rijen van vorm te veranderen en daarbij geen rechte hoeken toe te passen .
hoogte en laagte contrast Voor de ruimtevulling is het van belang dat er afwisse-
ling in hoogte is. Voor galerijflats, die over het algemeen een plat dak hebben,
zou de (over het algemeen) lange bouwvorm kunnen worden opgedeeld in gedeel-
ten met verschillende dakhoogten en dakvormen . Nieuwe stijgpunten zouden bijv.
een afwijkende hoogte kunnen krijgen . Ook aftopping van een deel van de wonin-
gen kan een mogelijkheid bieden .

94
4 CASE STUDIE HOOGOORD

4.1 Inleiding
Na de voorgaande analyses van de problemen en de verbeteringsmogelijkheden
van galerijflats, zullen we in dit hoofdstuk, Hoogoord analyseren en bekijken in
hoeverre de verbeteringsmogelijkheden van toepassing zijn voor Hoogoord .
Rekening houdend met: de kenmerken, de reeds door de projectgroep Hoogoord
gesignaleerde problemen, de toetsing van Hoogoord aan de in hoofdstuk 3 be-
schreven aspecten en de geldende randvoorwaarden . Vervolgens zullen we de op-
lossingen voor Hoogoord trachten te vinden .
Hoogoord was een van de eerste woongebouwen die in de Bijlmerrneer gereed- e
kwamen , nadat de bebouwing van die polder in de tweede helft van de jaren ze- lIt:
stig ter hand genomen werd . De rangschikking van de woonblokken volgens een
0
0
raster van grote zeshoeken , kenmerkend voor de Bijlmer, ontbreekt hier.
~
Parkeergarages (ook een belangri jk element) destijds in de planning voor de 0
Bijlmer, zijn er wel. De evenwijdig aan elkaar geplaatste blokken zijn hier twee 0
aan twee door middel van loopbruggen gekoppeld aan een parkeergarage. De J:
loopbruggen komen uit op een binnenstraat, die op de eerste verdieping van de
11) 1&1
woongebouwen ligt. De toegankelijkheid van de woongebouwen in dit deel van de
0-
Bijlmer is afgestemd op mensen, die met de auto komen. Voor iemand die met e
~
openbaar vervoer komt, is niet zo erg duidelijk hoe men het woongebouw moet
t-
binnenkomen en hoe men vervolgens de woning kan bereiken. De plaats waar 0
men moet aanbellen bevindt zich aan de binnenstraat.
1&1
Woningcorporatie Nieuw Amsterdam heeft plannen om de toegankelijkheid te 0
verbeteren ; de binnenstraat, waar de bewoners van Hoogoord nauwelijks gebruik ~
van maken, komt in die plannen te vervallen . Bij wijze van veiligheidsmaatregel u
zijn enige jaren geleden sloten aangebracht op de deuren tussen de trappehuizen ~
en de galerijen waaraan de woningen liggen. De bewoners hebben daarvan een
sleutel, maar bezoekers kunnen niet kenbaar maken dat ze voor die deur staan en
de deuren kunnen ook niet vanuit de flats worden geopend . De meeste bewoners
komen de trappehuizen binnen via de nooduitgangen op de begane grond . De
bergingen worden nauwelijks gebruikt; wat daarin staat, valt buiten de inboedel-
verzekering , zodat niemand nog iets van waarde erin zet. Eerdere maatregelen
(compartimentering en vervangen van de gaaswanden door stenen muurtjes) heb-
ben niet geholpen . Verlevendiging van de onderste twee bouwlagen door toevoe-
ging van woningen is zeer wenselijk, alsmede toezichtmogelijkheden op het
(onheus) gedrag van bewoners, bezoekers e.a .. De parkeergarage van Hoogoord
wordt intensief gebruikt, wat hand in hand gaat met een hoge score op het ge-
bied van inbraak en vernieling. Van de vrije parkeerplaatsen worden daarom bij
voorkeur, die op het dak gebruikt.

4.2 Kenmerken van gebouw Hoogoord


Hoogoord telt 86-kamer-, 772 4-kamer- en 72 2-kamerwoningen aan een galerij,
plus nog 74 2-kamerwoningen aan de binnenstraat. Driekamerwoningen ontbreken
volledig . Iemand die in Amsterdam in aanmerking komt voor een 3-kamerwoning,
krijgt in de Bijlmerrneer een 4-kamerflat. Verbetering van de woningdifferentiatie is
gewenst.
Hoogoord is het oudste woongebouw van de Bijlmerrneer. Het is gebouwd in een
gietbouwsysteem met behulp van tunnelbekistingen . De horizontale delen van het
skelet zijn als doorgaande vloeren uitgevoerd; onderbreking van deze bouwstruc-
tuur door het slopen van vloervelden leidt tot het optreden van momenten waarop
de huidige constructie niet is berekend. De aanwezige vloeren, ook de dakvloer,
hebben overal voldoende draagvermogen voor woningen. De draagstructuur ver-
keert nog in goede staat. Betonrot komt nergens voor.
De galerij- en balkonplaten zijn geprefabriceerd, behalve die aan de kopgevels;
deze zijn geconstrueerd als uitkragende vloervelden en ze buigen nu wat door,
vermoedelijk als gevolg van kruip . De trappehuizen zijn opgebouwd uit geprefabri-
ceerde elementen; ze vervullen geen rol in de stabiliteit van het gebouw. Alle
bouwlagen van Hoogoord hebben dezelfde hoogte.
In het bestemmingsplan is de bestaande situatie van 1974 juridisch vastgelegd.
De maximaal toegestane bouwhoogte is 34 m. De woongebouwen mogen maxi-
maal uit elf bouwlagen bestaan (zonder kap), met maximaal negen woonverdiepin-
gen op een onderhuis van minimaal één en maximaal twee bouwlagen. B & W
kunnen ontheffing verlenen om de toegestane planhoogte met maximaal 4 m te
overschrijden . Ook de parkeergarages zijn in het bestemmingsplan aangegeven,
met als maximale hoogte 8 m. In de erfpachtovereenkomst is de openbare toegan-
kelijkheid voor Hoogoord geregeld. Wijzigingen daarin maken waarschijnlijk een
nieuwe erfpachtovereenkomst noodzakelijk.
Er zijn plannen om het aantal liften te verdubbelen, alsmede twintig nieuwe be-
gane-grondwoningen te maken, veertien bestaande binnenstraatwoningen te vergro-
ten en veertien nieuwe te maken, plus nog twaalf nieuwe dakwoningen . Plaatsing
van zonnepanelen op het dak valt eveneens te overwegen . Bij deze ingrepen moet
rekening worden gehouden met het bestaande ondergrondse leidingstelsel en de
zojuist genoemde planologische regelgeving .

96
foto ' s (linksboven) galerijgevel en
(rechtsboven) balkongevel Hoogoord

_ _ _ _ _ _~} \'--_ _ _ _ _, \~ _______J

~
situatie Hoogoord flats
Bijlmermeer

Tekening (1 inks) doorsnede en


Doorsnede Hoogoord flats (rechts) situatie Hoogoord flats
111:
tweede
~ IIII! li lil :III! M!III: li lil
en tiende verdieping
:111: M!II

1II
eerste
~ iiiii imi iiiij ~ i!!!! !lU! i!!!! ~ tij
verdieping

DJ ~ 1111111 ITIIIIJ ~ 1111111 ITIIIIJ EtUJ


Hoogoord oost/westelijk deel
bouwstructuur bestaande toestand

4.3 Reeds gesignaleerde problemen Hoogoord


In de Bijlmermeer doet zich het omgekeerde voor van wat er in de meeste andere
Amsterdamse stadsvernieuwingswijken aan de hand is. In de Bijlmermeer is alles
achter de voordeuren redelijk in orde; de klachten gaan over wat zich daarbuiten
bevindt en afspeelt.
De Projectgroep Hoogoord heeft in 1992 een onderzoek verricht betreffende een
inventarisatie in woord en getal van Hoogoord. Hierin wordt een beschrijving ge-
geven van Hoogoord, inclusief gesignaleerde problemen. Van een reeds eerder,
door het bureau IPM uit Rotterdam, uitgevoerd kwalitatief oriënterend onderzoek,
zijn de resultaten in de betreffende inventarisatie verwerkt. In het tweede deel van
de rapportage 'Tweede editie van de rapportage van de Projectgroep Hoogoord,
de conclusies en de uitgangspunten', worden achtereenvolgens doel, uitgangspun-

98
ten, randvoorwaarden en het beoogde resultaat behandeld.
In deze rapportage zal slechts worden ingegaan op zaken die direct dan wel indi-
rect betrekking hebben op de gevel. Problemen en mogelijke maatregelen m.b.t. de
parkeergarage en de woonomgeving zullen dan ook niet worden behandeld. We
geven de problemen zoals deze in de rapportage van de Projectgroep Hoogoord
worden beschreven in deze paragraaf kort weer.
Zoals in de vorige paragraaf reeds is beschreven is verbetering van de woning-dif-
ferentiatie in Hoogoord wenselijk.
Uit de rapportage van de Projectgroep Hoogoord blijkt dat m.n. de ontsluiting
van het gebouw problemen oplevert, vooral t.a.v. het aspect sociale veiligheid .
Lifthalletjes, liften en trappehuizen zijn vooral na het weekend behoorlijk vervuild .
De woningen grenzend aan de binnenstraat hebben een bl inde gevel en er zijn
toegangsnissen . De rij schijfkolommen langs de gevel van de binnenstraat en de
muurdammen ertegenover betekenen dat er vele onoverzichtelijke plekken zijn . Veel
bewoners blijken dan ook de binnenstraat het liefst te mijden . Men voelt zich daar
onveilig, stoort zich aan de rommel en vindt de binnenstraat donker en ongezellig.
De meeste bewoners komen de trappehuizen binnen via de noodingangen op de
begane grond. De entrees van deze trappehuizen op de begane grond liggen ver-
scholen waardoor ze kwetsbaarder zijn voor vervuiling en vernieling . De plaats
waar bezoekers moeten aanbellen bevindt zich echter aan de binnenstraat. De
weg naar de voordeur is voor zowel bewoners als bezoekers lang. Bij wijze van
veiligheidsmaatregel zijn enige jaren geleden sloten aangebracht op de deuren tus-
sen de trappehuizen en de galerijen waaraan de woningen liggen . De bewoners
hebben daarvan een sleutel, maar bezoekers kunnen niet kenbaar maken dat ze
voor die deur staan en de deuren kunnen ook niet vanuit de flats worden ge-
opend . Deze maatregel verhoogt echter wel de veiligheid en de privacy. Helaas
blijken de deuren vaak open te staan .
De onderdoorgangen van het gebouw vormen tevens de toegangen van de ber-
gingen. Ook hier laat de sociale veiligheid te wensen over. De toegangsdeuren
van de bergingsboxen zijn terugspringend geplaatst ten opzichte van de onder-
doorgangen . Er vinden inbraken plaats en er is vandalisme. De bergingen worden
dan ook nauwelijks gebruikt. Wat erin staat valt buiten de inboedelverzekering,
zodat niemand er nog iets van waarde inzet. Eerdere maatregelen (compartimente-
ring en vervangen van de gaaswanden door stenen muurtjes) hebben niet gehol-
pen . Over de toegankelijkheid wordt verder nog opgemerkt dat bij de
knooppunten tussen horizontaal en vertikaal verkeer, nl. bij de toegangshalletjes in
de binnenstraat het beschikbare oppervlakte te krap is.
De ontsluitingsstructuur van het gebouw is niet overzichtelijk. Oriëntatie is een be-
langrijk probleem . De verschillende ingangen vormen een complex en onoverzichte-
lijk systeem. De toegankelijkheid van woongebouwen zoals Hoogoord is afgestemd
op mensen die met de auto komen. De enige belettering in verband met bewegwij-
zering is aanwezig boven de ingang van de parkeergarage. Voor iemand die met
het openbaar vervoer komt, is niet zo erg duidelijk hoe men het woongebouw
moet binnenkomen en hoe men vervolgens de woning bereikt. Aanduidingen op
het gebouw zelf zijn er nauwelijks.
De voorbijganger of bezoeker ervaart Hoogoord vooral a.h.v. de onderste ver-
diepingen: gesloten, onherbergzaam en 's avonds donker. De binnenstaat op de
eerste verdieping is vanaf buiten nauwelijks waarneembaar en de stijgpunten zoals
liften en trappehuizen treden niet buiten de rechte rooilijnen van het gebouw.
Hiermee komen we bij enige andere grote problemen: de eenvormigheid van de
gevel en de sterke horizontale gelaagdheid van de gevel. De trappehuizen vormen
nauwelijks een verticale onderbreking van de sterke horizontale gelaagdheid van
de balkons en de galerijen . Hoogoord maakt door dit alles een onherbergzame in-
druk.
Voor wat betreft de voorzieningen in de woning kan worden gesteld dat sanitair
en keukenuitrusting na 25 jaar verouderd zijn; in sommige flats is nog een lavet
aanwezig. Bij 6% van de woningen is al een nieuwe uitrusting aangebracht. Een
aansluiting voor een wasmachine ontbreekt. Verder zijn er een aantal bouwtechni-
sche gebreken aan het gebouw te constateren . Er komen o.a. koudebruggen voor
bij de inklemming van de consoles die de balkon- en galerijplaten dragen . Andere
koudebruggen komen voor bij wanden die grenzen aan de trappehuizen . De
Gibo-wanden van badkamer en toilet zijn door vocht aangetast (verzeept) .
Vervanging is technisch noodzakelijk.
De warmwater- en de centrale-verwarmingsleidingen zijn aan vervanging toe
wegens kalkafzetting. Voorts zijn de balusterankers van de thermisch verzinkte sta-
len balkon- en galerijhekken doorgeroest. De balkonafscheidingen bestaan uit me-
talen frames met draadglas; deze bieden onvoldoende privacy. Tenslotte zijn de
oorspronkelijke aangebrachte vuilstortkokers nog aanwezig, plus de daarbij beho-
rende containerruimten aan de binnenstraat. Dat hele systeem is nu echter afgeslo-
ten; huisvuil moet nu door de bewoners in containers worden gedeponeerd die op
de begane grond opgesteld staan.
De dakventilatoren zijn enige jaren geleden vernieuwd . De nieuwe ventilatoren,
die twintig jaar meekunnen, zijn berekend op het huidige aantal m3 woning dat
per kanaal bediend moet worden. In de parkeergarage staat de onlangs in ge-

100
bruik genomen warmte-krachtkoppelings-installatie. Tenslotte dient nog te worden
vermeld dat het grote oppervlak aan gemeenschappelijke ruimten vrij hoge schoon-
maakkosten met zich mee brengt: nl. f 34,85 (in 1992) voor een 4-kamerwoning .

4 .4 Toetsing Hoogoord aan de aspecten


Hoogoord zal in deze paragraaf worden getoetst aan de in hoofdstuk 3 beschre-
ven aspecten .

4.4.1 Sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten


doelgroepen In de rapportage van de projectgroep Hoogoord (Tweede editie,
maart 1992). wordt aangegeven dat woningbouwvereniging Nieuw Amsterdam
twee doelgroepen wil aantrekken, nl. de jonge forens tot 35 jaar die in de omge-
ving werkt en als tweede groep ouderen vanaf 55 jaar, waarvan een gedeelte al
in de Bijlmer woont. Voor gegevens over de bewoners van Hoogoord willen we
naar de betreffende rapportage verwijzen .
Als doel wordt gesteld de differentiatie van het woningaanbod van Nieuw
Amsterdam te vergroten onder meer door 'bouwkundige maatregelen die het ge-
bouw een fraai en afwijkend uiterlijk verschaffen' (Rapportage van de projectgroep
Hoogoord [tweede editie 1992]). Wanneer de aanwezige woningdifferentiatie in
Hoogoord wordt bezien (8 6-kamer-, 172 4-kamerwoningen, 72 2-kamerwoningen
--
o

aan de galerijen en 14 2-kamerwoningen aan de binnenstraat), dan kan worden


geconcludeerd dat verbetering van de woningdifferentiatie door realisatie van 3-ka-
merwoningen wenselijk is.
imago Hoogoord De Bijlmermeer heeft in zijn totaliteit een slecht imago. M .b.t.
Hoogoord hebben wij hierover geen concrete gegevens ter beschikking. Deze stu-
die leidt tot bouwkundige maatregelen die als doel hebben (bepaalde aspecten
van) de woonsituatie te verbeteren en die derhalve ook het imago zouden kunnen
verbeteren.
• sociale veiligheid m.b.t. Hoogoord
- De aanwezigheid van sociale ogen en zichtbaarheid m.b.t. Hoogoord. Wat be-
treft voelbare aanwezigheid van omstanders en zicht vanuit de woningen op de
openbare buitenruimte is er veel aan te merken op Hoogoord:
- De schaal van de bebouwing en de wijze van ontsluiting leiden tot anonimiteit.
- Op de begane grond zijn geen woningen gesitueerd, waardoor de sociale con-
trole vanuit de woningen beperkt blijft. Visueel contact vanuit de hoger gelegen
woningen met de begane grond wordt beperkt door de aanwezigheid van galerij-
en en balkons. De balkons vanaf de eerste verdieping en de galerijen vanaf de
tweede verdieping zijn overbouwingen boven het trottoir die het zicht op straat, op
het trottoir en ook op de brandtrappen vanuit de woningen wegnemen . Op de be-
gane grond is er door de situering van bergingen een blinde gevel.
- Vanuit de woningen is er door een blinde gevel geen zicht op de binnenstraat.
In de binnenstraat zijn er vele onoverzichtelijke plekken door de muurdammen en
de schijfkolommen .
- In de onderdoorgangen van het gebouw zijn teruggelegen toegangen tot de
trappehuizen . Er is daardoor geen zicht op de entrees vanuit de woningen . De
bergingen zijn weliswaar gecompartimenteerd, maar er is geen zicht op de ber-
gingen vanuit intensief gebruikte ruimten. De toegangsdeuren zijn terugspringend
geplaatst ten opzichte van de onderdoorgangen .
• betrokkenheid/verontwoordelijkheid voor Hoogoord Hoogoord kan worden be-
schreven als een grootschalig complex met veel (nI. elf) bouwlagen waarbij een
groot aantal woningen per entree worden ontsloten. De gangen (galerijen en bin-
nenstraat) zijn lang. De binnenstraat kan worden gekenmerkt als een openbaar ge-
bied, voor iedereen toegankelijk. De galerijen zijn weliswaar afgesloten, maar
ontsluiten toch zes woningen per galerijdeel. Lifthalletjes, liften en trappenhuizen
zijn m.n . na het weekend vervuild. De bergingen zijn reeds gecompartimenteerd
en er zijn vijf t/m tien bergingen per compartiment. Van der Voordt en van
Wegen (1990, p.26) geven aan dat onderzoek heeft uitgewezen dat vooral groot-
schalige complexen, waarin veel bewoners van dezelfde voorzieningen gebruik
moeten maken, met een monotone vormgeving en veel semi-openbare ruimten,
vaak gepaard gaan met een geringe betrokkenheid van de bewoners bij hun
woonomgeving .
• attractiviteit van Hoogoord Galerijflats in het algemeen, en dit geldt ook voor
Hoogoord, kunnen grootschalig worden genoemd . Lifthalletjes, liften en trappehui-
zen en ook de binnenstraat zijn regelmatig vervuild .
Op de attractiviteit van de gevels zullen we hier niet nader ingaan, maar verwij-
zen we naar de paragraaf 'Vormaspecten'.
• toegankelijkheid/vluchtwegen van Hoogoord Kenmerkend voor de ontsluiting
van Hoogoord is de binnenstraat of droogloop op de eerste verdieping . De bin-
nenstraten (van de twee bouwblokken waaruit Hoogoord bestaat) staan via loop-
bruggen in verbinding met de parkeergarage. Deze binnenstraat is openbaar
toegankelijk en kan over de gehele lengte vrij worden doorlopen . Van beperkte
doorgankelijkheid of afsluiting van deze ruimte is geen sprake. De problemen
(m.b.t. de binnenstraat) zijn reeds eerder beschreven .
De entrees met naambordjes, bellen en brievenbussen bevinden zich in de binnen-

102
straat en zijn afgesloten . Bewoners hebben een sleutel van het eigen entreehalletje
en van de daarnaast gelegen ingang. Veel bewoners vermijden echter de binnen-
straat en maken middels de sleutel gebruik van entrees op de begane grond . Deze
entrees zijn niet voor bezoekers toegankelijk. In de entreehalletjes bevinden zich
trappehuizen en liften die, door afsluiting van de toegangen, niet openbaar toe-
gankelijk zijn.
Boven aangekomen treft men een gesloten deur naar de galerij aan, die door de
bewoners middels de sleutel geopend kan worden. De sleutel past ook op de deur
aan de andere zijde van de galerij, waardoor men gebruik kan maken van het
ernaast gelegen stijgpunt. Bezoekers moeten voor de galerijdeur wachten totdat de
bewoner deze komt openen . Om de verschillende redenen laten bewoners de ga le-
rijdeuren regelmatig open staan .
De bergingen tenslotte, zijn weer middels dezelfde sleutel toegankelijk. De bergin-
gen zijn gecompartimenteerd en elk cluster van (vijf tlm tien) bergingen is toege-
wezen aan bewoners die aan een gedeelte van de galerij wonen . Het wenselijke
aantal bergingen per cluster is reeds eerder aan de orde gekomen.
Concluderend kunnen we stellen dat bergingen en galerijen gecompartimenteerd en
afsluitbaar zijn en trappehuizen en liften in afsluitbare entreehalletjes zijn gelegen.
De galerijdeuren blijven echter vaak om practische redenen openstaan. Een essen-
tieel probleem vormt de binnenstraat, die openbaar toegankelijk en niet gecompar-
timenteerd is. De ligging van de op-zich-goed toegeruste entreehalletjes in de
-
binnenstraat leidt ertoe dat deze voornamelijk door bezoekers gebruikt (moeten)
worden.

4.4.2 Functioneel-ruimteliike aspecten


• Toegankeliikheid m.b.t. Hoogoord
- (biizondere) toegankeliikheid m.b.t. Hoogoord De bestaande entreehalletjes en de
liften zijn voldoende ruim voor rolstoelgebruik. Een probleem vormt het hoogtever-
schil tussen de galerijvloeren en de aansluitende vloeren van woningen en lifthalle-
tjes. Bij aanpassing van de ontsluiting (bijv. ten gevolge van compartimentering)
dient aan de gestelde eisen in het Bouwbesluit te worden voldaan.
- toegankeliikheid en lichameliik comfort m.b.t. Hoogoord In Hoogoord is de loop-
afstand tussen de entree van het gebouwen de woning zowel voor bewoners als
bezoekers gemiddeld groot. Dit is onder meer het gevolg van de keuze voor een
ontsluiting via een binnenstraat die gekoppeld is met de parkeergarage.
• Onts/uitings(structuur) en oriëntatie
- de richtingsduideliikheid m.b.t. Hoogoord Voor iemand die het gebouw voor het
eerst bezoekt en zeker voor iemand die niet met de auto komt, is het vinden van
een toegang tot het gebouw een probleem. Heeft een bezoeker van Hoogoord
eenmaal ontdekt waar hij/zij het gebouw binnen kan komen, dan is het verder
een kwestie van de binnenstraat door blijven lopen totdat men het juiste entreehal-
letje tegenkomt. In de binnenstraat zijn alleen hoeken van 90 graden en de gale-
rijen zijn recht. De entreehalletjes zijn benadrukt d .m.v. kleur. In het gebouw kan
daarom geconcludeerd worden dat er voldoende richtingsduidelijkheid is.
- continui1eit m.b.t. Hoogoord Van de in paragraaf 3.2.2 aangegeven manieren
om continuiteit van routes te bereiken, zoals gelijkheid of overeenkomst van vorm,
zijn er geen manieren daadwerkelijk toegepast in de ontsluiting van Hoogoord .
- zichtbaarheid van verbindingen m.b.t. Hoogoord In de binnenstraat zijn de en-
treehalletjes goed herkenbaar doordat de binnenstraat daar van richting veranderd
en ook door hun vooruitspringende vorm . Bij het betreden van het entreehalletje is
de lift direct zichtbaar, in tegenstelling tot het trappehuis dat achter de lift is gele-
gen. Komt men op een verdieping uit de lift dan is er weer direct een galerijdeur
zichtbaar. Geconcludeerd kan worden dat de verbindingen daardoor voldoende
waarneembaar zijn .
- bewegwiizering en tiidreeksen m.b.t. Hoogoord De bewegwijzering van
Hoogoord laat te wensen over. Dit is met name m.b.t. de toegangen tot het ge-
bouw het geval. In het gebouw is er in zekere mate sprake van opeenvolging van
elementen die van belang zijn voor de oriëntatie (entreehalletjes in de woonstraat
en nummering van de woningen) .
Woontechnische aspecten m.b.t. Hoogoord De woningen van Hoogoord zijn vol-
doende ruim van opzet. De afmetingen van de kamers zijn ruim te noemen. De
indeling van de ruimte in de woning, die in de oorspronkelijke opzet was bestemd
als berging laat de woningbouwvereniging (functioneel) wijzigen in bijkeuken (met
wasmachineaansluiting) . Bewoners die in aanmerking komen voor een 3-kamerwo-
ning krijgen in Hoogoord een 4-kamerwoning toegewezen, de extra kamer kan
dan eventueel als bergruimte worden gebruikt. De balkons zijn groot. De woning-
bouwvereniging past de uitrusting van de woningen bij mutatie aan, doch hierop
zal in het kader van het onderzoek niet nader worden ingegaan . Wel van belang
voor dit onderzoek, maar reeds eerder aan de orde gekomen, is het realiseren
van 3-kamerwoningen, waarbij het probleem van de bergruimte opnieuw aan de
orde komt.

104
4.4.3 . Bouwtechnische en bouwfysische aspekten
bouwtechnische aspecten m.b.t. Hoogoord
Ook voor de analyse van Hoogoord worden zaken, die te maken hebben met het
onderhoud van materiaal en produkt (indien enigszins mogelijk) uitgesloten.
Natuurlijk moeten verhuurders of eigenaren alert zijn op materialen en producten
die onderhoud behoeven dan wel vervangen dienen te worden. Problemen bij het
vervangen kunnen ontstaan, doordat bij het ontwerp - tot op heden - nog nauwe-
lijks rekening is gehouden met het fenomeen vervangen. Indien nu een element
vervangen dient te worden dan heeft men ogenblikkelijk te maken met de aantas-
ting van aansluitingen, waardoor de kosten aanzienlijk worden . Bouwtechnische
aspekten voor analyse zijn voor Hoogoord niet anders dan die genoemd zijn
onder hoofdstuk 3.3.1 en die te maken hebben met de bouwtechnische aspekten
voor analyse van galerijflats. Voor Hoogoord is gebruik gemaakt van de rapporta-
ge van de projektgroep Hoogoord.

bouwdelen Karakteristiek en schadebeeld


- onderbouw De onderbouw staat op palen met daarover funderingssloven en een
op de grond gestortte vloer van beton. De kwaliteit van het beton dat in aanra-
It)
king met de grond komt is niet bekend, maar gezien de kwaliteit van het zichtba-
re beton gaan we uit van een goede kwaliteit.
- skelet Het skelet bestaat uit gestorte wanden en vloeren; de begane grond is ge-
-
o

lijk van hoogte met andere verdiepingen, hetgeen aanpassingen van gebruik een-
voudiger maakt. De onderste twee verdiepingen, begane grond en droogloop,
heeft grote doorgangen hetwelk deze verdiepingen ook voor een andersoortig ge-
bruik mogelijk maakt. Bij de dilatatievoegen is een dubbele wand toegepast, waar-
door elk gebouwdeel zelfstandig wordt. Het beton in het zicht toont ter plaatse van
de onderdoorgangen enige mechanische schade die eenvoudig te verhelpen is. Er
is geen betonrot geconstateerd.
- vloeren, constructieve wanden en consoles De vloeren boven de begane grond-
vioer zijn tesamen met de wanden gerealiseerd door gebruikmaking van een tun-
nelbekisting . De tunnels waren smal, waardoor de grootste vloeroverspanning
minder dan 4 meter bedraagt. De vloerdikten zijn 120 mm, terwijl de wanddikten
180 mm bedragen . De afwerking van de vloeren in de binnenstraat is aan ver-
vanging toe. De consoles zijn van prefab beton. Er zijn twee typen, een als kolom
met een uitkragende console en een ander alleen als console uitgevoerd. Beide
elementen zijn in en/of aan de tunnelkist bevestigd en door wapening aan het in
het werk gestortte draagkonstruktie verbonden .
- daken Betondak, gestort op tunnelbekisting; de dakisolatie bestaat uit kanaalpla -
ten dik 70 mm o De afwerking bestaat uit een enkele laag en is voorzien van een
grindpakket als ballast.
- galeriien en balkons Prefab galerij en balkonplaten op prefab consoles; de kwali-
teit is goed. De balkons, die als uitkragende plaat in het werk in het werk zijn ge-
stort, zijn uit een oogpunt van stijfheid ondergedimensioneerd. Deze situatie komt
per blok aan een kopgevel voor. De voegvullingen tussen de dilataties behoren tot
het normale onderhoud.
- balustrades De thermisch verzinkte stalen hekken zijn aan onderhoud toe. 20-
25% van de doorgeboorde balusterankers zijn doorgeroest.
- trappen en liften De trappehuizen bestaan uit prefab elementen van gewapend
beton; Ze vervullen geen functie voor de stabiliteit en verkeren in een goede staat.
Dit is niet het geval met de liften . De liften zijn nu dermate verouderd dat onder-

<IJ
<:
P.
0
0 'Ö
-'" <:
M <1l
<1l
~
::: N
0
<:
-'"
w
'"
-'"<1l or<
:l

'"

5 Inwendige condensatie Gw

6 Luchtverversing dm3 / s

7 Warmteisolatie (m'2) Rc

8 Lin . warmteverlies (m · ) WIK

Figuur 9

106
delen als machines, motoren en deuren gereviseerd c.q. vervangen dienen te wor-
den.
- buitenwanden Meestal gestorte betonwand met metselwerk blad opgebouwd uit
betonblokken. Daar waar uitkragende balkons op de kopgevel aansluiten is de
gevel beschut en veroorzaakt geen problemen. Daar waar geen uitkragend balkon
aanwezig is zijn lekkages rondom de kozijnen geconstateerd.
- binnenwanden Binnenwanden en kozijnen zijn redelijk goed met uitzondering
van de kozijnen van de trappenhuizen en de wanden en kozijnen in wonigen die
aan natte ruimten grenzen. De aanwezige gibo wanden zijn verzeept. Het inbouw-
pakket is aan vervanging toe. De badkamer is en/of was voorzien van een lavet;
een wasmachineaansluiting in de bijkeuken ontbreekt en de keukeninrichting is niet
meer aan de tijd.
- aan- en afvoervoorziening Installatie voor c.v. en warm water is 25 jaar oud
problemen die ontstaan zijn : geluidsoverlast, kalkaanslag in de leidingen, radiato-
ren, kranen en ventielen zijn verroest, het leidingstelsel is ongeschikt voor individu-
ele bemetering. Toevoer van lucht geschiedt via spleten en kieren, omdat het
ventilatiesysteem een onbeheerst systeem is, wordt via de doortekkende lucht ook
energie afgevoerd. De vuilafvoer geschiedt niet langer door de aanwezige kokers,
maar moet naar containerruimten gebracht worden .
In het algemeen kan gesteld worden dat de kwaliteit van Hoogoord in technische
zin goed is. Er is wel sprake van degradatie dat zich manifesteert in de vorm van
-
roest, slijtage, aanslag alsmede vormen van veroudering zoals dat van installaties.
Dit kan echter eenvoudig verholpen worden.
Bouwfysische aspecten m.b.t. Hoogoord Binnen het tijdsbestek van dit onderzoek is
het doorlopen van alle stadia van de onderzoeksmethodiek onmogelijk (zie hoofd-
stuk 3.3 .2). Als aanzet tot nader onderzoek zijn in onderstaande tabel (zie figuur
9) enkele bouwfysische prestaties van het project Hoogoord globaal kwalitatief ge-
toetst.

4.4.4 Vormaspecten
• Waarneming en betekenis van vormen m.b.t. Hoogoord
- selectie van informatie m.b.t. Hoogoord Het totale gevelbeeld van Hoogoord, en
dit geldt voor zowel de balkon- als de galerijgevel, kan worden gekenmerkt door
veelvuldige herhaling van de aanwezige elementen. Er zijn geen elementen aan te
wijzen die overheersen, zich door een bepaalde eigenschap onderscheiden, zelfs
de stijgpunten zijn nauwelijks waarneembaar. De onduidelijkheid m.b.t. de toegan-
gen is reeds eerder aan de orde gekomen . Zowel stijgpunten als entrees geven in
het gevelbeeld dus nauwelijks inlichtingen over een mogelijk bewegingspatroon. De
horizontale galerijen daarentegen geven zeer duidelijk een bewegingsrichting aan.
Behalve de entreehalletjes in de binnenstraat zijn de voordeuren van de woningen,
galerijdeuren en noodtrappehuizen van kleur voorzien, nl. rood, met uitzondering
van de entreehalletjes, die blauw zijn. Deze kleuren hebben m.n. een functie wan-
neer men zich door het gebouw begeeft, in het totale gevelbeeld zijn zij nauwe-
lijks waarneembaar.
- organisatie van het waarnemingsveld m.b.t. Hoogoord De gevels van Hoogoord
hebben een eenvoudige hoofdvorm (rechthoekige blokken) en er is sprake van veel
redundantie door herhaling van gelijke elementen, zoals wooneenheden en geveIo-
peningen alsmede door een sterke ordening. De balkons en galerijen geven het
gevelbeeld een zekere horizontale nadruk. In Gestaltpsychologische zin is er sprake
van goede vormen. De stijgpunten zijn nauwelijks als figuur herkenbaar. Door de
rechte gevelwanden is er wel sprake van een wijd ruimtelijk zicht, maar door de
ligging van de toegangen geeft dit geen informatie over; de mogelijkheden om het
gebouw te betreden. De rechte gangen bieden wel de mogelijkheid voor een
goede oriëntatie.
- interpretatie van informatie m.b.t. Hoogoord Wat betreft de relatie tussen vorm
en functionele betekenis kan worden geconstateerd dat deze relatie voor de gevels
niet aanwezig is. De trappehuizen zijn nauwelijks van de woningen te onderschei-
den. Wat betreft naamgeving kan worden gezegd dat de enige belettering die de
weg kan wijzen aanwezig is boven de ingang van de parkeergarage.
Aanduidingen op het gebouw zelf zijn er nauwelijks. Hoogoord maakt deel uit van
een viertal gebouwen die gelijk van opzet zijn. Behalve door de ligging zijn deze
gebouwen alleen door kleurgebruik en geringe verschillen in bouwvorm van elkaar
te onderscheiden. Van herkenbaarheid van de woningen in de gevel is door de
grote eenvormigheid geen sprake.
• Beleving van vormen m.b.t Hoogoord
- Complexiteit m.b.t. Hoogoord De gevels van Hoogoord kenmerken zich door een
lage complexiteit. De gevels worden waargenomen als rechthoekige eenheden,
Gestalten, die bestaan uit een groot aantal gelijke elementen in een strakke hori-
zontale en verticale ordening . Alle voorkomende vormen zijn rechthoekig, van een
verdeling van het gebouw in herkenbare delen is nauwelijks sprake. Met uitzonde-
ring van de hoogte van de liftschachten, die vanaf de begane grond niet zichtbaar
is, is de hoogte van het gebouw over de gehele lengte gelijk. De voordeuren zijn
van kleur voorzien, maar dit speelt geen rol voor de ordening van het totale ge-
velbeeld . De galerijen en balkons creëren een 'tweede gevel' . Deze gevel wordt

108
echter eveneens als een plat vlak ervaren, onder meer doordat de balkonnetjes en
galerijen overal een gelijke diepte hebben en op gelijke afstanden ten opzichte
van elkaar gelegen zijn .
- contrast m.b.t. Hoogoord In de gevels van Hoogoord zijn weinig contrasten te
ontdekken . De gevels zijn grote vlakken en door de regelmatige vlakverdeling van
de balkons en galerijen wordt er geen drie-dimensionale dieptewerking ervaren. Er
is sprake van een strakke vormgeving met rechthoekige elementen en afwisseling
van vormen; van speelse vormen of onverwachte wendingen is geen spake. Rood
is de enige accentkleur die in de gevels aanwezig is. De hoogte van het gebouw
is, met uitzondering van de liftschachten, over de gehele lengte gelijk, waardoor er
slechts op grote afstand van het gebouw een beperkt hoogte en laagte contrast
waarneembaar is.

4.5 Randvoorwaarden bij het zoeken naar oplossingen voor Hoogoord

4.5.1 . Financiële randvoorwaarden


Volgens de 'Tweede editie van de rapportage van de projectgroep Hoogoord' be-
droeg de bruto huur voor het meest voorkomende woningtype, de 172 4-kamer-
galerijwoningen, per 1 juli 1991 f 730,48 en de netto huur f 493,80. De
minimaal en de maximaal redelijke huren waren voor die woningen toen f 538,80
en f 974,80 (zie tabel). De gemiddelde bruto en netto huur van de 252 galerijwo-
-
ningen bedroegen resp. f 690,43 en f 467,60. Het verschil van f 222,83 tussen
de bruto en netto huren komt overeen met het bedrag voor servicekosten .
Voor de lokale woningmarkt zijn van belang de huurprijzen van woningen in de
torenflats aan de Karspeldreef en die van galerijflats in Duivendrecht. Voor 4-ka-
merflats aan de
Karspeldreef liggen die tussen f 626 en f 659; voor 4 -kamerflats in Duivendrecht
op f 637. De servicekosten voor die flats zijn resp . f 200 aan de Karspeldreef en
f 30 tot f 40 exclusief stookkosten in Duivendrecht.
(zie tabel 1. Differentiatie 266 woningen Hoogoord en huren per 1 juli 1991)

Voor groot onderhoud en verbetering van naoorlogse woningen worden sinds 1 ja-
nuari 1992 geen subsidies meer gegeven . Wil men iets aan die woningen doen,
dan moet dat dus volledig uit de algemene bedrijsreverve en uit toekomstige huur-
verhogingen gefinancierd kunnen worden . Woningwetwoningen hebben een lange
aflossingstermijn (50 jaar); men heeft bij naoorlogse woningwetwoningen dus ook
altijd nog te maken met de boekwaarde. Woningen uit 1966 hebben een gemid-
del de boekwaarde van ca. f 23000, als algemene bedrijfsreserve (ABR) is gemid-
deld zo'n f 10000 aanwezig. De netto investeringsruimte is gelijk aan de boek-
waarde plus de investering en minus de bijdrage uit de AB R. Als de boekwaarde
meer is dan de AB R valt de investering dus lager uit dan de netto investerings-
ruimte; in het omgekeerde geval is die hoger. Wil men binnen de sociale bouwsec-
tor blijven, dan mag het totale per woning geïnvesteerde vermogen niet meer
worden dan f 159000 en is de maximale investering dus f 146000.

.. -
DIFFERENTIATIE HOOGOORD
.-
uur per 1-7- ' 911
bruto netto
punten
-.-
GALERIJWONINGEN
172 4 kamerwoningen A 730,48 493,80 152,45 538,80 974,80

72 2 kamerwoningen B 575,73 391,18 117,15 414,03 737,94

8 6 kamerwoningen C 861,73 587,23 190 671,51 1226,75

BINNENSTRAATWONINGEN
14 2 kamerwoningen El 505,54 335,48 106 374,63 663,13

E2 494,23 324,17 103,2 364,73 644,34

F 423,09 273,98 90,6 320,51 559,80

266 woningen totaal

Bij het vaststellen van de huur maakt het veel uit hoeveel de huren in de toekomst
verhoogd kunnen worden. zijn die mogelijkheden er niet, dan komt het aanvangs-
huurnivo op een veel hoger nivo uit dan wanneer men wel met huurverhogingen
rekening kan houden. De manoeuvreerruimte is echter niet groot: gaat men op het
maximum zitten van wat in regeringsnota's voor de komende jaren als wenselijk
wordt genoemd, dan krijgt men onherroepelijk met tekorten te maken als de huur-
verhoging in enig jaar lager wordt vastgesteld dan de verhoging waarvan aanvan-
kelijk werd uitgegaan. Zo wordt in de nota 'Volkshuisvesting in de jaren negentig'
uitgegaan van een gewenste jaarlijkse huurverhoging van 5,5%, maar zoals de
praktijk laat zien, kan dat ieder jaar opnieuw onderwerp van politieke besluitvor-
ming worden. Men moet dus een reëel nivo zien te kiezen tussen 0 en 5,5%. Op

110
subsidie op grond van de 'Tijdelijke regeling geldelijke steun liftplaatsing bij be-
staande woongebouwen' (1993) kan niet worden gerekend, want die regeling is
alleen bedoeld voor woongebouwen die nog niet van een lift waren voorzien.

4.5.2. veranderbaarheid van hef CASCO


In dit onderdeel wordt onderzocht wat voor veranderingen mogelijk zijn, om op
basis daarvan na te gaan hoe flatgebouwen bouwtechnisch aangepast kunnen
worden voor een nieuw gebruik. Strikt genomen zou in theoretische zin een serie
van veranderingen aangegeven kunnen worden waar al dan niet gebruik van ge-
maakt wordt. Hier is er voor gekozen om een aantal veranderingen te benoemen
en daarna na te gaan of en op welke wijze veranderingen gerealiseerd kunnen
worden. De onderzochte veranderingen kunnen daarna eventueel weer veralge-
meniseerd worden.
De onderzochte veranderingen zijn:
a Het realiseren van een tweede toegang naar het trappehuis via de balkon-
zijde. Een doel hiervan is een tweede vluchtroute te creëren voor die gebruiksop-
lossingen waarbij de galerijoplossingen naar portiekoplossingen worden

---
omgebouwd zodat, uit een oogpunt van brandveiligheid, een andere vluchtroute
gewenst wordt. Een ander doel kan gelegen zijn in; het omkeren van het ontslui-
tingssysteem . Balkonzijde wordt dan galeri jzijde. Het voordeel van een dergelijke
oplossing is, het omdraaien van het flatgebruik. De voorkant van de flat kijkt dan
niet langer uit, op de achterkant van de flat ertegenover. Voorkanten kijken dan uit
op voorkanten en achterkanten op achterkanten, hetgeen de woonkwaliteit kan be-
vorderen.
b Het uitbouwen van de begane grond en eventueel de eerste verdieping.
Doelen zijn; het noodzakelijkerwijze op enige afstand moeten lopen van het ver-
diepingengebouw, daardoor kunnen voetgangers vanaf de bovengelegen galerijen
en balkons gezien worden. Ook kunnen op de begane grond woningen gereali-
seerd worden, opnieuw met het doel om het kontakt met binnen en buiten te ver-
groten, zonder dat dit al te veel ten koste gaat van de bergruimten.
c Het opbouwen van een extra verdieping. Veel van de middelhoge woonge-
bouwen zien er uit alsof de bovenkant geen beeindiging heeft. Opbouwen of af-
toppen van de flat heeft nauwelijks een architectonische betekenis. Door de
bovenste verdieping duidelijk afwijkend te maken, ontstaat er een gevarieerder
beeld met een gevelbeeld aan het maaiveld dat afwijkt van tussenliggende verdie-
pingen waarvan de beeindiging, opnieuw individueel is opgelost. Door een aantal
verschillende dakbeeindigingen te ontwikkelen krijgt elk woongebouw, binnen het
complex, een eigen identiteit.
d Het uitbouwen van woningen tot bijv. aan de buitenkant van de galerij .
Hierdoor ontstaan vertikale geledingen in het middelhoge woongebouw, wat een
tegenwicht vormt voor het sterke horizontale karakter, dat de flats kenmerkt. Tevens
ontstaan portiekoplossingen welke tegemoetkomen aan aspekten, die te maken heb-
ben met bijv. individualiteit en sociale controle.
e Het uitbouwen van balkons. Het doel is het vergroten van de privé buiten-
ruimte.
f Het koppelen van twee vertrekken tot een woonruimte. Het gekozen con-
structiesysteem kent een heel smalle beukmaat. Perforen van de dragende tussen-
wanden geeft betere mogelijkheden van gebruik.
g Het afsluiten van de galerijen . Enerzijds kan bereikt worden dat overdekte
binnenruimten gaan ontstaan . Anderzijds kan de binnenruimte zo ontwikkeld wor-
den dat er een semi- privé binnengebied ontstaat, zoals bijv. in het D.W .L.-gebouw
in Rotterdam is toegepast.
h Aanpassen van de woondifferentiatie.
Voor de genoemde gevallen a tot en met h is Hoogoord als case-study gebruikt.

a het realiseren van een tweede toegang naar het trappenhuis via de balkonzijde
Een doel hiervan is een tweede vluchtroute te creeren voor die gebruiksoplossin-
gen, waarbij de galerijoplossingen naar portiekoplossingen worden omgebouwd,
zodra uit een oogpunt van brandveiligheid een andere vluchtroute gewenst wordt.
Een ander doel kan gelegen zijn in het omkeren van het ontsluitingssysteem .
Balkonzijde wordt dan galerijzijde. Het voordeel van een dergelijke oplossing is
het omdraaien van het flatgebruik. De voorkant van de flat kijkt dan niet langer
uit op de achterkant van de flat ertegenover. Voorkanten kijken dan uit op voor-
kanten en achterkanten op achterkanten, hetgeen de woonkwaliteit kan bevorderen .
Huidige toestand (zie tekening al
Indien de balkons op een zeker peil liggen, dan ligt de aansluiting van het huidi-
ge trappehuis er altijd 1,4 meter onder of boven . Om tot een direkte aansluiting
van balkon met het trappehuis te komen zijn er twee principes denkbaar, te weten :
1 Waarbij de balkonplaten links en rechts worden weggenomen en vervangen
door nieuwe betonnen geprefabriceerde balkonplaten, die deels als balkonplaat,
deels als trapplaat zijn uitgevoerd . Om op het tussenbordes te komen moeten in
de doorgaande betonwanden gaten gezaagd te worden van 2,1 x 0,9 meter.
Alvorens de gaten te zagen dienen op de kruispunten van de zaaglijnen gaten ge-
boord te worden om te voorkomen dat de zaaglijnen elkaar gaan snijden . Bij

112
1--1-""".,;'c========~~"""I""""I
trappehuis

balkon

:: : : galenj :: ""
" " "

-
\ variant a variant b
huidige toestand ~sluit aan op het bestaande tussenbordes trap van nivo tot nivo

tekening a; al, a2 en a2b

wanden van 180 mmo zoals hier het geval is kan grotendeels vanuit een kant ge
zaagd worden. Door tot aan de hoeken enkelzijdig te zagen zijn zeer grote boor-
gaten op de hoeken nodig van ca 300 mm hetgeen het resterende beton ver-
zwakt. Door ter plaatse van de vier boorgaten aan twee kanten te zagen kunnen
de gaten kleiner gehouden worden tot gaten van ca 150 mm o Om het te verwijde-
ren beton af te voeren zijn twee extra gaten nodig . (zie tekening 03, 04, 05 en
05 1)
In technische zin verandert er weinig . De betonnen gietbouwwanden blijven geheel
doorlopen tot in de fundering . Vanaf 1,4 meter boven peil wordt een serie gaten
in de wand gezaagd . Gezien het gegeven dat het betonnen gevelvlak over het
balkon gemeten ca 1,35 m bedraagt blijft er een doorgaande kolom over van
1,35 - 0,9 = 0,45 meter, die op elke 2,8 meter gesteund wordt door de tussen-
bordesvloeren .
Het gevelaanzicht veranderd sterk als gevolg van de diagonale traplijnen . De ge-
bruikskwaliteit van de flats links en rechts neemt af. Deels als gevolg van een klei-
ner oppervlak dat als balkon gebruikt kan worden , voor een ander deel omdat het
diamant zaag

--_...
..... ';..,_ .......... ..............,... . - , ......... _....... _".-.. _... _.........

a ~ inzaaggebied b ~ inzaaggebied
voorbij de kruising voorbij de kruising
boorkern ~ 2b boorkern ~ 2b

tekening a3 en aS

', '" 4': . ',:


. ' • • • " .'
.', . :: IIÎ

boorkern boorkern 2b • ... . ~'

A·" ' .. '-

1
tekening a4 en aS

114
r-
I
I
I
I
I
I
1400
rl
I
:
I
I fr&~,"0r
7$0 :
I I
I I
.;':~~~J
I I
,.

-
U')

tekening a6 en a7

uitzicht van binnenuit gedeeltelijk belemmerd wordt door de trap .{tekening a6)
Alternatieven zijn hierop nog denkbaar door het trapdeel als nivo's te zien. In ge
val van brand dienen dan bijv. optreden van 0,7 meter genomen te worden, wat
heel wel mogelijk lijkt. De gaten voor de deuren kunnen in een dergelijk geval la-
ger worden, waardoor er een oplossing ontstaat, die tussen een deur en een luik
inzit. Het belangrijke voordeel van een dergelijke oplossing is dat er geen beper-
king ontstaat voor wat betreft het uitzicht en de verhoogde stoep een eenvoudige
zitgelegenheid biedt voor de bewoner van de flats direkt naast de trappehuizen .
(tekening a7)
2 Waarbij het trappehuis een zodanige indeling krijgt, dat het balkon en het
trappehuis op hetzelfde nivo komt. Om dit te realiseren dienen de prefab trappen
verwijderd te worden, de tussenbordessen te worden gesloopt, alsmede het vloer
deel tussen huidige lift en trappen te worden verwijderd . Het nieuwe trappehuis
kan volledig in prefab worden uitgevoerd, nadat verzinkte hoekstalen als opleggin-
;;;;;;;;;;:..._ _ _ _ _ _
~
I
I
I
I
I
I
I
t e kening b: bl , b2 en (rechtsonder) b3
o
gen aan de trappehuiswanden zijn ver-
ankerd. Na het plaatsen van de nieuwe o
trappehuiselementen dienen openingen
in de wanden gezaagd te worden zoals
hiervoor is beschreven. (tekening a en
---- --
2b)
,
\
\
\
\
b het uitbouwen van de begane grond I

en eventueel de eerste verdieping


Doelen zijn het noodzakelijkerwijze op
detaillerlng "
enige afstand moeten lopen van het ver- afhankelij k
diepingengebouw. Daardoor kunnen van gewenste
opbouwen
voetgangers van de bovengelegen gale-
beeld

116
rijen en balkons gezien worden. Ook kunnen op de begane grond woningen gere-
aliseerd worden om het kontakt met binnen en buiten te vergroten zonder dat dit
al te veel ten koste gaat van de bergruimten. (zie tekening b)
De doorsnede over de bestaande toestand laat zien dat de funderingssloof enigs-
zins uitsteekt ten opzichte van de dwarswanden. Een dergelijke detaillering is ge-
bruikelijk voor de middelhoge woongebouwen . De werkwijze voor aanpassing IS In
technische zin eenvoudig en kan als volgt worden uitgevoerd :
- verwijder de bovenliggende galerijplaten;
- verwijder het beton van de consoles;
- ruw het beton van de koppen van de dwarswanden op;
- monteer in de koppen van de dwarswanden korte ankers;
- verleng de dwarswanden en breidt de verdiepingsvloeren uit;
- isoleer de bovenkant via omgekeerd dakprincipe met grote beloopbare tegels
of pas als drainagelaag zeer open asfalt beton (zoab) toe. (tekening b2 en b3)
Een bezwaar in het gebruik kan zijn dat de vloer als uitbreiding van het systeem
en als vervanging van de galerij en balkon platen enigszins onder het vloernivo
komt te liggen van de bestaande vloeren. In architectonische zin kan er ook ge-
bruik van gemaakt worden door de uitbreidingen als serre ruimte toe te voegen
waardoor de uitbreiding als toegevoegde zone wordt gedetailleerd, en het niet uit-
maakt dat de vloer iets lager ligt.
In technische zin verandert er weinig. De betonnen gietbouw wanden blijven ge-
--
heel doorlopen tot in de fundering. Het moment dat door het aan te storten wand-
deel op de dwarswanden wordt uitgeoefend kan heel makkelijk door de wapening
van de consoles naar de wanden worden overgedragen .
De extra belasting als gevolg van de uitbreiding is zeer gering en kan eenvoudig
door de aanwezige fundering worden opgenomen.

c het opbouwen van een extra verdieping


Veel van de middel hoge woongebouwen zien er uit alsof de bovenkant geen be-
eindiging heeft. Opbouwen of aftoppen van de flat heeft nauwelijks een architecto-
nische betekenis. Door de bovenste verdieping duidelijk afwijkend te maken
ontstaat er een gevarieerder beeld met een gevelbeeld aan het maaiveld dat af-
wijkt van tussenliggende verdiepingen en waarvan de beeindiging opnieuw indivi-
dueel is opgelost. Door een aantal verschillende dakbeeindigingen te ontwikkelen
krijgt elk woongebouw binnen het complex een eigen identiteit.
Dit type aanpassing heeft in konstruktieve zin nauwelijks konsekwenties . De aanpak
is eenvoudig . De oorspronkelijke dakisolatie die bestaat uit kanaalplaten dik 70
mm en afgewerkt volgens de toenmalige vebidak code B2 dan wel door de later
aangebrachte eenlaagse dakbedekking met 50 mm grind dient verwijderd te
worden. Daarmee kan op voorhand al gesteld worden dat deze belasting waarbij
opgeteld de 0,5 kN/m2 voor sneeuw of dergelijke gemakkelijk gerelateerd kan

uit te bouwen flat

verticale
o uit

ontsluiting
te bouwen flat

tekening d: dl en (onder) d2

nieuwe galerij plaat

neopreen

::.. ~ . ...: ..::' '~".:'


-
. doorsnede uitgebouwde flat
i . p . v . galerijplaat
· .:. . .. . :. ... ~ .. .:. ·. f ._ .

118
worden aan de nieuwe karakteristieke belasting voor het gebruik als woningvloer
van 1,5 kN/ m2 Versterking van vloeren is dus niet nodig.
Wanden kunnen bijv. als steensmuren boven op de bestaande gegoten betonnen
wanden geplaatst worden, terwijl het dak als licht dak of als zwaar dak uitge-
voerd kan worden . Indien gekozen wordt voor een lichte dakkonstruktie dient wel
goed rekening gehouden te worden met de eisen van behaaglijkheid. Indien we de
doorsnede bekijken dan zien we al dat de konstruktieve opbouw van de dakkon-
struktie exact hetzelfde is van die van een normale verdieping . De kopwanden van
de flats dienen voor wat het buitenspouwblad betreft gekontroleerd te worden of
boven op het bestaande blad nog een verdieping geplaatst kan worden zonder
dat de toegestane 10,5 meter hoogte voor het buitenspouwblad overschreden
wordt.

d het uitbouwen van woningen tot bijv. aan de buitenkant van de galerij
Hierdoor ontstaan vertikale geledingen in het middelhoge woongebouw wat een te-
genwicht vormt voor het sterke horizontale karakter dat de flats kenmerkt. Tevens
ontstaan portiekoplossingen welke tegemoetkomen aan aspekten die te maken heb-
ben met bijv. individualiteit en sociale controle.
Het principe van de aanpak is gelijk aan dat wat beschreven is onder B Het uit-
bouwen van de begane grond en eventueel de eerste verdieping. Ook nu worden -
de wanden verlengd. Ter plaatse van de aansluiting met de galerij moeten deur-
openingen opgenomen worden in het aan te storten wanddeel. Bovendien dient het
aan te storten wanddeel voorzieningen te krijgen voor het dragen van de buiten -
schil alsmede de nieuwe in te korten balkonplaten . De gegoten wanden krijgen
een buitengevel isolatie, alsmede een buitenspouwblad waarvoor elk geschikt geveI-
materiaal gebruikt kan worden. (tekening dl , d2 en d3)

e Het uitbouwen van balkons


Het doel is het vergroten van de prive buitenruimte. Verschillende principes zijn
mogelijk, zoals::
- De geprefabriceerde console kan de extra belasting dragen die ontstaat door-
dat de galerijplaat of balkonplaat wordt vervangen door een bredere. De balkon-
piaat zal dan vervangen dienen te worden door een plaat die aan de einden
dwarsdragers heeft, zodat de geprefabriceerde betonplaat uit kan steken buiten de
aanwezige console.
- De geprefabriceerde betonconsole kan de extra belasting niet dragen. De con-
sole moet hoger worden . Consoles worden afgezaagd. De wapening wordt door
11111I111111111111 !
DDDDDDDl

111111111111111111 iI
DDDDDDD .

111111111111111111 :
DDDDDDDl

'111111111111111111 i
tekening d3

elektrisch lassen verlengd. Een nieuwe, hogere, console wordt over de wapening
geschoven en door injecteren verbonden . Varianten hierop zijn het verbinden door
elektrisch lassen van de uit de wand stekende stekken met de wapening van de
console. Op de consoles worden nieuwe galerij of balkon platen geplaatst.
- De consoles blijven gelijk van hoogte en worden verlengd .
De helft van de belasting wordt via een hangkonstruktie naar het dak gevoerd,
waarna de belasting via een portaalkonstruktie wordt teruggevoerd naar de dra-
gende wanden. Het kan eenvoudiger zijn om de betonnen consoles af te zagen en
te vervangen door verzinkte stalen balken, die aan de ene kant verbonden worden
aan de betonnen schijven door middel van korte ankers en aan de andere kant
verbonden worden aan de hangconstructie.
- De consoles blijven gelijk van hoogte en worden verlengd.
De helft van de belasting wordt via een dragende constructie naar beneden afge-
voerd, waarna de belasting via een schijfconstructie wordt overgedragen naar de

120
dragende wanden. Vervanging door een verzinkte stalenconstructie volgens een ge-
lijksoortig systeem is eveneens mogelijk.

f het koppelen van twee vertrekken tot een woonruimte


Het gekozen constructiesysteem kent een heel smalle beukmaat. Perforeren van de
dragende tussenwanden geeft betere mogelijkheden van gebruik. Bovendien ont-
staat er door het verplaatsen van de gevelpui in een van de twee beuken een z-
kamer woning waarbij gelijkertijd de diepte van het terras meer dan een meter
groter wordt. Dit type ingreep is een van de meest vergaande. Er kan voor twee
opties gekozen worden : (tekening f: fl en f2)
1 de optie waarbij ter plaatse van de doorgang een hoogte gecreeerd wordt die
overeenkomt met de deurhoogte. De schijf is dan nog steeds nadrukkelijk aanwe-
zig. Omdat de vertikale wandwapening doorgezaagd wordt dient de dwarskracht
zo klein te blijven dat deze door het ongewapende beton kan worden opgenomen .
Een berekening laat zien welke overspanning mogelijk zou zijn. De vloeren in
Hoogoord hebben een konstruktieve hoogte van 0 , 1 2m met een afwerkvloer van
O,05m . Uit een oogpunt van luchtgeluidisolatie is de massa van 4kN/m2 in feite
laag. Een zwevende vloer zou om die reden meer voor de hand liggen. Omdat
een zwevende vloer lichter is zal toch gerekend worden met de zandcement af-
werkvloer, de max. overspanning is 3 , 6m .
--
Per strekkende meter gat levert dit een rekenwaarde voor de dwarskracht op van :

l , 2 . 3 , 6 . (O , 12+0,05) . 1 . 24kN/m3 17,6kN/m


l , 5 . 3,6 . 1,5kN/m2 8,1 - /-
totaal 25,7kN/m

dwarskracht/m overspanning = 25,7kN/2 = 12 , 9kN

Met een hoogte van de doorgang van 2,1 m blijft max O, 7m wand over. Voor
deze berekening houden we O,6m wandhoogte aan . De rekenwaarde van de
schuifspanning die door het ongewapende beton kan worden opgenomen stellen
we op O,65N/mm2 . De maximale vrije overspanning indien alleen gekeken
wordt naar de dwarskracht is:

(O,65N/mm2. 180mm. 600mm hoogte) : (12900N) = 5,44m.


Dit is een zeer grote overspanning .
11 11 11 11 11 11
I

I
I
11 11 11 11 11 11 11 11 11 11
!I " "
" "
It

" !I !I
"

tekening f: fl en (onder) f2

view

11 11 11 11 11
I I I

I
I
11 11 11 11 .,11 11 11 .,11 .,11 11
" "
" !I "
" !I

122
3 .6
I" m
·1

.. ~
~
". . . or.. ,I):'" ~ '.
~
- ~~:. .~ ... ~~:- ~ .... ~ .

tekening f3 en (onder) f4
-

·pla·ttegrond·

4x 1 i j nbewapening
op de vloer 5 x 100 nun
De wapening voor buiging, die hier bij hoort bedraagt:

1/12 . 25 , 7 . 5 , 16 .5,16= 63kNm

Uitgaande van een nuttige hoogte van O,6m en een vloeispanning voor het staal
dat toegevoegd moet worden is minder dan 500mm2 onder en boven nodig.
Door wapening op de vloer en onder de balk en wand te lijmen en te bescher-
men tegen brand met een laag spuitbeton kan hier aan worden voldaan .
2 de optie waarbij ter plaatse van de doorgang een hoogte gecreeerd wordt die
overeenkomt met de verdiepinghoogte. De schijf is dan minder nadrukkelijk aanwe-
zig. De vloer moet nu het gat overspannen. De normale ontwerpcriteria zijn van
kracht. Dat betekent voor Hoogoord met de aanwezige geringe vloerhoogte van
0, 12m dat een doorgang met een breedte van 30 .0, 12m = 3 , 6m mogelijk is.
(tekening f3)
Wapening is hiervoor nauwelijks aanwezig. Dit betekent dat voor deze oplossing
wapening toegevoegd moet worden . Het toevoegen van wapening kan op verschil-
lende manieren gebeuren . Een daarvan is het zagen van sleuven in de vloeren en
daar in wapening brengen en dicht grouten. Het probleem hier is dat de in de
vloer aanwezige wapening of doorgezaagd wordt of de toegevoegde wapening zo
hoog komt te liggen dat dit problemen geeft bij het overbrengen van spanningen.
Een tweede oplossing is het ophangen van een nieuw net onder de vloer en een
verbinding met spuitbeton tot stand brengen . Voor de wapening op de vloer kan
de afwerkvloer in een druklaag worden veranderd. AI met al een (te) ingrijpende
verandering, die ook nog behoorlijke gewichtskonsekwenties heeft. Als oplossing
ligt meer voor de hand om aan de vloer wapening te lijmen en die met bijv.
spuitbeton dan wel de zand-cement afwerklaag tegen te hoge temperaturen bij
brand te beschermen. (tekening f4)
Voor de bepaling van de globale hoeveelheid wapening gaan we ervan uit dat
een vloerstrook met een breedte van 1 meter ter plaatse en in de richting van de
wanden de vloerbelasting moet kunnen overdragen . Doordat de vloerstrook relatief
slap is in relatie tot de dragende wanden , zullen de wanden iets meer belasting
naar zich toetrekken . De vloerstrook krijgt daardoor iets minder te dragen. We re-
duceren de belasting daarom tot 80%, de belasting op de vloerstrook tussen de
wanden bedraagt 80%.

25,7kN/m = 20 , 56kN/m
Md = 1/12. 20,56 . 3,6 . 3,6 22,2kNm

124
Indien de wapening op de vloerstrook wordt aangebracht dan is de nuttige hoogte
gelijk aan de vloerhoogte van 120mm
z = de inwendige hefboomsarm = 0,9.120mm.
De vloeispanning van het staal = 240 N/mm2
de benodigde hoeveelheid wapening is:

(22,2.10E6)/(0,9.120.240) = 857mm2
medewerkende vloerbreedte = 1000mm
wapenings percentage bedraagt dan (857.100)/(1000 . 120) = 0,71%

Door wapening zowel in het veld als ter plaatse van het steunpunt aan te brengen
kan elastisch gewapend worden. Het probleem is de spuitbeton bescherming aan
de onderzijde welke invloed heeft op de nagestreefde vorm van het plafond.
Een andere optie kan zijn om de wapening alleen aan de bovenkant van de vloer
aan te brengen. De vloer wordt dan plastisch gewapend. De momentensom veran-
dert niet. Het kan zijn dat in het veld betontrekspanningen worden overschreden
en er een scheur optreedt. Dit heeft overigens niets met de veiligheid te maken.
De rekenwaarde van het elastisch veldmoment bedraagt 2/3. 22,2kNm = It)
14,8kNm. Indien we voor de strookbreedte voor het veldmoment 2m aanhouden
dan nog zullen trekspanningen gelijk zijn aan : -
N

(14,8 E6)/ (1/6.2000.120.120) 3,08 N/mm2> karakteristieke


treksterkte van 1,8 N / m m 2

de scheurwijdte is bepalend of een dergelijke optie acceptabel is. Als gevolg van
de toegepaste staalbouwmatten is in de strook loodrecht op de spanningsrichting
slechts een wapening aanwezig van rond 6mm h.o.h . 240mm. In de strook van
2000mm is dan 9 rond 6mm = 260mm2 aanwezig. Het moment dat hierdoor
opgenomen kan worden bedraagt 9,33kNm < 14,8kNm.

9 het afsluiten van de ga/eriien


Enerzijds kan bereikt worden dat overdekte binnenruimten gaan ontstaan .
Anderzijds kan de binnenruimte zo ontwikkeld worden dat er een semi- prive bin-
nengebied ontstaat, zoals bijv. in het D.W.L.-gebouw in Rotterdam is toegepast.
In dit type oplossing wordt een semi-prive ontsluitingsgebied toegevoegd, die voor
drie woonlagen dienstbaar is. Doordat keukens uitkijken op het ontsluitingsgebied
is er een permanent toezicht aanwezig. In constructieve zin kan op basis van de
126
-
opbouw van de Hoogoord flat vrij gemakkelijk tot een oplossing gekomen worden .
De gevellijn, die in de bestaande toestand de buitenkant van de galerij bepaalt
kan een meter meer naar buiten opgeschoven worden . De dwarswanden die nu
woningscheidingen zijn, worden verlengd tot 2,5 meter buiten de huidige woning-
gevel. Door het verwijderen van de consoles kan gebruik gemaakt blijven worden
van de wapening .
Het principe van de aanpak is gelijk aan dat wat beschreven is onder b het uit-
bouwen van de begane grond en eventueel de eerste verdieping Ook nu worden
de wanden verlengd.

h aanpassen van de woondifferentiatie


Hiertoe is het nodig om gaten in bestaande wanden te maken . Reeds enkele
malen is beschreven hoe een dergelijke ingreep gedaan kan worden . Als extra ten
opzichte van de overige eerder beschreven ingrepen moeten ook woningscheidende
wanden worden toegevoegd. Omdat de vloeren lichte vloeren zijn moet hier geko-
zen worden voor lichte 'metal stud' achtige oplossingen .

i het hoger leggen van de ontsluiting


Door een talud tegen de flat aan te leggen komen de bergingen onder het nieuwe
maaiveld terecht, waardoor de afstand van de woningen tot het maaiveld geringer
wordt. Het middelhoge woongebouw komt op de grond te staan in plaats dat het
woondeel op de eerste verdieping start. In constructieve zin geeft het talud extra
belasting op het voormalige maaiveld, waardoor dit kan zetten. Een gevolg kan
zijn dat de grootte van de negatieve kleef toeneemt met enige zetting tot gevolg.
Een andere mogelijkheid is om de ruimte te benutten en als het ware een ring van
'rug'woningen aan de flat toe te voegen . Ook op deze manier kan de klassieke
architectonische indeling aan de flat teruggegeven worden.

4.6 Zoeken naar oplossingen voor Hoogoord

4.6 .1 Aanpak voor het zoeken naar oplossingen


Uitgangspunt voor dit onderzoek is verbetering van de bestaande situatie. Om uit-
eindelijk tot een verantwoorde beslissing te komen, omtrent concrete aanpassingen
aan het woongebouw kunnen - in het algemeen - achtereenvolgens de volgende
acht stappen worden gezet:
1 Inventarisatie, analyse en beoordeling van de problemen.

128
Dit kan plaatsvinden met behulp van hoofdstuk 3. Aspecten voor van analyse gale-
rijflats .
2 Onderzoek naar randvoorwaarden .
Welke randvoorwaarden spelen een rol bij het zoeken naar oplossingen voor de
betreffende galerijflat? Hierbij kan gedacht worden aan bijv. financieële randvoor-
waarden en het bestemmingsplan .
Voor Hoogoord zijn deze twee stappen van het proces reeds doorlopen . In para-
graaf 4 .4 is Hoogoord getoetst aan de in hoofdstuk 3 beschreven aspecten. In pa-
ragraaf 4.5 zijn de randvoorwaarden bij het zoeken naar oplossingen voor
Hoogoord reeds beschreven . De volgende stappen zijn :
3 Formulering van doelen.
Wat dient minimaal te worden bereikt, welke uitgangspunten worden gehanteerd
en welke afwegingscriteria kunnen worden geformuleerd?
4 Selectie van mogelijke maatregelen .
Welke principemaatregelen of combinaties van maatregelen zijn nodig om de ge-
stelde doelen te bereiken? Hierbij kan gedacht worden aan bijv. compartimentering
van het gebouwen vernieuwing van entrees.
5 Ontwikkeling van verbeteringsvoorstel/en voor het betreffende gebouw.
0-
Essentieel zijn de mogelijkheden die het gebouw biedt voor verandering, de veran-
derbaarheid en aanpasbaarheid.
6 Analyse en beoordeling van de verbeteringsvoorstel/en.
-
N

Voldoen de geschetste oplossingen aan de gestelde uitgangspunten en randvoor-


waarden , onder meer m.b.t. financiële consequenties?
7 Keuze voor een voorstel.
8 Concrete uitwerking van het gekozen voorstel.
In paragraaf 4.6 zul/en achtereenvolgens de derde tot en met de vijfde stap aan
bod komen, te weten; een beschrijving van doelen, selectie van mogelijke maatre-
gelen, ontwikkeling van oplossingsvarianten en tenslotte in paragraaf 4.7 de zesde
stap, beoordeling van de mogelijke varianten .

4.6.2 Doelen
In deze fase van het onderzoek dient de gewenste situatie te worden beschreven .
Het doel is tweeledig. Als doel voor deze fase van het onderzoek m.b.t. Hoogoord
kunnen we stel/en het oplossen van de in paragraaf 4.4 gesignaleerde problemen
m.b.t. Hoogoord en het verbeteren van (de beleving van) de woonsituatie door
middel van bouwkundige maatregelen aan het gebouwen m.n. aan de gevels. Het
onderzoek m.b.t. Hoogoord is op zijn beurt weer een methode om te komen tot
inzicht in bouwkundige aanpassingen ter verbetering van galerijflats en uiteindelijk
tot aanbevelingen voor mogelijke aanpassingen van galerijflats in het algemeen.
Als (deel)doelstellingen voor Hoogoord zouden kunnen worden geformuleerd :
Selectie van mogelijke maatregelen en ontwikkeling van bouwkundige verbeterings-
voorstellen gericht op:
- de eerder genoemde doelgroepen (zie 4.4.1);
- verbetering van het imago;
- vermindering van criminaliteit en onveiligheidsgevoelens en toename van sociale
veiligheid en netheid (onder meer opheffing van anonimiteit, verhoging van sociale
controle).
- toegankelijkheid van het gebouw voor iedereen (inclusief gehandicapten);
- het vergemakkelijken van de oriëntatie rondom en in het gebouw;
- verbetering van de bouwtechnische kwaliteit van de woningen;
- verbetering van de bouwfysische kwaliteit van de woningen;
- vergroting van de herkenbaarheid van het gebouwen de herkenbaarheid van
delen van het gebouw (ontsluitingselementen en woningen) en;
- doorbreken van de eenvormigheid van de gevel: verhoging van de complexiteit
van de gevel en verhoging van contrast in de gevel.
Deze doelstellingen zijn afgeleid uit de eerder beschreven aspecten en kunnen
weer verder worden gespecificeerd of onderverdeeld.
In paragraaf 4.4 is Hoogoord getoetst aan de verschillende aspecten waarbij glo-
baal de belangrijkste maatregelen ter oplossing van de gesignaleerde problemen
zijn genoemd. Bij ieder gesignaleerd probleem kan een doelstelling worden gefor-
muleerd ter oplossing van dit probleem, bijv.:
Probleem: De schaal van de bebouwing en de wijze van ontsluiting leiden tot
anonimiteit.
Doelstelling: Opheffing van anonimiteit.
Mogelijke maatregel: Schaalverkleining van het gebouwen de ontsluiting, door
middel van compartimentering van gebouwen ontsluiting.

130
Aan de hand van paragraaf 4.4 kunnen we het volgende overzicht geven van een
onderverdeling van mogelijke doelstellingen en criteria en de belangrijkste daarbij
horende maatregelen :
- Verbetering van de woonsituatie gericht op de genoemde doelgroepen, onder
meer door realisering van 3-kamerwoningen en verbetering van het uiterlijk van
het gebouw.
- Toename van sociale veiligheid (en netheid).
- Verbetering van zichtbaarheid en aanwezigheid van sociale ogen.
- Opheffing van anonimiteit, door schaalverkleining van het ge
bouwen de wijze van ontsluiting door middel van onder ande
re compartimentering .
- Verhoging van sociale controle vanuit de woning, door
middel van situering van woningen op de begane grond
en waar nodig verplaatsen van bergingen, alsmede even
tueel (plaatselijk) uitbouwen van de begane grond en de
eerste verdieping.
- Opheffing onoverzichtelijke situatie binnenstraat, bijv.
door opheffing van de binnenstraat.
- Zorgdragen voor zicht op entrees en bergingen, bijv.
door nieuwe entrees te realiseren en deze ten opzichte
--
van het gevelvlak naar voren te plaatsen .
- Verhoging van betrokkenheid/verantwoordelijkheid, door
schaalverkleining en privatisering, onder meer door middel van
compartimentering en door middel van het opheffen van de
monotone vormgeving .
- Verhoging van de attractiviteit van het gebouw, door middel
van schaalverkleining en verbetering van het uiterlijk van het
gebouw.
- Verbetering van de ontsluiting (toegankelijkheid en vluchtwe
gen) onder meer door middel van het opheffen van (de probl
men m.b.t.) de binnenstraat, het compartimenteren van galerij
en en het aanbrengen van nieuwe entrees.
- Verbetering van de toegankelijkheid van het gebouw voor iedereen (inclusief ge-
handicapten) door middel van aanpassing van het hoogteverschil tussen de galerij-
vloeren en de aansluitende vloeren en door beperking van de loopafstanden, bijv.
door middel van het toevoegen van liften.
- Vergemakkelijking van de oriëntatie in en rondom het gebouw, onder meer door
bij aanpassing van de ontsluiting zorg te dragen voor zichtbaarheid van de ver-
bindingen, goede bewegwijzering en opeenvolging van elementen .
- Verbetering van de bouwtechnische staat en verbetering van de bouwfysische
staat.
- Verbetering van het uiterlijk van de gevels, onder meer door doorbreking van de
veelvuldige herhaling van gelijke elementen, door ontsluitingselementen in de gevel
te benadrukkenen en m.n. de entrees, door de horizontaliteit te doorbreken, door
verbetering van bewegwijzering, door groepen woningen in de gevel herkenbaar
te maken, door verhoging van de complexiteit, door het gebouw in herkenbare
delen te verdelen en door verhoging van het contrast, alle door middel van vorm,
materiaal en kleur.
Hiermee zijn we aangeland bij de volgende paragraaf waarin we nader op de
mogelijke maatregelen in zullen gaan .

4.6.3 Overzicht van mogelijke maatregelen


In hoofdstuk 3 werden de belangrijkste aspecten of criteria beschreven waarop ga-
lerijflats kunnen worden beoordeeld. Uit de toetsing van Hoogoord aan die criteria
in paragraaf 4.4. kwamen een aantal problemen naar voren .
Willen we oplossingsvarianten gaan ontwikkelen en daarvoor een duidelijk beeld
krijgen van de wenselijke maatregelen aan de verschillende gebouwdelen , dan is
een rangschikking wenselijk waarbij alle maatregelen aan het betreffende bouw-
deel bij elkaar staan . De verschillende maatregelen hebben we gerangschikt in de
volgende categorieën :
Maatregelen m.b.t. de woning(en) (A) :
- Maatregelen m.b.t. de woning (A I)
- Maatregelen m.b.t. de woningdifferentiatie (A 11).
Maatregelen m.b.t. het gebouwen de ontsluiting (B):
- Algemene maatregelen m.b .t. het gebouw(B I) .
- Compartimentering van het gebouwen de ontsluiting (B 11).
- Algemene maatregelen m.b.t. de ontsluiting (B lil) .
- Maatregelen m.b.t. de bergingen(B IV) .
Maatregelen m.b.t. de gevel (C)
Deze categorieën maatregelen kunnen worden gerelateerd aan de verschillende as-
pecten C.q. problemen, zoals in matrix 1 wordt weergegeven .

132
Gebouwen
ontsluiting (B)

1 Sociaal

;:;
H
5 Functioneel
ruimtelijk
e
C!> ;:;
Z H
H
..:
rol
H
e >
H
3 Bouwtechn . +
;:;
E<
z r.l
e
Bouwfysisch
e r:J
H
E<
H
E<
H
Z
rol
C!>
p
~
0
~ ... Z
H
C!>
4 Vo r m I'l
rol '"
:0:
0
CIl

~
..:
rol
C!> tJ 0 I'l

Matrix 1

De pijlen in de matrix geven aan op welke wijze het onderstaande 'Overzicht van
mogelijke maatregelen Hoogoord' is samengesteld. Er is dus gekozen om per
groep aspecten (bijv. groep 1 Sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten, waartoe de
aspecten; doelgroepen, imago en sociale veiligheid behoren) achtereenvolgens de
maatregelen m.b.t. de woning (AL de maatregelen m.b.t. het woongebouw en de
ontsluiting (B) en tenslotte de maatregelen m.b.t. de gevels (C) te ordenen . Achter
-
iedere maatregel is tussen haakjes het aspect vermeld waarbij de maatregel een
oplossing kan zijn . De achtergrond van de betreffende maatregel kan dan a.h.v.
de aspectsnaam worden teruggezocht in hoofdstuk 3 Aspecten voor analyse van
galerijflats.

Overzicht van mogelijke maatregelen


1 Mogelijke bouwkundige maatregelen Hoogoord m.b.t.
sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten
A Maatregelen m.b.t. de woning(en)
AI Woning
- Maken van serres of erkers aan de balkonzijde van de woningen (sociale ogen
en zichtbaarheid) .
- Eventueel (plaatselijk) uitbouwen van woningen aan de galerijzijde (sociale
ogen en zichtbaarheid).
All Woningdifferentiatie
- Situeren van woningen op de begane grond en als gevolg daarvan verplaatsen
van de bergingen {sociale ogen en zichtbaarheid}.
- Zo mogelijk realiseren van differentiatie in woningtypen {m.n . realiseren van 3-
kamerwoningen} door aanpassing van 1e verdieping en realiseren van woningen
op de begane grond, eventueel in combinatie {maisonnettes} en/of eventueel re-
aliseren van 3-kamerwoningen door middel van herstructurering van A-kamer- en
2-kamerwoningen . {doelgroepen en imago}.
- Het verminderen van het totale aantal woningen en het verminderen van het
aantal verdiepingen per gebouw in combinatie met het realiseren van 3-kamer
woningen is voor de betrokkenheid van de bewoners bij de woonomgeving wel-
iswaar gunstig, maar is zowel vanuit financieel als sociaal {beheer} oogpunt
waarschijnlijk geen reële oplossing. {betrokkenheid, verantwoordelijkheid, territo-
rialiteit en attractiviteit}.
B Maatregelen m.b.t. het gebouwen de ontsluiting
B I Gebouw
- {Plaatselijk} uitbouwen van de begane grond en eventueel de eerste verdieping
{sociale ogen en zichtbaarheid}.
- Eventueel realiseren van gemeenschappelijke ruimte{n} {sociale veiligheid}.
Bil Compartimentering gebouwen ontsluiting
- Verminderen van de grootschaligheid door compartimentering van het gebouw
{attractiviteit} .
- Compartimenteren van het gebouw, waarbij het gebouw wordt opgedeeld in
kleinere eenheden, waardoor galerijen korter worden en minder woningen aan
een galerij(gedeelte} gelegen zijn {betrokkenheid, verantwoordelijkheid en territo-
rialiteit}.
- M.b.t. de schaal van de bebouwing en de wijze van ontsluiting: het gebouw
opdelen in kleinere eenheden, compartimenten met een beperkt aantal woningen
Compartimenteren van de galerijen, toevoegen van nieuwe entree's, extra liften
en trappehuizen {sociale ogen en zichtbaarheid} .
- Compartimenteren van de binnenstraat {betrokkenheid, verantwoordelijkheid en
territorial iteit}.
- Compartimenteren of opheffen van de binnenstraat en eventueel in samenhang
daarmee situeren van de entreehalletjes en toegangen {ook voor bezoekers} op
de begane grond {toegankelijkheid/vluchtwegen} .
Bil I Ontsluiting
- Aanbrengen van ramen van woningen naar de binnenstraat {sociale ogen en
zichtbaarheid}.
- Opheffen van de binnenstraat bijv. door maisonettes {begane grond en eerste

134
verdieping) te realiseren (sociale ogen en zichtbaarheid).
- Privatiseren van de binnenstraat, uitbreiden van de woningen ten koste van de
oppervlakte van de binnenstaat, realiseren maisonnettes (betrokkenheid, verant
woordelijkheid en territorialiteit).
- Afsluitbaar maken van de binnenstraat (toegankelijkheid/vluchtwegen).
- Opheffen of veranderen van de onderdoorgangen en de daarin gelegen nood
entrees en toegangen tot bergingen (sociale ogen en zichtbaarheid) .
- Situatie loopbruggen in relatie tot parkeren opnieuw bezien (sociale ogen en
zichtbaarheid).
- Opheffen loopbruggen (toegankelijkheid/vluchtwegen).
- Zorgdragen voor zicht op entrees. Entreehal, lift en trappehuis moeten vanaf
de straat goed zichtbaar zijn (sociale ogen en zichtbaarheid).
- Privatiseren van de galerijen door middel van vorm, kleur- en materiaalgebruik.
(betrokkenheid, verantwoordelijkheid en territorialiteit)
- Aanbrengen van verlichting m.b.t. semi-openbare ruimten in en rond het ge-
bouw waar nodig (sociale ogen en zichtbaarheid).
- Aanpassen van verlichting bij de toegangen in de entreehalletjes, liften en trap-
penhuizen (attractiviteit) .
- Toepassen van kleur en eventueel andere materialen in entreehalletjes, liften en
trappehuizen (attractiviteit).
BIV Bergingen
-
- Zorgdragen voor zoveel mogelijk zicht op bergingen: bijv. de toegang tot de
bergingen in de entreehal leggen, en de bergingen compartimenteren zodat
slechts een beperkt aantal bergingen via een toegangsdeur bereikbaar is of ber
gingstoegangen realiseren die zichtbaar zijn vanuit de woning of vanaf buiten
door de ontsluitingsgang in de dwarsrichting van het gebouw te simeren (sociale
ogen en zichtbaarheid).
- Zo mogelijk opdelen van de bergingen in clusters waarbij elk cluster aan een
galerij of (deel van een) compartiment woningen wordt toegewezen [streven naar
een relatie tussen cluster en stijgpunt] betrokkenheid, verantwoordelijkheid en ter-
ritorialiteit) .
- Eventueel verder compartimenteren bergingen (toegankelijkheid/vluchtwegen).
- Aanpassen van de verlichting in bergingstoegangen en bergingsgangen (attrac-
tiviteit).
- Aanpassen van kleur- en materiaalgebruik in bergingstoegangen en bergings-
gangen (attractiviteit).
C Maatregelen m.b.t. de gevel
Algemene maatregelen m.b.t. de gevel :
- Verbeteren van het uiterlijk van het woongebouw (o.m. het afwerkingsnivo)
(doelgroepen en imago).
- Verbeteren van het uiterlijk van de gevels (attractiviteit) .

2 Mogelijke bouwkundige maatregelen Hoogoord m.b.t. functioneel-ruimtelijke as-


pecten.
A Maatregelen m.b.t. de woning(en)
Al Woning
- Door een gedeelte van het balkon bij de woning te trekken als serre wordt de
woonkwaliteit nog eens extra vergroot (woontechnische aspecten van de woning).
B Maatregelen m.b.t. het gebouwen de ontsluiting
Bil Compartimentering gebouwen ontsluiting
- Bekorten van de loopafstand entree woningen door het compartimenteren van
de woningen en toevoegen van stijgpunten en entrees en opheffen van de bin-
nenstraat (m .n. in verband met het oplossen van andere problemen) (toeganke-
lijkheid en lichamelijk comfort).
- Een gedeelte van de galerij (bij compartimentering) bij de woning trekken , als
berging en/of als buitenruimte (woontechnische aspecten van de woning).
BIII Ontsluiting
- Nieuwe liften moeten voor wat betreft de afmetingen geschikt zijn voor bran-
cards (toegankelijkheid algemeen).
- Verminderen van hoogteverschillen tussen gemeenschappelijke verkeersruimten
onderling tot max. 0 .02 m dan wel aanbrengen van een hellingbaan, onder
meer rolstoeltoegankelijk maken galerijen (bijzondere toegankelijkheid).
- Voldoen aan voorschriften m.b.t. (bijzondere) toegankelijkheid Hoofdstuk 11 en
111 van het Bouwbesluit m.b.t. nieuwe elementen (entrees, trappehuizen en lif-
ten [bijzondere toegankelijkheid]) .
- Rekening houden met de aanbevelingen 'mogelijke maatregelen' m.b.t. ontslui-
ting en oriëntatie uit hoofdstuk 4 (onsluiting en oriëntatie) .

3 Mogelijke bouwkundige maatregelen Hoogoord m.b.t. bouwtechnische en bouw-


fysische aspecten.
Binnen het kader van mogelijke maatregelen en aandachtspunten voor galerijflats
moet onderscheid gemaakt worden naar maatregelen die betrekking hebben op:
- a correctief onderhoud;

136
- b preventief onderhoud en
- c die gericht zijn op het renoveren van gebouw of flat.
Maatregelen voor zowel correctief als preventief onderhoud zijn natuurlijk van be-
lang . Voor woningbouwverenigingen geschiedt het onderhoud meer en meer plan-
matig en kan als zodanig als preventief gezien worden . Er zullen altijd wel
correctieve maatregelen nodig zijn maar in vergelijking tot vroeger neemt het aan-
deel hierin af als gevolg van beter beheer. Het onderhoud manifesteert zich in
hoofdzaak aan de buitenvlakken en randen van het gebouw. Hier zijn het de be-
schermingslagen, de aansluitingen tussen materialen en de materiaaldegradatie zelf
die een rol spelen . Belangrijke items zijn :
- het voorkomen dat vervormingen verhinderd worden. Indien verhindering van
vervorming in het ontwerp is ingebouwd, zoals bij sommige typen gevelelementen
het geval was, maar ook bij plaatmaterialen die op dragende gevelonderdelen zijn
bevestigd dan is er bijna altijd sprake van schade die alleen hersteld kan worden
door de oorzaak van het verhinderen van de vervorming, weg te nemen.
- het intact houden van beschermingssystemen . In veel gevallen kan dit een
coating zijn, maar ook dienen soms lagen toegevoegd te worden die voorheen niet
beschermd waren zoals bij beton dat in de tijd carbonateert.
Reeds eerder is de conclusie getrokken dat bouwtechnisch gezien de kwaliteit
van Hoogoord goed is. Er is niet veel schade te constateren . De drager kan nog
vele generaties mee. Van het binnenpakket kan gesteld worden dat leidingen en
bepaalde Gibo binnenwanden aan het eind van hun gebruiksperiode zijn en ver-
nieuwd dienen te worden . Los hiervan is er sprake van enige achterstand in on-
derhoud maar dit is eenvoudig te verhelpen .
Veel belangrijker zijn die bouwkundige maatregelen die nodig zijn om het ge-
bouw weer die kwaliteit te geven die past bij deze tijd . Om dat te bereiken moet
het een en ander verbeterd worden en spreken we over renovatiemaatregelen.
Mogelijke maatregelen zijn besproken bij de verandering van het CASCO en ook
de effecten die deze hebben op:

A Maatregelen m.b.t. de woningen


AI Woning
- Het maken, door zagen en boren, van zeer grote gaten in wanden om daar
door grotere vertrekken te formeren. Aanvullende maatregelen voor het verster-
ken van de vloeren horen hierbij.
- Het aanstorten van betonwanden om zo woningen te vergroten tot aan de
balkonzijde.
All Woningdifferentiatie
- Met aanbrengen van lichte woningscheidende binnenwanden, het dichte van
bestaande openingen en het maken van gaten in wanden die nu gesloten zijn
kan een woningdifferentiatie bereikt worden die goed aansluit aan de behoefte.
Elke gewenste differentiatie kan in Hoogoord in principe gerealiseerd worden .

BOUWFYSISCHE MOGELIJKHEDEN (ALGEMEEN) Maatregelen m. b.t. de woning(en)

WONING (A)

1 Geluidwering bu o - Zwevende dekvloeren toepassen .


0 - Geluidprod . ruimten compartimenteren .
H
Ol 2 Contact- / luchtgeluid intern - Dichte keuken (interne br . vermijden) .
0::
- Binnenwanden ontkoppelen van woningscheidende wanden .
~
N
Installatiegeluid - Afsluiting galerij met glasruit (bij grote geluidbelasting) .
0: - Woningsch . wanden verzwaren .
::0
::0 4 Galm - Voorzetwanden voor woningsch. wanden
0
+
::0
5 Vochtproblemen - Raarngrootte en glassoort aanpassen .
Ol - Lichttechnische belemmeringen voorkomen
H
.Cl 6 Luch tverversing + tocht - Vochtbronnen ' isoleren ' .
H

~
Ol
r-----------------------------, - Glazen pui voor galerij
7 Therm . comfort
~
H

'"
0::
Licht
u
(fJ
H
Temp . spanningen - Belemmerende vervormingen vermijden .
(fJ
><
'" 10 I nw . condensatie

11 Warmteisolatie - Buitenoppervlak klein houden (compact bouwen) .


.....QJ
01
I r-----------------------------, - Ruimten met gelijke hogere temp . combineren en zuidelijk
01 ..... 12 Luchtd i chtheid oriënteren (compart . en zoneren) .
>< <=:'0
QJ'r-! ' r-!
<=: ;:l QJ
r-----------------------------, - Op het noorden kleine glasoppervlakk .
Ol N .c 13 En erg ieg ebrui k - Toepassen van onverwarmde serre of afsl . galerij met glas .
- Vergroten inw . luchtweerstand door compart . (dichte keuken) .

figuur 6 A Maatregelen m. b . t . de woningen

B Maatregelen m.b.t. het gebouwen de ontsluiting


BI Gebouw
- Uitbouwen van woningen tot de eerste dan wel tweede verdieping . Het verlen-
gen van de wanden geeft hier de eenvoudige mogelijkheid tot uitbouwen. De
stijfheid van de wanden verdeelt de extra belasting over meerdere palen, zodat
naar alle waarschijnlijkheid geen extra palen bijgeslagen behoeven te worden .

138
De galerij dient aan de bovenzijde geisoleerd te worden, of de extra toegevoeg
de zone dient als een serre of wintertuin aan de woning toegevoegd te worden.
Als bouwtechniek is opnieuw het verlengen van de wanden als basis gebruikt.
- Het omzetten van een galerijoplossing tot een inwendige dubbelhoge corridor
met tussen de corridors een woonlaag. Minder validen dienen geplaatst te wor-
den op het vloernivo van de corridor.
Bil Compartimentering gebouw
Indien tot compartimentering wordt overgegaan dienen vertikale stijgpunten aan
het gebouw te worden toegevoegd. Het betreft een nieuwbouwdeel met een
eigen fundering voor het opnemen van de vertikale belasting van trappen en lif-
ten . De horizontale belasting kan aan het gebouw worden afgedragen, waar
door slank kan worden gedimensioneerd. Hiervan uitgaande kunnen verschillende
bouwkundige oplossingen voor het compartimenteren worden toegepast, zoals:
- Compartimentering door lichte en gesloten afscheidingen op de galerijen die
bouwkundig eenvoudig aan te brengen zijn .
- Compartimentering door sommige flats de galerij binnen de woning te trekken,
zoals eerder beschreven.
- Compartimentering met behulp van een eenvoudige en lichte voorzetgevel, die
aan de galerijen wordt bevestigd. Het woongebouw krijgt daardoor een sterk
gewijzigd beeld waarbij afwisseling ontstaat tussen bijv. de compartimenten die
een nieuw stijgpunt krijgen in samenhang met een voorzetgevel, en de comparti
-
menten die het bestaande inwendige stijgpunt houden. Het toewijzingsbeleid zou
zich bijv. kunnen richten op een differentiatie naar leeftijd (seniorenwoningen)
gekoppeld aan afgesloten galerijen door voorzetgevels.
BIllOntsluiting
De belangrijkste bouwtechnische ingrepen in relatie tot de ontsluiting is die waar
bij de voorkant en de achterkant van de flat wordt omgedraaid . Deze reden is
bij Hoogoord nauwelijks valide, omdat flats in de Bijlmer op relatief grote af
stand van elkaar zijn gesitueerd . Daarmee vervalt deze noodzaak die elders ge
wenst is om te voorkomen dat de 'voorkant' van de flat altijd uitkijkt op de 'ach-
terkant' van de naastliggende flat. In relatie tot bepaalde ingrepen, zoals com
partimentering, waarbij flats tot aan de voorkant van de galerij worden doorge-
trokken kan een tweede vluchtweg over de balkons tot een oplossing leiden .
Bouwtechnisch gezien kan door wegslopen van het bestaande trappehuis en in
vullen met een nieuw geprefabriceerd trappen- huis, zoals eerder beschreven
deze oplossing worden gerealiseerd.
Het wegnemen van de anonimiteit van de binnenstraat door het aanbrengen van
BOUWFYSISCHE MOGELIJKHEDEN (ALGEMEEN) Maatregelen m. b.t. gebouwen ontslui ting

GEBOUW EN ONTSLUITING (B)

Geluidwering buo - Leidingschachten combineren.


r-----------------------------~ -Gebalanceerde ventilatiesysteem bij hoge ext. geluidbelasting.
2 Contact- / luchtgeluid intern - Geluidsarme installaties en sanitair toepassen.
- Trillingsvrije bevestiging c . q ophanging van trap en leuning.
Installatiegeluid - Ruimte rond leidingen afdichten.
- Geluidabsorb . voorz . onder bordessen.
4 Galm

5 Vochtproblemen

6 Luchtverversing + tocht

7 Therm . comfort

Licht

Temp. spanningen

10 Inw . condensatie

11 Warmteisolatie - Gebalanceerd vent. systeem met warmteterugwinning.


- Zonneboiler voor warm tapwater .
12 Luchtdichtheid - HR-ketels .
- Serres voor voorverwarming ventilatielucht .
13 Energiegebruik

f i guur 7 B Maatregelen m. b . t . het gebouwen de ontsluiting

ramen kan gelijkertijd gerealiseerd worden met het smaller maken van de bin-
nenstraat. De binnenstraat wordt zo meer een binnengalerij, terwijl de gebieden
tussen de kolommen geprivatiseerd kunnen worden door de bewoners. De in
greep is een zeer eenvoudige en houdt in feite in het slopen van de bestaande
en het metselen van een nieuwe woningscheidende wand met deur en ramen .

C Maatregelen m.b.t. de gevel


De gevel bij galerijflats omvat meer dan de materiële scheiding tussen binnen en
buiten . Ook de buitenruimte dient bij de gevel betrokken te worden . Sterker nog,
bij middelhoge woongebouwen is vrijwel alleen de buitenruimte in de vorm van
galerijen of gekoppelde balkons zichtbaar en geven deze het horizontale karakte-

140
BOUWFYSISCHE MOGELIJKHEDEN (ALGEMEEN) Maatregelen m.b .t. de gevel

GEVEL (C)

1 Geluidwering bu o - Detaillering, goede kierdichting .


- Suskasten en akoestisch glas .
2 Contact- / luchtgeluid intern - Ra-borstwering> Ra-glas + 10dB(A) .
- Aansluiting woningscheidende wand en gevel afdichten (min.
Installatiegeluid wol + kit) .

4 Galm
+
5 Vochtproblemen - Dubbel glas of extra iso1 . glas .
- Inpakken slecht geïsoleerde plekken .
6 Luchtverversing + tocht - Luchtdoorlatendheid verkleinen .
- Radiatorplaatsing .
7 Therm . comfort - Luchtverversing via onverwarmde ruimte .
- Begane grondvloer luchtdicht maken .
8 Licht

Temp. spanningen - Belemmerende vervorming opheffen


- Thermisch en hygrische beoordeling van gevels en daken.
10 Inw. condensatie - Aanbrengen dilataties en isolatie .

11 Warmteisolatie - Beter isoleren .


- Luchtdichtheid gevels verhogen .

-
12 Luchtdichtheid - Inpakken van slecht geïsoleerde plekken .

13 Energiegebruik

figuur 8 C Maatregelen m. b . t. gevel

aan de gevel;
In technische zin kan en zal er regelmatig onderhoud getroffen worden aan de
gevel. Ook verbeteringen zijn hier mogelijk. Gedeeltelijk in de aanpassing van de
isolatiekwaliteit door verbetering van opbouw van in kozijnen opgenomen panelen,
vervangen van onderhoudsgevoelige materialen, of door toepassing van betere ge-
veldichtingen samen met gerichte ventilatiemaatregelen . Kwalitatieve verbetering
wordt daardoor natuurlijk bereikt, maar wordt nauwelijks zichtbaar. Wel worden
de kosten voor bewoner en organisatie voor het gebruik geringer, er zijn daarom
(alleen al) kwalitatieve verbeteringen nodig . Meer ingrijpende maatregelen hebben
betrekking op:
- vergroten van de buitenruimte, waarbij de bestaande galerij en balkonplaten
vervangen worden door bredere, naast eventuele aanpassing van consoles.
- Het toepassen van hang of steunconstructies voor het afdragen van belasting
van de grotere balkons en galerijen, waardoor er vertikale elementen in het ge
velbeeld worden geintroduceerd .
- Het aanbrengen van voorzetgevels waardoor het buitenklimaat gewijzigd wordt
in een tussenklimaat. Met het toepassen van voorzetgevels zijn sterke veranderin-
gen in het gevelbeeld te realiseren .
Er zal globaal worden aangegeven op welke wijze het ontwerp aangepast zou
kunnen worden om de bouwfysische prestaties van de gebruiksruimten en de
bouwdelen te vergroten (blok 9; zie figuur 7, hoofdstuk 3.3.2) .
De bouwfysische oplossingsmogelijkheden hebben betrekking op de fysische aspec-
ten binnenmilieu, duurzaamheid en energiezuinigheid. Van de woning, gebouwen
ontsluiting en de gevel worden per fysisch aspect enige willekeurig gekozen oplos-
singsmogelijkheden in de figuren 6 t/m 8 gegeven . De gegeven lijsten zijn zeker
niet volledig; de gegeven oplossingsmogelijkheden moeten als eerste aanzet tot een
completere lijst worden gezien.)

4 Mogelijke bouwkundige maatregelen Hoogoord m.b.t. vormaspecten


B Maatregelen m.b.t. het gebouwen de ontsluiting
BlIlOntsluiting
- Aanbrengen van een naambord op het gebouw (interpretatie van informatie).
- Aanbrengen van een naambord of ruimtelijk symbool op de entrees (interpreta-
tie van informatie).
- Toepassen van glazen toegangsdeuren in entrees in verband met visueel bereik
(organisatie van het waarnemingsveld) .
- Zorgdragen voor zicht op lift en trap bij het betreden van het entreehalletje
(organisatie van het waarnemingsveld) .
- Ook intern benadrukken van de ontsluiting door middel van kleur en vorm (se-
lectie van informatie).

C Maatregelen m.b.t. de gevel


Gevel-woningen en ontsluiting :
- Verbijzonderen van een groep woningen (bijv. per compartiment) door middel
van vormgeving (richtingsverandering, uitspringing ten opzichte van het gevel
vlak), detaillering, materiaalgebruik, tekstuur, contrast en kleur (selectie van infor-
matie).
- Leggen van relatie tussen vorm en functie (functionele betekenis) door de woon
functie en de ontsluiting door middel van vormgeving, kleur- en materiaalge-
bruikte onderscheiden (interpretatie van informatie).

142
Gevel-compartimentering gebouwen ontsluiting:
- Realiseren van een geleedheid in de totaalopbouw door compartimenteren en
het herkenbaar maken van ontsluitingselementen door middel van vormgeving,
materiaal en kleurgebruik (verhoging van de complexiteit).
- Herkenbaar maken van de compartimenten door middel van vormgeving, kleur-
en materiaalgebruik, bijv. door middel van het dichtmaken van galerijen of bal-
konnetjes, of in relatie tot bijv. het situeren van woningen op de begane grond
en/of het wijzigen van de woningdifferentiatie (interpretatie van informatie).
- Toepassen van kleur, gekoppeld aan compartimenten en ontsluitingselementen
(verhoging van de complexiteit).
- Realiseren van een verspringende daklijn en/of verschillende dakvormen, ge-
koppeld aan compartimenten en stijgpunten (verhoging van de complexiteit).
- Aanbrengen van verschillende dakvormen, dakhoogten, gerelateerd aan com
partimenten en ontsluitingselementen (contrast) .
Gevel-ontsluiting:
- Verplaatsen van entrees naar de gevels en verbijzonderen door middel van
vormgeving (richtingsverandering, uitspringing ten opzichte van het gevelvlak),
detaillering, materiaalgebruik, tekstuur, contrast en kleur (selectie van informatie).
- Herkenbaar maken van nieuwe entrees in het gevelbeeld als figuur door mid
del van een duidelijke omlijning, herkenbare vorm, continuiteit van de acher
grond en vooruitspringing ten opzichte van het gevelvlak (organisatie van het
-
waarnemingsveld).
- Verbijzonderen van bestaande en nieuwe stijgpunten in het gevelbeeld door
middel van vormgeving (richtingsverandering, uitspringing ten opzichte van het
gevelvlak) en door detaillering, materiaalgebruik, tekstuur, contrast en kleur (se-
lectie van informatie) .
- Herkenbaar maken van nieuwe en bestaande stijgpunten als figuur door middel
van een duidelijke omlijning, herkenbare vorm, continuiteit van de achtergrond
en vooruitspringing ten opzichte van het gevelvlak (organisatie van het waarne
mingsveld).
- Plaatsen van stijgpunten of entrees onder een bepaalde hoek met de gevel
(verhogen van de complexiteit) .
- Realiseren van nieuwe stijgpunten en entrees op (op het eerste gezicht) wille
keurige plaatsen, asymmetrische plaatsing (verhogen van de complexiteit) .
- Afwijkend vormgeven van (nieuwe) stijgpunten en entrees (door bijv. gebruik te
maken van gebogen lijnen) (verhogen van de complexiteit) .
- Speels vormgeven van de nieuwe stijgpunten en entrees (contrast).
Gevel, galerijen en balkons:
- Verminderen van de dominante horizontale indruk van galerijen en balkons
door middel van vormtoepassingen (bijv. andere vormen toevoegen op bijv. wille
keurige plaatsen in de gevel) (selectie van informatie) .
- (Plaatselijk) afwijkend vormgeven van galerijen en balkons, bijv. aanbrengen
van ronde balkonnetjes (verhoging van de complexiteit) .
- Realiseren van nieuwe richtingen in het gevelvlak door middel van (aanpassing
van de) vorm van galerijen en/of balkons (verhoging van de complexiteit).
- Aanbrengen van inspringende (Ioggias) en uitspringende geveldelen (erkers,
serres, balkonnetjes) (verhoging van de complexiteit) .
- Realiseren van serres op (op het eerste gezicht) willekeurige plaatsen, aanpas-
sen van balkons e.d. (verhoging van de complexiteit).
- Plaatselijk van vorm veranderen en speels vormgeven van galerijen en balkons
(contrast) .
Gevel algemeen :
- Toepassen van andere dan rechthoekige vormen , bijv. vierkante of ronde vor-
men of ronde lijnen (verhoging van de complexiteit) .
- Bij het toevoegen van nieuwe elementen of aanpassing van bestaande elemen-
ten nieuwe richtingen introduceren (schuine of geknikte vlakken) (verhoging van
de complexiteit) .
- Variëren van vorm en grootte van onderdelen en elementen (verhoging van de
complexiteit) .
- Aanbrengen van onregelmatige afstanden, asymmetrie, een niet direct te door
gronden regelmaat (verhoging van de complexiteit) .
- Eventueel aanbrengen van versieringen e.d. (verhoging van de complexiteit).
- In het algemeen afwisselen van vormen, onverwachte wendingen, speelse vor-
men, contrast in grootte, kleur- en materiaalgebruik (contrast).
- Aanbrengen van een derde dimensie in de gevel (nieuwe stijgpunten) (con-
trast) .

4.6.4 Ontwikkeling van oplossingsvarianten voor Hoogoord

4.6.4.1 Invloed van eisen m.b.t. brandwerendheid op mogeliike ontwerpoplossin-


gen voor Hoogoord en ontwikkeling van oplossingsvarianten voor de 2e tlm 70e
verdieping
Een van de conclusies, die uit het hoofdstuk vormaspecten getrokken kan worden,
is dat de hoofdvorm van het gebouwen de onderverdelingen ervan in de vorm

144
van inspringingen en uitstulpingen zeer bepalend zijn voor de beleving ervan .
In het komende hoofdstuk wordt gezocht naar mogelijkheden om de hoofdvorm
te veranderen door middel van het toepassen van een ander ontsluitingsprincipe.
Door het galerijprincipe gedeeltelijk te verlaten en te vervangen door een ander-
soortige ontsluiting, kan de monotone, horizontale uitstraling van het gebouw door-
broken worden .
Doel:
- Onderzoeken in hoeverre het mogelijk is om de galerijen gedeeltelijk dicht te
zetten, zodat een gesloten gevel of uitbouw gerealiseerd kan worden .
- De flats compartimenteren per gedeelte van een galerij, d.w.z. dat er minder
mensen op een galerijgedeelte zijn aangewezen, zodat deze elkaar sneller als
buren beschouwen.
- Ook de bergingen compartimenteren, d.w.z. dat er meerdere groepjes berg-
ruimten over het gebouw verdeeld worden, die gebruikt worden door een be-
kend , vast groepje buren, waardoor de onpersoonlijke sfeer van deze plek
vermindert.
- Mogelijkheden onderzoeken om deze bergruimten zo dicht mogelijk bij de wo-
ning te situeren .
Een van de middelen om de galerijen te kunnen doorbreken is het veranderen van
het ontsluitingsprincipe van het gebouw. Wanneer bijv. overgegaan wordt van een
galerijontsluiting op een portiekontsluiting, heeft een deel van de galerijen zijn
-
functie verloren, zodat dit desgewenst dichtgezet of zelfs uitgebouwd kan worden.
In het hiernavolgende hoofdstuk wordt onderzocht wat de consequenties van deze
ingreep zijn t.a.v. de brandveiligheidseisen.

Van galeriiontsluiting naar portiekontsluiting; ruimteliike consequenties t.o. v. de wo-


ningen In het vorige hoofdstuk zijn de eisen voor brandveiligheid, zoals deze in
het Bouwbesluit staan vermeld, thematisch behandeld . Deze thema's omvatten naast
het gedrag van brand en rook, de vluchtmogelijkheden van de gebruikers.
Bij het tot stand komen van een ruimtelijk ontwerp van een gebouw of bouwdeel
kan het thema 'vluchten bij brand' van zeer ingrijpende aard zijn . Immers; wan-
neer niet van te voren rekening is gehouden met vluchtmogelijkheden voor de ge-
bruikers, kan het gebeuren dat achteraf allerlei onvoorziene maatregelen nodig
zijn, zoals bijv. het plaatsen van extra hekwerken en brandtrappen om een veilige
vluchtmogelijkheid voor de gebruikers te introduceren. Soms moet het hele ontwerp
in een (te) laat stadium nog ingrijpend gewijzigd worden .
Door al vanaf het begin van het ontwerpproces rekening te houden met vlucht-
mogelijkheden, kan dikwijls voorkomen worden dat uiteindelijk gekozen moet wor-
den voor geforceerde oplossingen en het gebruik van dure materialen, omdat een
goedkopere oplossing binnen het ruimtelijk ontwerp niet meer mogelijk is.
Om deze reden wordt hieronder allereerst ingegaan op de ruimtelijke consequen-
ties t.a.v. vluchtwegen .
Vluchtwegen In hoeverre voldoet een flat als Hoogoord aan de eisen van het
Bouwbesluit ten aanzien van de aanwezigheid van vluchtwegen?
In ruimtelijke zin geeft de galerijflat een redelijke bescherming. Immers:
- Vanuit iedere woning is het mogelijk in twee richtingen te vluchten .
- De trappehuizen zijn voorzien van toegangen vanaf de buitenlucht. In die zin
voldoen ze dus aan belangrijke voorwaarden voor een veiligheidstrappehuis in de
zin van het Bouwbesluit.
- De trappehuizen liggen 53 meter uit elkaar. Er wordt dus voldaan aan de eis
van de maximale afstand tussen de toegang van een woning en de toegang van
een vluchttrappehuis van 45 meter (zie tekening 77) .
- Ook de afstand tussen de toegang van de woning en die van de brandweerlift
voldoet aan de maximumeis van 90 meter. (zie tekening 77)
Wanneer wordt overgegaan tot een portiekontsluiting met afsluiting van de gale-
rijen door deze te betrekken bij het binnengebied van de woning , worden de
twee vluchtwegen gereduceerd tot één.
Dit is slechts mogelijk onder bepaalde voorwaarden . Onderzocht zijn de volgende
vier mogelijkheden (zie tekening 90) :
1 De naast een bestaand stijgpunt gelegen woningen worden direct op dit
stijgpunt aangesloten . Bekeken wordt of het mogelijk is de galerij bij de bestaande
woning te betrekken, waardoor de woning vergroot wordt en de gevel een ander
aanzien kan krijgen .
2 Idem 1, maar dan zo dat de vergrote woning opgedeeld kan worden tot
twee woningen . In principe zal dit vooral voor de aan de kopgevel gelegen wo-
ningen interessant zijn .
3 Een bestaand stijgpunt wordt gebruikt om twee of vier woningen te ontslui-
ten, waarbij telkens één van de woningen gepasseerd moet worden in geval van
vluchten bij brand. Bij de buitenste woningen zou een gedeelte van de galerij ge-
sloten en bij het binnengebied betrokken kunnen worden , waardoor de gevel van
aanzien verandert.
4 Een extra stijgpunt wordt toegevoegd voor de ontsluiting van telkens twee,
drie of vier woningen per laag (verder als bij punt 3) .
ad 1 Woning direkt aan trappehuis. (zie tekening 9b) . Volgens 7.2 moet bij

146
woongebouwen met een vloer op meer dan 13 meter hoogte, minstens één vlucht-
weg door een veiligheidstrappehuis gaan . Hieraan kan worden voldaan door de
pui aan de toegangszijde van het trappehuis meer naar binnen te leggen, zodat
een gedeelte van het trappehuis 'buitengebied' wordt. Wanneer de toegangen van
de woningen op dat buitengebied uitkomen, kan in principe aan deze eis voldaan
worden.
De galerij aan de voorkant van het gebouw kan geheel bij de woning betrokken
worden, terwijl het balkon aan de achterzijde en/of aan de kopgevel als buiten-
ruimte voor de woning behouden blijft. Het is echter wel zo, dat door deze in-
greep het comfort bij het thuiskomen niet verbetert t.O.V. de huidige situatie. Nog
altijd staat men in weer en wind de huissleutel te zoeken, zij het dat het nieuw
gecreëerde entreegebied meer beschut ligt dan de huidige voordeur aan de smalle
galerij. Ook aan 7.1.2., het passeren van maximaal één andere woning, kan in
principe voldaan worden. Er wordt immers slechts één woning gepasseerd, voordat
men het veiligheidstrappehuis bereikt. In de te passeren woning mogen geen te
openen ramen e.d. zitten en de toegangen van de woningen moeten recht tegen-
over elkaar liggen. Wel moet het trappehuis aan de eisen van vluchtweg voldoen .
Door de aanwezigheid van de reeds bestaande betonnen zijwanden zal dit weinig
problemen opleveren.
ad 2 (Kop}woning aan trappehuis opsplitsen tot twee woningen. (zie tekening
70) . Dit is alleen toegestaan wanneer de toegangen van de twee kleinere woning
-
recht tegenover elkaar liggen en beide aan een buitenruimte liggen. Deze oplos-
sing voldoet echter niet helemaal aan het voorschrift, aangezien ook de woning
gepasseerd wordt, die aan de andere zijde van het trappehuis ligt. Desondanks
lijkt het goed mogelijk de naar het trappehuis toegekeerde zijde van die woning
zo uit te voeren, dat hij ruim voldoet aan de criteria van een scheiding tussen
vluchtweg en woning (brandcompartiment) . Men zou zich dan echter moeten be-
roepen op het gelijkwaardigheidsbeginsel, d.w.z., dat hier niet aan de voorschrif-
ten voldaan wordt, maar toch een gelijkwaardige bescherming wordt bereikt.
ad 3 Een bestaand stijgpunt gebruiken om drie woningen te ontsluiten . (zie teke-
ning 70). Hierop wordt niet verder ingegaan, aangezien hetzelfde probleem op-
treedt als bij punt 2, nl. het passeren van een derde woning, die aan de andere
zijde van het trappehuis ligt.
ad 4 Een extra stijgpunt toevoegen voor de ontsluiting van twee, drie of vier wo-
ningen per laag . (zie bestaande toestand en ad 4 [al]). Het maximum aantal op
dergelijke wijze te ontsluiten woningen bedraagt vier. Door het trappehuis in het
midden te leggen, wordt slechts gevlucht langs één ander compartiment (een ande-
,..

• voormalige galerij

bestaande toestand

ad .

ad .
w .:
kopg.". I
W
~ W
ontsluiting naar
ander trappehuis

ad . ' ~==:::;:::==:::::r-,:::==:;:::==;;=;
w w

ad . ,
,
w w w W I ,i
i

t:l 15.<
i

.y i
i

148
(linkerpagina [van
1 inksboven naar
linksonder] )
tekening 9a
(deze pagina van
rechtsboven naar bestaande toestand

rechtsonder)
tekening 9b ad . 1
ad . 2 en ad . 3
zijn tekening 10

i . ....
!I
c=.,
pui naar binnen leggen

~#
ad. 2
inspringen bouwmassa

ad. 3

woning 11
(onder) tekening lOb

nieuwe regelgeving
50 rrun Rockwool Dens . 45 kg type 211

,1 -
10 rrun Nesporex
]Dwarsdoorsnede wand (Nesporex / houten regelwerk
t

LL Interdens twee stroken rondom

150
re woning) . Wanneer men niet akkoord gaat met één deur naar het trappehuis,
kunnen twee deuren toegepast worden . Men voldoet dan zéker aan de eis van het
passeren van maximaal één woning . Ook moet aan de volgende voorwaarden vol-
daan zijn:
- De toegangen van de woningen moeten recht tegenover elkaar liggen.
- In de (gevel van de) te passeren woning mogen geen bewegende delen zitten.
- De vluchtweg moet aan alle eisen van een vluchtweg voldoen.
- De wand die de scheiding tussen de vluchtweg en de woning vormt moet vol-
doen aan de eisen tussen vluchtweg en brandcompartiment.
Dit ontsluitingsprincipe heeft op het gebied van bouwkundige maatregelen veel
consequenties. Er moet immers een kompleet nieuw stijgpunt toegevoegd worden .
Daarentegen levert het veel mogelijkheden tot verandering van de gevel en van het
totale beeld van het woongebouw. Het gedeelte van de vroegere galerij, dat bij
het binnengebied van de woning getrokken wordt, zou bovendien nog uitgebreid
kunnen worden d.m.v. een overstek of een uitgebouwde constructie. Doordat deze
verschillende vormen aan kan nemen, kan aan allerlei esthetische wensen voldaan
worden . Om genoemde redenen is dit principe dan ook wat verder uitgewerkt.

Koudebruggen . Aspekten van bouwfysica zijn in dit onderzoek buiten beschouwing


gebleven. Het is duidelijk dat er een warmtelek zal optreden tussen de binnen- en
--
buitengelegen betonvloeren als er niets aan warmteïsolatie wordt gedaan . Hoewel
dit lek in de bestaande situatie ook optreedt, verdient het uiteraard de voorkeur dit
ongemak te verhelpen, wanneer een verregaande renovatie plaats vindt.

Nadere uitwerking van mogelijkheid 4, een extra stijgpunt (zie tekening 7 7).
Wanneer we Hoogoord beschouwen, zijn er drie plaatsen waar het extra stijgpunt
geprojekteerd zou kunnen worden . In de tekening zijn deze aangegeven als va-
rianten a, b en c. De varianten a en c voldoen in principe aan de (ruimtelijke) re-
gels omtrent vluchtwegen, terwijl bij variant b een kanttekening zou moeten
worden geplaatst, zoals eerder genoemd bij punt 2 en 3. Immers, de bewoners
van de beide kopgevelwoningen passeren niet alleen elkaars woning, maar ook de
woning die aan de andere kant van het trappehuis ligt. Deze heeft weliswaar
geen te openen delen en de aan het trappehuis grenzende wand kan in principe
uitstekend brandwerend gemaakt worden, maar de situatie voldoet toch niet geheel
aan de regels.
Bij variant a is het aantal woningen gelijk gebleven aan de oude toestand, terwijl
er bij de varianten b en c een extra woning is toegevoegd, hetzij door het splitsen
1 uw I'" I
1.tU 1u_Ia. I

ad . '~:~~
I
,
I

152
(linkerpagina) tekening 11

van een kopwoning, hetzij door het introduceren van een woning, die uit twee
smalle beuken bestaat. Voor het verkrijgen van een goed functionerende platte-
g rond, zou het in het laatste geval (variant c) noodzakelijk zijn een flink gedeelte
van een dragende betonwand te verwijderen en/of een relatief grote uitbouw te
maken, gecombineerd met het verwijderen van een deel van de dragende beton-
wand. Constructief is dit in principe mogelijk. In het zo ontstane bredere gedeelte
zou de woonfunctie ondergebracht moeten worden .

Verdere uitwerking van variant a . (tekening 70) . Binnen deze variant zijn in princi-
pe vele vormen mogelijk. Er zijn hier drie oplossingen aangegeven.
- Oplossing 01 , (zie tekening oplossing 07 , blz 752) waarbij een klein gedeelte
van de bestaande galerij in gebruik blijft als ontsluiting van vier woningen en
een suggestie wordt gegeven voor een uitbouw.
Bij deze oplossing ontstaan twee zeer grote en twee zeer kleine woningen. De be-
staande betonwanden kunnen gehandhaafd blijven . De voorgevels moeten vervan-
gen worden . Voor de toegangen van de twee middelste woningen moeten in dit
geval gaten in de betonwanden gezaagd worden .
- Bij oplossing 02 (zie tekening oplossing 02, blz 752) wordt de bestaande ...
gevel van de twee middelste woning naar achteren verplaatst en de bestaande
galerij voor een groot deel bij het binnengebied van de buitenste woningen ge-
trokken . Nadeel hiervan zou kunnen zijn dat de toch al grote woningen nog
groter worden en de kleine nog kleiner.
Door het doorbreken van de woningscheidende wanden ontstaat echter een wis-
selbeuk, die mogelijkheden biedt voor variatie in het woonoppervlak. De toe te
voegen langswand tussen de twee nieuwe woningen moet uiteraard aan alle
eisen van een woningscheiding voldoen . Dit zou een steenachtige wand van vol-
doende dikte kunnen zijn , hetgeen echter problemen kan opleveren i.v.m. de be
perkte draagkracht van de vloer.
Een lichte wand die volgens de oude regelgeving aan de brandveiligheidseisen vol-
deed, was een houten scheidingswand, die uit twee bladen bestond met ertussen
minerale wol. Aan weerszijden afgewerkt met 2 lagen gipskartonplaat van 12,5
mm of met 1 laag glasvezelgewapend gipskartonplaat bezat deze een brandwe-
rendheid van 60 minuten . De huidige regelgeving spreekt over "brandwerendheid
m.b.t. de scheidende functie" . De eisen en bepalingsmethoden zijn echter veran-
derd (zie bijlagen) . Een wand die recentelijk beproefd is volgens de nieuwe norm
en die in principe voldoet aan de brandveiligheidseisen is de niet dragende schei-
dingswand type Nesporex. Deze bestaat uit vuurehouten stijlen 57 x 57 mm,
h.o.h . 600 mm met ertussen steenwolplaten . Aan weerszijden Nesporex-platen, 10
mm dik. Dit zijn platen op basis van geperste houtspaanders en gips. (zie tekening
7Ob). Om de vereiste geluid isolatie te verkrijgen zal wellicht een variant toegepast
moeten worden met bijv. gescheiden bladen.
Om in de buitenste woningen een goed functionerende woonkamer onder te bren-
gen is het ook hier nodig om de woningscheidende betonwand te doorbreken, het-
zij aan de voor-, hetzij aan de achterzijde. Hierbij ontstaat dan door het
gedeeltelijk samenvoegen van twee smalle beuken een ruimte die geschikt kan zijn
voor de woonfunctie. Bij deze variant worden de toegangen van de vier woningen
in de nieuw te maken gevels geprojekteerd, zodat hier geen betonwand doorge-
broken hoeft te worden . Tevens is hierbij een mogelijkheid geschetst om de balkons
aan de achterzijde gedeeltelijk dicht te bouwen . Hierdoor zou niet alleen de voor-
kant, maar ook de achterzijde van het woongebouw een verbeterd aanzien kunnen
krijgen.
- In oplossing a3 (zie tekening oplossing a3, blz 752) is gepoogd om t.a.v. de
woningoppervlakken vier min of meer gelijkwaardige woningen te maken.
Wanneer de voorgevel uitgebouwd wordt, kan de woonfunctie aan de voorzijde
geprojekteerd worden (bij Hoogoord houdt dit een Noordoriëntatie in). Deze uit-
bouw moet dan uiteraard wat afmetingen betreft aan de voorschriften voor het
wonen voldoen. Voor de middelste woningen en voor alle toegangen moeten de
betonwanden doorgebroken worden .

Wat de drie oplossingen gemeen hebben, is het feit dat die gedeeltes van de
voorgevel die direct aan de enige vluchtweg grenzen, door de eisen waaraan vol-
daan moet worden een tamelijk gesloten karakter zullen krijgen . Dit houdt in dat
het gevaar bestaat dat de kleine galerij, die nog resteert, een tamelijk onherberg-
zame sfeer krijgt. Ook krijgen de twee middelste, kleinere woningen een zeer ge-
sloten voorgevel. De mogelijkheid tot ventileren van deze woningen heeft in dat
geval extra aandacht nodig (vergelijk de zgn. 'rug aan rug' woningen uit vroeger
tijden). Bovendien kan de daglichttoetreding in gevaar komen . Dit kan ondervan-
gen worden door de achtergevel te verbreden, zoals bij de varianten a2 en a3
(zie tekening oplossing a2 en a3, blz 752). De middelste woningen worden aldus
maximaal op het zuiden georiënteerd en er wordt een optimale mogelijkheid gebo-
den om een 'lichte' woning te creëren . Variant a3 lijkt de beste mogelijkheden in
zich te hebben om te kunnen reageren op de geslotenheid van de voorgevel. Door

154
de situering van de toegang liggen zo min mogelijk daglicht-eisende functies aan
de voorzijde van de woning.
De geslotenheid van het entreegebied kan verminderd worden door gebruik te
maken van een tweede vluchtmogelijkheid 'via de achterdeur' (zie tekening 75) .
Basis hiervoor is de uitzonderingsregel, bedoeld voor een portiekflat, nl. dat vol-
staan mag worden met één vluchtweg, als er een tweede toegang aanwezig is met
een vluchtmogelijkheid (zie 7.1.4). Een vluchtmogelijkheid is een van rook gevrij-
waarde route over vloeren, trappen of hellingbanen, waarbij men geen sleutel
nodig heeft. Hiervoor zou de balkongalerij gebruikt kunnen worden . Voordeel hier-
van is dat aan de voorzijde dan niet meer voldaan hoeft te worden aan de eis
van toegangen tegenover elkaar en het verbod om bewegende delen toe te pas-
sen . Wel moet de voorgevel nog aan de eisen van een vluchtweg voldoen . Het ge-
deelte van de vluchtmogelijkheid, dat door een trappehuis gaat, moet uitgevoerd
worden als vluchtweg. (Het gedeelte van de vluchtweg, dat door een trappehuis
gaat, is automatisch uitgevoerd als vluchtweg) . Deze twee gedeeltes vallen in dit
geval samen . Om van deze vluchtmogelijkheid gebruik te kunnen maken zou ter
plaatse van het trappehuis een aanpassing plaats moeten vinden om het tussenbor-
des van de vluchttrap vanaf de achterzijde te kunnen bereiken . Door bijv. een ge- 11)
deelte van de balkons weg te breken en een trapje over de halve
verdiepinghoogte aan te brengen met een extra, zelfsluitende toegangsdeur naar
het trappehuis zou dit theoretisch mogelijk zijn. Wel houdt dit een vrij omvangrijke
-
11)

technische ingreep in .
Waar bovendien rekening mee moet worden gehouden is de privacy van de be-
woners. Zij zullen immers beperkt moeten worden in de inrichting van hun buiten-
gebied vanwege de vereiste kwalificatie als vluchtmogelijkheid . Een nadeel van de
gehele operatie is het feit dat, bij deze oplossing, toch nog een vrij groot gedeelte
van de galerijen en achterbalkons nodig is, voor een goed functionerend vluchtsys-
teem, zodat een ingrijpende verbetering van het gevelbeeld aan de achterzijde niet
als vanzelf plaats vindt. De mogelijkheid die in het verleden wel toegepast werd,
nl. het vluchten via het huis van de buren, voldoet theoretisch niet meer aan de
huidige normen (zie tekening 70) . Immers, de tweede route moet de status van
vluchtmogelijkheid hebben, wat inhoudt dat men van deze route gebruik moet kun-
nen maken zonder een sleutel bij zich te hebben. Het is niet te verwachten dat de
achterdeuren van buren sleutelloos zullen blijven .

Uitwerking enkele woningplattegronden . (zie tekening 72)


bestaande situatie

IIIJ ~ ~IIIJ IJ I U~III] ~


totaal 7 won ingen

< 2 woningen X
~----~
4 won inge n X 1 worling

totaal 7 woningen

2x ~ <~_ _4_wO_n
i n_gen_~>< 2 WOn ingen >

!I

<'------~
3 woningen X 4 won ingen >~ won i n9

c
II
I!~-

156
In het Bouwbesluit worden regels gegeven omtrent het vluchten uit een woning. Bij
punt 9.2. is het uitgangspunt gehanteerd dat men in principe redelijk beschermd
uit een woning moet kunnen vluchten via gangen of trappen . Er moet tussen die
gang en de andere ruimten in een woning een WBDBO aanwezig zijn van 20
minuten . Dit houdt automatisch in dat er duidelijke scheidingsconstructies moeten
zijn tussen gang e.a . ruimtes en dat de gang direct moet uitkomen bij de voordeur
(in het onderzochte projekt) .
De bestaande situatie zou niet aan deze eis voldoen . Bij de huidige woningplat-
tegronden is de gang immers in tweeën gesplitst. Vanuit de drie slaapkamers be-
reikt men via een eerste gang de woonkamer, terwijl van daaruit via een tweede
gang de voordeur kan worden bereikt. Het vluchten was desalniettemin goed gere-
geld, want men kon vanuit een aantal ruimten gemakkelijk door het raam op de
galerij aan de entreezijde komen en van daaruit in twee richtingen naar twee ver-
schillende veiligheidstrappehuizen vluchten .
In tekening 13 wordt een mogelijke plattegrond gegeven, die ook in de nieuwe
situatie aan de eis van vluchten uit een woning, zoals is bedoeld in het
Bouwbesluit, kan voldoen . Er is getracht zo min mogelijk in te grijpen in de be-
staande struktuur van betonwanden . Bij de buitenste woning moet slechts een door-
braak gemaakt worden voor de voordeur. De woonkamer wordt naar achteren
uitgebreid, aangezien een gedeelte van het woonoppervlak door de nieuw te ...
maken gang wordt ingenomen . Een gedeelte van het achterbalkon blijft behouden,
terwijl aan de voorzijde een extra balkon geïntroduceerd wordt. Bij de middelste
woningen moet ter plaatse van de entreehal en het toilet een doorbraak in de be-
tonwand gemaakt worden . De woonkamer is eveneens naar achteren uitgebreid.
De keuken ligt aan de gesloten voorzijde van de woning en zou gedeeltelijk als
inpandig beschouwd moeten worden . Ventilatie van deze woning zou moeten
plaats vinden middels een brandvrije koker, die zich onder de galerij van de bo-
vengelegen woning bevindt.
Tekening 14 toont een situatie met een wisselbeuktype. Bij de buitenste woning
wordt een gedeelte van de betonwand uitgebroken ten behoeve van de woonfunc-
tie. Bij de middelste woningen wordt een doorbraak gemaakt voor de toegangs-
deur. Balkons voor en achter worden gehandhaafd of geïntroduceerd en voor de
ventilatie is een aparte voorziening nodig . Bij deze oplossing is tevens een berg-
ruimte aan één van de woningen toegevoegd . Deze kan echter niet als officiële

(pagina 156 van boven naar onder) tekening bestaande situ-


atie , tekening 12 en tekening 13
Bestaande sItuatIe

s s w s w

158
wonen wonen slapen slapen

aangrenzende wanden
20 mln. brandwerend

IRIIIIIIIIIIIIIIIIIII 30 min. brandwerend

- woningscheidende wand

tekening 14
weggebroken wand
berguimte opgevat worden, aangezien men in dat geval vanuit de middelste wo-
ning een te openen deur (niet de toegangsdeur van de woning) extra passeert in
geval van vluchten bij brand. Om toch aan het Bouwbesluit te kunnen voldoen,
mag de ruimte geen deur naar buiten hebben en moet voor de officiële bergruimte
een andere oplossing gevonden worden .
Behalve deze twee min of meer uitgewerkte oplossingen, zijn er ook andere com-
binaties te verzinnen. Wanneer men meer ingrijpende zaken accepteert, zoals het
doorbreken van betonwanden en het creëren van aan- en uitbouwen, zijn verschil-
lende plattegronden te bedenken . Het is wel zaak niet alleen zoveel mogelijk aan
te sluiten op de bestaande betonconstructie, maar ook rekening te houden met de
ligging van de leidingschachten.

Ruimtelijke consequenties t.o.v. de bergruimten Om reden van de sociale veiligheid


is een situatie zoals deze in Hoogoord momenteel bestaat, met op de begane
grondlaag slechts bergingen, ongewenst. Het situeren van een aantal woningen op
de begane grond zou deze aanzienlijk kunnen verbeteren. (zie hoofdstuk 4.6).
Uiteraard zullen de bergruimten, die dan verdwijnen, ergens anders ondergebracht
moeten worden. Daarvoor zijn de volgende mogelijkheden denkbaar:
1 Een aantal bergruimten verplaatsen van de begane grondlaag naar de eerste
verdieping. Deze verdieping zou dan voor een groot deel heringericht moeten wor-
den . Aangezien de huidige inrichting veel problemen oplevert en de ruimten niet
gebruikt worden op een wijze die de vroegere ontwerpers voor ogen hadden, zou
herinrichting een verbetering van de woonomstandigheden op kunnen leveren.
2 Een aantal bergruimten verplaatsen naar de tweede verdieping en hoger en
bereikbaar maken voor de bewoners van dezelfde laag. Deze mogelijkheid kan als
volgt onderverdeeld worden:
- De bergruimten direct koppelen aan de individuele flatwoningen.
- De bergruimten samenvoegen en compartimenteren tot niet al te grote gemeen-
schappelijke bergingen.
3 Een aantal bergruimten verplaatsen naar de tweede verdieping en hoger en
niet alleen bereikbaar maken voor de bewoners van dezelfde laag, maar ook voor
die van de laag eronder en/of erboven. Deze mogelijkheid kan als volgt onderver-
deeld worden:
- De gemeenschappelijke bergruimten (in het vervolg bergingen genoemd in te-
genstelling tot een enkele bergruimte volgens de terminologie van het Bouwbesluit)
telkens groepsgewijs op één laag en dan verspreid over het gehele woongebouw
situeren.

160
- De bergingen meerdere lagen boven elkaar laten bestrijken en toegankelijk
maken voor woningen op dezelfde lagen dan wel voor woningen boven of onder
het zo gevormde 'bergingenblok' Het berginggedeelte kan zich in de gevel duide-
lijk als blok manifesteren en zich onderscheiden van het woongedeelte, waardoor
een gedifferentiëerd gevelbeeld ontstaat.
vluchten vanuit een bergruimte en een berging In het vorige hoofdstuk zijn een
aantal eisen beschreven die betrekking hebben op dit onderwerp. In punt 6.4
wordt melding gemaakt van een afstand van maximaal 8 m., waarover met één
vluchtweg kan worden volstaan vanaf de toegang van een bergruimte, totdat de
uitgang van de berging is bereikt.
De uitzonderingsregel, die genoemd wordt in punt 7.1, waardoor het toegestaan
wordt vanuit een woning onder bepaalde omstandigheden met één vluchtweg te
volstaan, geldt alleen voor een brandcompartiment, voorzover dit geen berging is.
Voor het vluchten vanuit een berging geldt dus altijd de zwaardere eis, nl. dat
er vanuit de toegang van deze berging twee vluchtwegen aanwezig moeten zijn.
Er mag alleen een uitzondering gemaakt worden als die toegang aan een veilig-
heidstrappehuis ligt. (De formulering in de brochure van VROM 'Brandveiligheid
woningen en woongebouwen' luidt: "volstaan mag zijn met één vluchtweg vanaf
het punt dat de vluchtweg door een veiligheidstrappehuis voert', IV.7.1.) Wel is het
toegestaan om een tweede vluchtmogelijkheid te introduceren via de achterdeur
--
(behandeld onder paragraaf 'Verdere uitwerking van variant a' [zie tekening 10).

Eerste uitwerking van mogelijkheid 3 De mogelijkheid houdt in het samenvoegen


van de bergruimten tot bergingen, deze situeren op de tweede verdieping en
hoger en bereikbaar maken voor bewoners van meerdere lagen. Als voorwaarde
voor het zoeken naar oplossingen voor berguimten is gesteld dat; de oplossingen
moesten passen in de ontsluitingsprincipes en de woningvarianten van de vorige
paragraaf. Allereerst is naar mogelijke indelingen gezocht, waarbij aan de alge-
mene eis van twee vluchtwegen voldaan zou kunnen worden .
Een gehele vleugel van het gebouw Hoogoord telt momenteel 134 bergruimten .
Deze bergruimten bevinden zich op de begane grond en zijn gegroepeerd in vier
groepen van 31 bergingen en een kleine groep aan de kopgevel van 10 bergin-
gen. Het gedeelte dat in tekening 11 onderzocht is, vanaf de kopgevel tot aan het
volgende trappehuis, telt 62 + 10 = 72 bergruimten. Bij gelijk blijven van het aan-
tal woningen zou dit aantal gehandhaafd moeten blijven.
Tekening 15 toont een oplossing met twee vluchtwegen, waarbij alle bergruimten
van het onderzochte bouwdeel op de hogere verdiepingen, in de nabijheid van het
nieuw te bouwen stijgpunt zijn ondergebracht. Deze nieuwe bergruimten zijn be-
doeld voor alle woningen van het hiervoor genoemd gedeelte, vanaf de kopgevel
tot het volgende bestaande trappehuis. De indeling van tekening 15 kan gecombi-
neerd worden met de woningindeling van variant b van tekening 11. Op een wil-
lekeurige laag zijn drie woningen vervangen door drie bergingen, die elk tien
bergruimten bevatten. In totaal zijn zo dertig bergruimten verhuisd van de begane
grondlaag naar een hoger gelegen verdieping. Om aan het vereiste aantal van 72
bergruimten te voldoen, zouden twee à drie lagen voldoende zijn voor het gehele
in tekening 15 geschetste gebouwdeel. De bergingen kunnen, gerangschikt per drie
naast elkaar, verspreid over het gebouw op twee of drie willekeurige verdiepingen
gesitueerd worden, maar zij kunnen ook op twee of drie aan elkaar grenzende
verdiepingen boven elkaar liggen en zich zodoende als een compleet blok in de
gevel manifesteren .
Van de bestaande trappehuizen zijn veiligheidstrappehuizen gemaakt, waarop de
toegangen van de vier overgebleven woningen aansluiten. Deze woningen zijn ge-
deeltelijk uitgebreid met de niet meer als verkeersgebied functionerende galerij of
met een gedeelte van het balkon aan de achterzijde. Bovendien heeft één van de
woningen er een extra beuk bijgekregen .
Door het dicht zetten van de galerijen aan weerszijden van de drie bergingen,
is een tweede vluchtweg vanuit de bergingen aan de voorzijde uitgesloten . Wel is
er een vluchtmogelijkheid aan de achterzijde gecreëerd door de bergingen ook
daar van een toegang te voorzien en een toegang aan de achterzijde van het
trappehuis te forceren . De nadelen hiervan zijn reeds behandeld bij de woningva-
rianten onder de paragraaf 'Verdere uitwerking van variant a' (zie tekening 10).
Een groot nadeel is ook de ligging van de bergingen, die niet logisch is voor de
bewoners van de bestaande trappehuizen . Voor hen ligt de bergruimte immers in
een geheel ander bouwdeel. Zij moeten van twee verschillende liften gebruik
maken om hun bergruimte en daarna hun woning te bereiken .

Een combinatie van 2 en 3 De combinatie betreft het situeren van een berging op
een verdieping en het koppelen van enkele individuele bergruimten direct aan de
woningen . Om meer gelegenheid te hebben voor het afsluiten van galerijen en
balkons, is ook gezocht naar oplossingen, waarbij slechts één vluchtweg vanuit de
berging aanwezig is.
In tekening 16 is uitgegaan van de opzet van variant 11 a met een extra trappe-
huis waarop vier woningen per laag zijn aangesloten, zoals geschetst in het vorige
hoofdstuk. Binnen deze struktuur is het gedeelte van deze vier woningen nu echter

162
: 10 bergruimte n 10 bergruimte n 10 bergruimte n

-
90 bergruim ten als
blok manifes teren
in gevel

tekeni ng 15
5b

tek enin g 16

geheel heringericht. Één van de middelste woningen is 2w


voor een deel vervangen door een berging, die vijf
bergruimten bevat. Deze bergruimten horen bij de mid-
delste woning van de betreffende verdieping en de twee
maal twee middelste woningen van de verdieping erbo-
ven en eronder. De buitenste twee woningen, zowel op
de betreffende, als op de hoger en lager gelegen verdieping, hebben elk hun
eigen privéberging gekregen . De woningplattegronden zijn globaal uitgewerkt, re-
kening houdend met een aantal aspekten, zoals:
- bestaande leidingkokers hergebruiken;
- minder daglicht eisende functies situeren aan de voorgevel i.v.m. de vrij geslo-
ten voorgevel, die de scheiding vormt tussen het brandcompartiment (de woning)
en de enige vluchtweg;
- rekening houden met de eisen uit het Bouwbesluit omtrent vluchten uit een wo-
ning, waarbij men vanuit iedere verblijfsruimte (kamer) via een gang met 20 minu-
ten gegarandeerde brandwerendheid naar de voordeur moet kunnen vluchten.
Bij het inrichten van de middelste woning van de betreffende verdieping doet
zich het probleem voor dat hetzij het aantal kamers niet in evenwicht is met de to-
tale oppervlakte (te weinig), hetzij de totale verkeersruimte niet in evenwicht is met
de totale oppervlakte (te veel). Moge dit indelingsprobleem nog oplosbaar zijn,
dan doen zich nog grotere problemen voor waar het de regelgeving van het
vluchten bij brand betreft. Het gaat hier om in totaal vier brandcompartimenten,
nl.:
1 woning 1 met bijbehorende bergruimte 1;
2 woning 2;
3 woning 3 met bijbehorende bergruimte 3;
4 berging 2.

164
Met een aantal regels is duidelijk rekening gehouden, nl. (zie paragraaf 6.4. van
hoofdstuk 3.3.3. Brandveiligheid):
- De toegangen van woning 2 en woning 3 liggen tegenover elkaar;
- De toegangen van woning 1 en berging 2 liggen tegenover elkaar;
- Vanuit de twee individuele bergruimten is weliswaar slechts één vluchtroute
aanwezig, maar de afstand van de deur van de bergruimte tot het veiligheidstrap-
pehuis is niet groter dan 8 meter. Bovendien is de bergruimte binnen een woning
gelegen (zie Brochure Ministerie VROM 'Brandveiligheid Woningen en
Woongebouwen'). In deze twee gevallen is het toegestaan af te wijken van de al-
gemene eis van twee vluchtroutes vanuit de toegang van een bergruimte.
- De deuren van de bergruimten in berging 2 zijn niet meer dan 8 meter ver-
wijderd van de uitgang van de berging.
- Vanuit woning 1 mag men zijn eigen bergruimte (met deur !) passeren en bo-
vendien het éne andere brandcompartiment, nl. berging 2 (met deur);
- Vanuit woning 3 mag men zijn eigen bergruimte passeren (deze behoort im-
mers bij het betreffende brandcompartiment) en bovendien woning 2 (een ander
brandcompartiment) .
Op de volgende punten voldoet de situatie echter niet aan de eisen voor brand-
werendheid:
- Vanuit berging 2 is het niet toegestaan te vluchten langs een ander brandcom-
partiment, dus in dit geval woning 1 en dan zit er bovendien nog een te openen
-
deur in datzelfde brandcompartiment, nl. die van bergruimte 1.
- Vanuit woning 2 zou men wel mogen vluchten langs woning 3, maar dan
mogen daar behalve de toegangsdeur geen andere te openen delen inzitten . De
deur van bergruimte 3 gooit in dit geval roet in het eten . Overigens is er bij de
oplossing van tekening 16 van uitgegaan dat de geschetste bergruimten ruim vol-
doende zijn voor het betreffende gedeelte van het bouwblok van ... woningen
breed . Er is hier gerekend met 15 bergruimten voor 14 woningen . Voor de wonin-
gen die ontsloten worden via de bestaande trappehuizen moet een vergelijkbare
oplossing gevonden worden van hetzij individuele aan de woning gekoppelde
bergruimten, hetzij gecompartimenteerde bergingen, zoals hiervoor beschreven.

Nadere uitwerking van mogeli;kheid 3 In tekening 18 is getracht aan de bezwaren


tegemoet te komen en een situatie te creëren die wel aan de eisen voldoet. Er zijn
bergingen op de verdiepingen geplaatst, de individuele bergruimten zijn weggela-
ten en de vormgeving van het entreegebied is veranderd . De bergingen zijn mede
toegankelijk voor de bewoners van de andere lagen. Toch zal het de vraag zijn of
.,C). i i ....c:..

~
I

~
i
i
i
i
i
i

II
I
I
I 1 i
i
! I~ J... b
L ~I i II
I

woning 2

._ .. ~

woning 1

...Îm !I

Tekening 18

een dergelijke oplossing geaccepteerd zal worden, aangezien deze zich bevindt in
het grensgebied van het toelaatbare binnen de regels van het Bouwbesluit.
Voor het vluchten uit woning 3 zou men zich willen beroepen op het uitzonde-
ringsgeval van paragraaf 7.1.2., nl. het onder bepaalde voorwaarden mogen pas-
seren van één andere woning . De éne vluchtweg naar het veiligheidstrappehuis is
nl. zo direkt en de afstand tot de toegang van de berging is nu zo groot gewor-
den, dat het de vraag is of gesproken kan worden van "het passeren van een
ander brandcompartiment", zoals het in de officiële formulering luidt. Als men het
geval op zich bekijkt, dan zijn een aantal argumenten aan te dragen om de situ-
atie te rechtvaardigen. De gevel van de berging, die de scheiding vormt tussen het
brandcompartiment berging en de officiële vluchtweg moet aan zulke zware eisen
voldoen, dat niet aangenomen hoeft te worden , dat er snel een uitslaande brand
plaats zal vinden. Aan de andere kant is de kans vrij groot, dat de brand inder-
daad pas in een laat stadium ontdekt wordt en ook dan moeten de bewoners van

166
woning 3 veilig het trappehuis kunnen bereiken . Men zou d.m .v. het berekenen
van de straling moeten aantonen hoe groot de afstand moet zijn tussen de gevel
van de berging en de vluchtroute vanaf de voordeur van de woning tot aan de
deur van het veiligheidstrappehuis. Als men er inderdaad van uit zou mogen gaan
dat geen ander brandcompartiment gepasseerd wordt, hoeven uiteraard ook de
toegangen niet tegenover elkaar te liggen .
Voor het vluchten vanuit berging 2 mag men zich in ieder geval nooit beroepen
op deze uitzonderingsregel, omdat deze niet voor bergingen geldt. De enige mo-
gelijkheid is een beroep op de algemene formulering, nl. dat volstaan mag worden
met één vluchtweg vanaf het punt dat de vluchtweg door een veiligheistrappehuis
voert (zie 7 .1. algemene eis). Met dezelfde redenering zoals toegepast bij woning
3 zou men kunnen beweren dat de berging vrijwel áán het veiligheidstrappehuis
ligt en dat nauwelijks kan worden gesproken van het 'passeren' van een ander of
het eigen brandcompartiment. Ook bij deze oplossing wordt uitgegaan van een
vergelijkbare oplossing bij de bestaande trappehuizen .
Bij tekening 19 worden twee woonbeuken vervangen door twee bergingen . Op
deze manier zijn er slechts twee verdiepingen nodig om in totaal 32 boven elkaar
gelegen woningen van bergingen te voorzien . De toegangen van beide bergingen
komen min of meer uit op een veiligheidstrappehuis, zodat in dat opzicht voldaan
zou zijn aan de eis van het Bouwbesluit. De indeling zoals aangegeven in door-
snede 2 is wellicht psychologisch meer verantwoord, aangezien de bewoners van
-
de onder de bergingen gelegen verdiepingen dan niet eerst omhoog en later weer
omlaag moeten om via de bergruimte in hun woning te kunnen komen . De twee
volgens dit systeem ingerichte verdiepingen zijn anders georganiseerd dan de acht
overige verdiepingen, aangezien de woningen 1 en 2 en de woningen 3 en 4
hier ontsloten worden via de bestaande trappehuizen . Op deze wijze krijgen deze
twee verdiepingen een andere gevelindeling, die de monotonie van de gevel extra
kan doorbreken .
De ruimtelijke schets bij tekening 19 geeft een voorbeeld van een mogelijke ge-
velindeling van het gehele onderzochte bouwdeel, wanneer de laatste oplossing
voor de bergingen gecombineerd wordt met de plattegrond van variant a van te-
ken ing 11 . Een nadeel van deze oplossing is echter de geringe sociale controle,
die in het bergingendeel aanwezig is door afwezigheid van woonfuncties in de di-
recte omgeving. Bij variant 19b is de sociale controle verbeterd door woning 1 en
3 eveneens via het nieuw te maken trappehuis te ontsluiten . Nu doet zich echter
weer het vraagstuk voor of men vanuit de berging de woning al of niet passert en
het feit dat de toegangen van woning en berging eigenlijk tegenover elkaar moe-
doorsn.1 doorsn.2
4 won . 4 won .

4 won . 4 won .

4 won .

4 won .

4 won. ///f/f/~
16 be
;://;//f #~
4 won . 4 won .

4 won . 4 won .

4 won .

4 won. 4 won .

4 won . 16 be

32 berg ruimten 32 bergruimten


32 woningen 32 woningen

(deze en rechterpagina) tekening 19

ten liggen. Ook bij deze oplossing wordt uitgegaan van een vergelijkbare oplos-
sing bij de bestaande trappehuizen .

Nadere uitwerking van mogelijkheid 2 Tekening 20 toont een oplossing, waarbij


telkens vier bergruimten op iedere verdieping groepsgewijs gerangschikt zijn, ter-
wijl toch niet duidelijk is of deze vier bergruimten beschouwd moeten worden als
een apart brandcompartiment. De bergruimten zijn bedoeld voor de woningen op
dezelfde laag . De definitie voor berging luidt: Een berging is een in een woonge-
bouw gelegen besloten ruimte waarin twee of meer afzonderlijke bergruimten als
bedoeld in artikel 48 van het Bouwbesluit zijn gelegen en de daarmee rechtstreeks
in verbinding staande gemeenschappelijke verkeersruimten. Theoretisch voldoet het
groepje bergruimten met galerij aan deze definitie, hoewel de verkeersruimte in dit
geval een buitenruimte is.
Indien sprake is van een berging, dan is er ook sprake van een apart brand-
compartiment. Het is echter niet duidelijk, waar de grenzen van dit brandcomparti-

168
berging 1 berging 2

IJ
woning
II
woning

I -

It
woning
ment dan zouden liggen . Indien het inderdaad een brandcompartiment zou zijn,
dan mogen de bewoners uit de woningen, die immers al het buurhuis zijn gepas-
seerd, niet ook nog eens het groepje bergruimten passeren.
Het betreft hier wederom een grensgeval, waarbij men overigens, wanneer men
de situatie beschouwt zonder de regelgeving in acht te nemen, al snel tot de con-
clusie komt dat het om een gevaarlijke situatie gaat. De kans is niet ondenkbaar
dat in een van de bergruimten een brand ongemerkt lange tijd zijn gang kan
gaan, voordat de bewoners gealarmeerd zouden worden . De enige vluchtweg
naar het veiligheidstrappehuis zou in dat geval al gauw afgesloten kunnen zijn.
Bij de plattegrondindeling volgens oplossing A is rekening gehouden met zo min
mogelijk breekwerk aan de draagconstructie voor de entrees van de woningen .
Een nadeel van deze variant is de onhandige ligging van de badkamer en de
keuken van de woningen 2 en 3 ten opzichte van de leidingkokers. Er zijn uiter-
aard varianten mogelijk om het entreegebied op een andere manier vorm te
geven, wanneer men een grotere bouwkundige ingreep accepteert. Variant B geeft
daarvan een voorbeeld, terwijl hierbij ook de ligging van sanitair en keuken t.o.v.
de leiding koker gunstiger is.

(onder) tekening 20

170
In tekening 20 is ook een oplossing gesuggereerd voor de woningen, die ontsloten
worden via het bestaande trappehuis . Deze wonigen zijn voorzien van een indivi-
duele bergruimte gekoppeld aan de woning zelf, met een deur naar het buitenge-
bied. In dit geval wordt het geheel van woning plus bergruimte beschouwd als één
brandcompartiment en wordt er derhalve voldaan aan de regel van het mogen
passeren van slechts één ander brandcompartiment.
Er zit nu echter wel een te openen deur in het te passeren brandcompartiment.
Wanneer men de situatie op zichzelf beschouwt, zal men bij het vluchten weinig
hinder ondervinden van een uitslaande brand uit deze deur, aangezien de deuren
van de woningen zelf vrijwel direkt uitkomen op de toegang naar het veiligheids-
trappehuis.

Het creëren van een tweede vluchtweg vanuit de woningen naar het nieuw te
plaatsen veiligheidstrappehuis door middel van een scherm Zoals reeds eerder ver-
meid heeft de keuze voor het gebruik maken van slechts één stijgpunt voor telkens
vier woningen nogal wat consequenties t.a.v. het materiaalgebruik. De buitenwan-
den zullen o.a. aan alle van toepassing zijnde eisen m.b.t. de brandveiligheid
moeten voldoen, wat zou kunnen resulteren in een nogal ontoegankelijk uiterlijk
van de entreezijde van de woningen . Komt daar nog bij, dat door het stijgpunt
zelf de lichttoetreding belemmerd zal worden, dan wordt dit effect nog vergroot.
--
Deze veronderstellig is de aanleiding geweest om te onderzoeken aan welke eisen
de materialen in dit gebied precies moeten voldoen en of er een mogelijheid is om
in dit entreegebied meer keuzevrijheid te krijgen . Hiervoor zijn in tekening 21 a en
22 twee verschillende situaties met elkaar vergeleken, nl. :
a De situatie van tekening 11 a, één stijgpunt voor telkens vier woningen met één
vluchtweg per woning;
b Een situatie waarbij een scherm is geplaatst op zo'n wijze, dat er sprake is
van twee vluchtwegen per woning.
Indien zou blijken, dat deze situatie inderdaad voldoet aan de brandveiligheidsei-
sen, dan ontstaan er meer ontwerpmogelijkheden en kunnen speelsere oplossingen
geïntroduceerd worden. Zo is in tekening 23 (zie biilage) gebruik gemaakt van in -
dividuele berguimten, gekoppeld aan de woning, die zorgen voor het vertikale ac-
cent in de gevel. In deze situatie voldoet deze oplossing wél aan de
brandveiligheidseisen, in tegenstelling tot eerdere oplossingen, waarbij steeds het
passeren van andermans berging een probleem bleek door de aanwezigheid van
slechts één vluchtweg.
W 1 Wand c
Ibrandc . )

1 trap 2
scherm d

tekening 21a

Tekening 24 (zie bii1age) geeft een schetsmatige variant op situatie b, waarbij men
zich niet beperkt tot het gebruik van de reeds bestaande galerij. De extra entree-
zone is nu vóór de gevel langs uitgebouwd . Op deze wijze krijgt de entreepartij
over de gehele hoogte van het gebouw een duidelijk accent. Bovendien komt het
stijgpunt door deze ingreep automatisch verder van de gevel af te liggen en krijgt
het entreegebied meer ruimte en een betere lichttoetreding. De wand, die bij deze
oplossing met zijn kromming de weg naar de entree van de buitenste woningen
begeleidt, kan als een massief dan wel als een transparant scherm uitgevoerd wor-
den . De reeks van vier woningen kan door het creëren van de tweede vluchtweg
desgewenst uitgebreid worden tot een grotere reeks, afhankeli jk van het gewenste
esthetische effect en van het gekozen ontsluitingsprincipe van het totale gebouw.

W 1 W 2
Ibrandc . ) Ibrandc . )

1 trap
Wanda

tekening 22b

172
4.6.4.2 Ontwikkeling van oplossingsvarianten voor de begane grond en de eerste
verdieping
In deze paragraaf zullen, als vervolg op de vorige paragraaf waarin oplossingsva-
rianten aan bod kwamen voor de tweede tlm de tiende verdieping, oplossingsva-
rianten worden ontwikkeld voor de begane grond en de eerste verdieping .
Uitgangspunt daarbij is het 'Overzicht van mogelijke maatregelen' (paragraaf
4 .6.3). De belangrijkste maatregelen uit het betreffende overzicht die als uitgangs-
punten worden gehanteerd voor de plattegrondontwikkeling van de begane grond
en de eerste verdieping zijn:
a Op het nivo van de woning:
- Situeren van woningen op de begane grond en als gevolg daarvan verplaatsen
van de bergingen (All).
- Zo mogelijk realiseren van differentiatie in woningtypen (m.n. realiseren van 3-
kamerwoningen, All) .
- Plaatselijk een gedeelte van balkon en galerij bij de woning trekken (AI) .
b Op het nivo van het gebouwen de ontsluiting:
- Compartimenteren van het gebouwen de ontsluiting (B 11)
- Plaatselijk uitbouwen van de begane grond en eventueel de eerste verdieping
(Bil) .
- Toevoegen van nieuwe entrees op de begane grond, extra liften en trappehui-
zen (Bil) .
-
- Opheffen van de binnenstraat (Bil).
- Eventueel realiseren van maisonnettes (BlII) .
- Opheffen van de onderdoorgangen (BlII).
- Opheffen van de loopbruggen (BIlI).
- Zorgdragen voor zicht op de entrees en verplaatsen van de entrees naar de
gevels, entree's bijv. ten opzichte van het gevelvlak vooruit laten springen (BlII).
- Zoveel mogelijk zorgdragen voor zicht op lift en trap bij het betreden van het
entreehalletje (BIlI).
- Zorgdragen voor zoveel mogelijk zicht op de bergingen, bijv. door de toegang
tot de bergingen in de entreehal te leggen, bergingen te compartimenteren zodat
slechts een beperkt aantal bergruimten via een toegangsdeur bereikbaar is of
bergingstoegangen realiseren waar zicht op is, bijv. door de verkeersruimte in de
dwarsrichting van het gebouw te leggen (BIV).
- Zo mogelijk opdelen van de bergingen in clusters waarbij elk cluster aan een
gedeelte van een compartiment woningen wordt toegewezen (BIV) .
Uiteraard dient bij de ontwikkeling rekening gehouden te worden met de andere,
in paragraaf 4.6.3 genoemde maatregelen, onder meer m.b.t. consequenties voor
het gevelbeeld . Aanvullend op deze maatregelen uit paragraaf 4.6.3 zijn de vol-
gende uitgangspunten geformuleerd :
- De tweede verdieping (verdieping boven de huidige binnenstraat), die plaatse-
lijk afwijkt van de hoger-gelegen verdiepingen, kan overeenkomstig de bovenge-
legen verdiepingen (derde t/m tiende verdieping) worden aangepast.
- Ruimte voor containers wordt buiten het gebouw gerealiseerd.
- Het totaal aantal woningen in het gebouw dient zo mogelijk niet te worden ge-
reduceerd .
- Bergruimten in het gebouw dienen in hetzelfde compartiment als de woningen
te worden ondergebracht.
- Er dient te worden voldaan aan voorschriften omtrent brandveiligheid zoals
eerder in dit rapport behandeld. De balkons op de eerste verdieping worden be-
schouwd als vluchtroute, daar de vloer lager is gelegen dan 7 meter boven het
referentienivo conform de brandveiligheidsvoorschriften .
- Uiteraard dient rekening gehouden te worden met randvoorwaarden zoals van
toepassing zijnde voorschriften zoals het Bouwbesluit. Onder meer zijn de voor-
schriften t.a.v. bergruimte van belang. In artikel 48 (Bergruimte) wordt gesteld
dat tot een woning tenminste een van buiten de woning toegankelijke, afsluitbare
bergruimte moet behoren, waarvan de vloeroppervlakte ten minste 6,5 % van de
gebruiksoppervlakte van de woning is, met een minimum van 3,5 m2 en een
breedte van ten minste 1.5 m. Bij de herontwikkeling van de plattegronden
wordt hiervan uitgegaan .

Aanpak ontwikkeling oplossingsvarianten Zoals reeds in de voorgaande paragraaf


aan de orde is gekomen, zijn het compartimenteren van het gebouwen de ontslu i-
ting alsmede het verplaatsen van de bergruimten in relatie tot het situeren van wo-
ningen op de begane grond, de primaire maatregelen van waaruit
oplossingsvarianten zullen worden ontwikkeld . In relatie tot de vorige paragraaf
zullen er varianten voor compartimentering aan de orde komen en in relatie daar-
mee de gevolgen voor de entrees en de stijgpunten, en ook zullen varianten voor
het onderbrengen van de bergruimten in het gebouw aan bod komen .
Woningplattegronden worden ontwikkeld in relatie tot de plaats van de woning in
een gegeven compartiment en de betreffende variant voor het onderbrengen van
de bergruimten, rekening houdend met de gewenste differentiatie in woningtypen.
Zo ontstaat er een verzameling oplossingsvarianten, elk met verschillende mogelijk-
heden en consequenties voor de gevels. In schema :

174
Varianten entrees zie tekeningen
+ stijgpunten

Gebouwen
ontsluiting

differentiatie in

Woning Situering op
begane grond

Maatregelen
uitgangspunten
m. b . t. gevels

Allereerst zal worden ingegaan op de mogelijkheden voor compartimentering ,


waarna de mogelijkheden voor het onderbrengen van de bergingen aan bod
komen, in relatie tot het situeren van woningen op de begane grond (en de eerste
verdieping) .

Varianten compartimentering Wanneer we kijken naar de resultaten van het onder-


zoek naar de invloed van eisen m.b.t. brandwerendheid op mogelijke ontwerpop-
-
lossingen, die beschreven zijn in de vorige paragraaf, en tevens als uitgangspunt
stellen dat het aantal nieuwe stijgpunten niet onnodig groot dient te zijn in ver-
band met de kosten (uiteraard rekening houdend met een acceptabele grootte van
de compartimenten), dan zijn voor Hoogoord een tweetal varianten voor comparti-
mentering van het gebouw zinvol:
Bij variant A is het gebouw verdeeld in 5 van elkaar onafhankelijke comparti-
menten van respectievelijk 2-4-2-4-2 eenheden per bouwlaag. Per compartiment
kan er gebruik worden gemaakt van een stijgpunt. Daarvoor is het nodig twee
nieuwe stijgpunten (met elk een lift en een trappehuis) toe te voegen . Dit heeft als
consequentie dat alle trappehuizen in verband met brandveiligheidsvoorschriften uit-
gevoerd dienen te worden als veiligheidstrappehuizen die alleen via de buitenlucht
bereikbaar dienen te zijn .
Bij variant B is het gebouw verdeeld in 4 compartimenten van respectievelijk 4 -
3-3-4 eenheden per bouwlaag . Per compartiment kan er gebruik worden gemaakt
van twee stijgpunten, waardoor er wordt voldaan aan de algemene eis van twee
onafhankelijke vluchtwegen . Hiervoor is het eveneens nodig twee nieuwe stijgpun-
ten bij te plaatsen, waarbij alleen een trappehuis nu echter voldoende is. In een
woongebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 13 m
boven het referentienivo, moet ten minste een vluchtweg voeren door een veilig-
heidstrappehuis. Het ligt voor de hand de twee nieuwe trappenhuizen als veilig-
heidstrappehuizen uit te voeren, daar ingrepen aan de bestaande trappehuizen
dan beperkt kunnen blijven . De drie bestaande stijgpunten (met elk een trappehuis
en een lift) kunnen als hoofdstijgpunten met hoofdentrees (met beltableaus en brie-
venbussen) worden uitgevoerd. De twee nieuwe trappehuizen kunnen dan elk voor
twee compartimenten functioneren als tweede vluchtweg waarvoor geen sleutel
nodig is. Andersom is door middel van een eigen sleutel per compartiment vanuit
een nieuw trappehuis slechts het compartiment waarin men woont toegankelijk (se-
cundaire entree, alleen toegankelijk voor bewoners, zonder beltableau en zonder
brievenbussen). Voor de toegang van de brandweer dienen met de brandweer af-
spraken te worden gemaakt over speciale sloten .
Omdat er bij variant A meer compartimenten en er dus minder woningen per
compartiment zijn en deze variant tevens de mogelijkheid biedt een deel van de
galerijen en balkons bij de woningen te trekken, waardoor de mogelijkheid ont-
staat een verticaal gevelbeeld te realiseren, is ervoor gekozen om variant A verder
uit te werken. De navolgende tekst heeft dan ook, tenzij anders vermeld, betrek-
king op variant A.

Uitwerking stijgpunten en entrees Bij de uitwerking van de mogelijkheden voor het


onderbrengen van bergingen en in relatie daarmee het ontwikkelen van woning-
plattegronden zijn tevens stijgpunten en entrees uitgewerkt, waarbij bestaande stijg-
punten zijn aangepast en nieuwe stijgpunten zijn toegevoegd. Hiervoor wordt
verwezen naar de betreffende tekeningen. De uitwerking van een trappehuis als
veiligheidstrappehuis dat via de buitenlucht bereikbaar dient te zijn en gescheiden
van de lift moet worden gesitueerd, blijkt niet geheel zonder problemen . Er is ge-
kozen voor het combineren van de entreehal (met beltableau en brievenbussen aan
de buitenzijde, brievenbussen vanuit de entreehal voor bewoners te legen) met de
lift. Het trappehuis is slechts toegankelijk via een aparte entreehal of direct via de
buitenlucht. Een ander probleem kan het gebrek aan voldoende overzicht op (een
deel van het) het entreegebied zijn.
Een alternatief voor de bestaande stijgpunten zou kunnen zijn het instandhouden
van de lift en het plaatsen van een nieuw trappehuis buiten het gebouw. Dit is
hier niet verder uitgewerkt.

176
eerste verdieping

begane grond

(boven) tekening 1 bestaande situatie en


(onder) tekening 1.1
-

eerste verdieping

begane grond
eerste verdieping

compartiment 1 compartiment 2 compartiment compartiment 4 compartiment


bestaand stijgpunt nieuw stijgpunt bestaand stijgpunt nieuw stijgpunt bestaand stijgpunt

begane grond I

compartiment 1 compartiment 2 compartiment 3 compartiment 4 compartiment 5


bestaand stijgpunt nieuw stijgpunt bestaand stijgpunt nieuw stijgpunt bestaand stijgpunt

compartiment compartiment compartiment compartiment 4

bestaand stijgpunt nieuw stijgpunt bestaand stijgpunt nieuw stijgpunt bestaand stijgpunt

compartiment compartiment compartiment compart iment 4

bestaand stijgpunt nieuw stijgpunt bestaand stijgpunt nieuw stijgpunt bestaand stijgpunt

178
M .b.t. de nieuwe stijgpunten kan worden opgemerkt dat deze steeds twee toegan-
gen hebben vanaf de galerij, zodat vanuit een eenheid (brandcompartiment) zoals
een woning niet langs een ander brandcompartiment gevlucht hoeft te worden.
Voor de begane grond en de eerste en tweede verdieping zou kunnen worden be-
argumenteerd dat dit niet geheel noodzakelijk is omdat tot een hoogte van 7 m
boven het referentienivo vanaf het balkon gevlucht zou kunnen worden en er dus
in twee onafhankelijke richtingen kan worden gevlucht. Volgens de voorschriften is
er dan wel een vluchttrap nodig. Voor de hoger gelegen verdiepingen zijn de twee
toegangen tot het veiligheidstrappehuis in het algemeen niet nodig wanneer de
toegangen van de woningen tegenover elkaar worden gesitueerd (zie verder para-
graaf 4.6.4.1)

Varianten bergruimten en woningen Uitgangspunt bij de herontwikkeling van de


plattegronden van de begane grond en de eerste verdieping is het onderbrengen
van de bergingen in het gebouw. Achtereenvolgens zullen nu eerst de principe-mo-
gelijkheden voor verdeling van bergruimten en bergingen over de begane grond
en de eerste verdieping worden aangegeven en in relatie daarmee mogelijke wo-
ningtypen, waarna voor verschillende compartimenten een aantal mogelijke varian-
ten voor bergruimten en in relatie daarmee woningen zullen worden uitgewerkt in
plattegronden . De volgende mogelijkheden zijn denkbaar:
1 Alle benodigde bergruimten (van een compartiment) situeren op de begane
-
grond en de eerste verdieping.
Aangezien momenteel alle bergruimten op de begane grond zijn gesitueerd heeft
een verdeling over zowel de begane grond als de eerste verdieping tot gevolg dat
er op de begane grond nu ook woningen gesitueerd zullen kunnen worden.
2 Binnen een compartiment per twee verdiepingen de bergruimten op 1
bouwlaag situeren .
In dit geval betekent dit het situeren van de bergruimten en woningen op de bega-
ne grond en alleen woningen op de eerste verdieping (voor de hoger gelegen ver-
diepingen valt dit onder mogelijkheid 3 uit paragraaf 4.6.4.1).
3 Binnen een compartiment situeren van de bergruimten op dezelfde laag als
de woningen.
Dit betekent dus dat de bergruimten van de woningen op de begane grond ook
op de begane grond worden gesitueerd en de bergruimten van de woningen op
de eerste verdieping op de eerste verdieping .
Voor de resultaten naar het onderzoek naar een vierde mogelijkheid, nl. het situ-
eren van alleen woningen op de begane grond en de eerste verdieping en het si-
tueren van alle bergruimten op hoger-gelegen verdiepingen, wordt verwezen naar
paragraaf 4.6.4.1 . Verder dient nog te worden opgemerkt dat als alternatief voor
bergruimten in het gebouw het situeren van de bergruimten in een los gebouw op
het terrein een goede mogelijkheid zou kunnen zijn , indien er wordt zorggedragen
voor goed zicht op de toegangen. Dit is echter niet uitgewerkt in tekeningen .
Indien zou worden gekozen voor het situeren van alle bergingen in een losstaand
gebouwtje op het terrein is het situeren van alleen woningen op de begane grond
eveneens aan de orde. Uiteraard zijn er ook andere dan de genoemde mogelijk-
heden denkbaar, die een tussenvorm ofwel combinatie van genoemde mogelijkhe-
den betreffen, bijv. het bij een compartiment van 2 eenheden onderbrengen van
een aantal bergingen op de begane grond en de eerste verdieping, en de reste-
rende benodigde bergruimten op nog enkele daarboven gelegen verdiepingen in
de woning .
Wanneer een lift uitvalt, kunnen de mogelijkheden 2 en 3 problemen geven, bijv.
t.a.v. het zetten van een fiets in een bergruimte. Toch zullen deze mogelijkheden
nader worden onderzocht, daar zij mogelijkheden bieden voor het situeren van
(meer) woningen op de begane grond. Allereerst wordt voor de mogelijkheden 2
en 3 uitdrukkelijk verwezen naar de resultaten van het onderzoek betreffende de
hoger gelegen verdiepingen uit paragraaf 4.6.4.1. De betreffende resultaten zullen
in deze paragraaf niet opnieuw aan de orde komen . Voor de mogelijkheden 2 en
3 zullen in deze paragraaf wel enkele mogelijke uitwerkingen aan bod komen.
In het onderzoek zijn een aantal woningplattegronden ontwikkeld voor de wonin -
gen op de begane grond en de eerste verdieping . Dit zijn slechts voorbeelden en
er zal dus geen compleet overzicht worden gegeven van alle mogelijke woning-
plattegronden. Voor enkele aanvullende woningplattegronden wordt verwezen naar
de resultaten van het onderzoek naar de hoger gelegen verdiepingen in de vorige
paragraaf, waarnaar ook incidenteel in de tekst kan worden verwezen.
Er zijn woningen mogelijk voor een compartiment van twee en/of van vier eenhe-
den, variërend in:
- aantal kamers
- geschiktheid voor begane grond en/of eerste verdieping
- in- of exclusief bergruimte.
De ontwikkelde maisonnettes zijn maisonnettes over de begane grond en de eerste
verdieping . Uiteraard zijn er ook maisonnettes over de hoger gelegen verdiepingen
denkbaar of maisonettes over 3 in plaats van 2 bouwlagen . Deze mogelijkheden
zijn hier niet verder uitgewerkt.
De meeste van de ontwikkelde woningplattegronden zullen in de navolgende be-

180
spreking aan de orde komen. Aan het einde van deze paragraaf is nog een lijst
van ontwikkelde woningplattegronden opgenomen.
De uitwerking van de principe-mogelijkheden voor het situeren van bergruimten in
samenhang met de woningplattegronden zal nu eerst worden behandeld voor een
compartiment van twee eenheden aan een bestaand stijgpunt.
Daarna zullen de drie mogelijkheden worden onderzocht voor een compartiment
van 4 eenheden met een nieuw te plaatsen stijgpunt. Er zijn vele varianten moge-
lijk. Het is binnen het kader van het onderzoek niet zinvol om alle varianten en
combinatiemogelijkheden uit te werken . De principevarianten zullen echter wel wor-
den aangegeven en enkele uitgewerkte plattegronden worden als voorbeeld weer-
gegeven . Voor de nummering van de plattegronden zal de volgende codering
worden gebruikt:
- het eerste cijfer geeft het compartiment aan;
- het tweede cijfer de onderzochte mogelijkheid voor het onderbrengen van de
bergruimten en;
- het derde cijfer geeft het volgnummer van de tekening aan .
Als voorbeeld : tekening 1.2.3 betreft dus een tekening van het eerste comparti-
ment, waarbij het gaat om de tweede mogelijkheid (het binnen een compartiment
per twee verdiepingen onderbrengen van de bergruimten op 1 bouwlaag) en
daarvan de derde tekening . Deze codering maakt het mogelijk om eenvoudig een
--
CO

variant binnen een bepaald compartiment op te zoeken.

Uif\.verking varianten
Compartiment van f\.vee eenheden aan een bestaand stiigpunt.
Per mogelijkheid zal achtereenvolgens steeds het eerste en het derde compartiment
worden behandeld, daar deze compartimenten wezenlijk verschillen t.a.v. de veran-
deringsmogelijkheden . In het eerste compartiment zijn op de begane grond en de
eerste verdieping diverse installatieruimten en een algemene ruimte ondergebracht,
in het derde compartiment is slechts een kast algemene verlichting gesitueerd.

Mogelijkheid 1: Alle benodigde bergruimten (van het compartiment) situeren op de


begane grond en de eerste verdieping .
Aangezien in het linkerdeel van het eerste compartiment een groot deel van de
oppervlakte wordt ingenomen door diverse installatieruimten en een algemene
dienstruimte is de overige ru imte nodig om de 18 benodigde bergingen onder te
brengen. In het linkerdeel van het compartiment kan op de eerste verdieping in de
restruimte eventueel een gemeenschappelijke ruimte worden gesitueerd. Enkele op-
IV b b
t b b

=
lr
k b I=='! b b b
L/
ct
r 1 r
-V rg V mg b

h h

V
e I..

~ tek ening 1.1.1


begane grond

t b
~ b b b
'--
;=;

k
er
b
~ b b b
L
L/ rI..Y ~

r 1
h
I
"-.IV rg mg b

h V

~e tekening 1.1 . 2
begane grond

182
lossingen zijn aangegeven op de tekeningen 1.1.1 t/m 1.1.5 voor de begane
grond en 1.1 .6 voor de eerste verdieping . Variant 1.1 .1 is een iets betere oplos-
sing dan variant 1.1.2 omdat er minder verkeersruimte in de dwarsrichting van het
gebouw is gelegen waardoor er beter overzicht is, en tevens omdat de gevel aan
de balkonzijde van het gebouw door het aanbrengen van een gang (pui, glas)
meer naar buiten is geplaatst zodat er beter overzicht zal zijn .

Legenda tekeningen 1 . 1 . 1 tot en met 1 . 1.6

(Ontsluiting) :
e entree met brievenbussen en beltableau
h entreehal
I lifthal
v vei ligheidstrappehui s

(Bergruimte) :
b = bergruimte

(Installatie ruimte / algemene ruimte)


k = ketelhuis ...
t = traforuimte
Ir = laagspanningsruimte
r = regelruimte
rg = regelruimte gas
mg = meetruimte gas
hy= hydrofoorruimte
a algemene ruimte
d = (algemene) dienstruimte

(Woning)
10 = balkon
(10) = eventuele uitbreiding balkon
b b

b b

rg b

e
tekening 1 . 1 . 3
~ = open/buiten begane grond
.. ' --""

b b b

b b b

rg

e
tekening 1 . 1 . 4
~#}j
.1, ,_
= open/buiten begane grond

184
t b b b

k b b b

b rg mg b

tekening 1 . 1 . 5
~$'-j = open/buiten
begane grond
11')

-
CO

tekening 1 . 1 . 6
~i:f&3
·:tr<&"~~~ = open /b Ul. t en
eerste verdieping
In het derde compartiment (zie tekening 3. 7. 7) kunnen in het linkerdeel op de be-
gane grond en de eerste verdieping respectievelijk 8 bergruimten (indien de kast
algemene verlichting behouden blijft) en 9 bergruimten worden ondergebracht.
Zonder het situeren van woningen in het rechterdeel van het compartiment betekent
dit een tekort van één bergruimte. Dit kan bijv. worden opgelost door de kast al-
gemene verlichting te benutten als bergruimte en de twee andere benodigde berg -
ruimten voor de te realiseren woningen op de begane grond en de eerste
verdieping onder te brengen in het rechterdeel van het compartiment in de woning
op de begane grond en in de woning op de eerste verdieping .

Een betere oplossing (zie tekening 3. 7.2) is het uitbreiden van de berging op de
begane grond en eventueel de kast algemene verlichting te gebruiken als berg-
ruimte waardoor er op de begane grond 11 bergruimten kunnen worden gereali-
seerd (zie tekening 3. 7.3). Samen met de 9 bergruimten op de eerste verdieping
zijn er nu voldoende bergruimten voor een woning op de begane grond, een wo-
ning op de eerste verdieping en de bergruimten voor de woningen op de hoger
gelegen verdiepingen .

Een andere mogelijkheid is het situeren van zoveel mogelijk bergruimten op de be-
gane grond. Indien de kast algemene verlichting als bergruimte wordt benut kun -
nen er in totaal maximaal 18 bergruimten op de begane grond worden
ondergebracht (zie tekening 3. 7.4) . Wanneer er op de eerste verdieping 2 wonin-
gen worden gerealiseerd kunnen de 2 nog benodigde bergruimten op de eerste
verdieping individueel in de woningen worden gesitueerd .

Mogelijkheid 2: Binnen een compartiment per twee verdiepingen de bergruimten


op een bouwlaag situeren, in dit geval bergruimten en woningen op de begane
grond en op de eerste verdieping alleen woningen .

Voor het eerste compartiment (zie tekening 7.2. 7) is dit bijv. mogelijk door in het
rechterdeel op de begane grond woning 17 te realiseren of een woning die verge-
lijkbaar is met woning 5 en daarboven op de eerste verdieping een 4-kamerwo-
ning zonder bergruimte te situeren en de benodigde twee bergruimten in het
rechterdeel op de begane grond onder te brengen. Een alternatief is het realiseren
van een maisonnette met een gedeelte op de begane grond aan de achterzijde
van het gebouwen het andere deel over de gehele eerste verdieping en bijv. aan
de voorzijde naast de meetruimte van het gas een bergruimte te realiseren .

186
Legenda tekeningen 3 . 1 . 1 , tot en met 3 . 1 . 4 en 1 . 2.1
B = berging W woning
b * = bergruimte bij woning M = maisonnette
b = bergrui mte
Legenda woning 5 en woning 17
(Ontsluiting)
e entree met brievenbussen en beltableau
h entreehal (Bergruimte) b = bergruimte
I lifthal b* = bergruimte bij de
v veiligheidstrappehuis woning
(Installatie ruimte / algemene ruimte)
k = ketelhuis t traforuimte
Ir laagspanningsruimte r = regelruimte
rg regelruimte gas mg = meetruimte gas
d = (algemene) dienstruimte c containerruimte
(Woning)
1 entreehal 2 woonkamer
3 slaapkamer 6 keuken
7
10
natte cel
terras / balkon
8 toilet
(onder) tekening 3 . 1 . 1 -

eerste verdieping

begane grond
eerste verdieping

begane grond

(boven) 3 . 1. 2 en (onder) 3 . 1. 3

./'\

b b b

I ~h
H~~
b b b

-==-
t ID
~
b b b l./

I h/l

b b
V IV

e V V begane g rond

188
« -+-
~
ij)

::J w ::J w
I'î
b* b*

Cl. eerste verdieping


(I)

«
Q..
o
L..
-+-
B B

Q..
(I)
begane grond

(boven) 3 . 1.4 (onder) tekening 1.2 . 1

eerste verdieping

begane grond
10

woning 5
begane grond woning e

10

7/8

h mg c/b

woning 17
~:t\t.~ = open/buiten
begane grond
A ' ':.:!"

190
Ook voor het derde compartiment zijn varianten te ontwikkelen, zoals bijv. het situ-
eren van woning 16 en woning 5 met bergruimten op de begane grond en op de
eerste verdieping twee woningen zonder bergruimten .
(zie tekening woning 76)
Verder wordt verwezen naar de resultaten van het onderzoek betreffende de hoger
gelegen verdiepingen in de vorige paragraaf.

Mogelijkheid 3: Binnen een compartiment situeren van de bergruimten op dezelfde


laag als de woningen , dus de bergruimten van de woningen op de begane grond
op de begane grond en de bergruimten van de woningen op de eerste verdieping
op de eerste verdieping onderbrengen .
Ook hier wordt allereerst verwezen naar de resultaten uit de vorige paragraaf.

Legenda woning 16 en woning 1


(Ontsluiting) (Bergruimte)
1 lifthal b * = bergruimte bij de
v = veiligheidstrappehuis woning
e = entree met brievenbussen en beltableau

1
(Woning)
entreehal 2 woonkamer
--
3 = slaapkamer 6 keuken
7 = natte cel 8 toilet
10 = terras 9 bergkast

Voor het eerste compartiment kan dit worden gerealiseerd door bijv. in het rechter-
gedeelte op de begane grond woning 16 te realiseren (gespiegeld) en daarboven
een woning inclusief bergruimte (zie tekening 7.3).
In het derde compartiment kan op de begane grond, indien de kast algemene ver-
lichting vervalt, bijv. zowel in het linkerdeel als in het rechterdeel een woning in-
clusief bergruimte worden gesitueerd. Ook op de eerste verdieping kan dan bijv.
twee maal woning 1 worden gerealiseerd (zie tekening 3.3) .

Combinatie(s) van voorgaande mogelijkheden

Een voorbeeld van een tussenvorm van de genoemde mogelijkheden waarbij het
grootste deel van de bergruimten is gesitueerd op de begane grond en de reste-
10 ,,--..,
a ~.§ i""'
1=1
1-'"

v
3 6 2
~
~
t---i
1
L/
9
f1 1

7/8
rL
av b* V "'-J

b.. woning 16
V "'-J
e begane grond woning

eerste verdieping

[llfB 1
b ;f:;;:?'
I I ~ I
1 I begane
~
grond

192
eerste verdieping

begane grond

-
10

woning 1
eerst e verdieping
open/buiten
rende bergruimten op de tweede, derde en vierde verdieping in de woningen zijn
ondergebracht, is uitgewerkt voor het derde compartiment (zie de tekeningen
3.4. 7, 3.4.2 begane grond en 3.4.3 eerste verdieping woning 70) . Op de begane
grond zijn in zowel het linkerdeel als het rechterdeel 6 bergruimten gesitueerd
(waarvan er een te klein is) aan de voorzijde (galerijzijde) van het gebouw. Aan
de achterzijde (balkonzijde) zijn de woongedeelten van twee maisonnettes ieder
met een bergruimte gesitueerd. De maisonnettes beslaan tevens de gehele eerste
verdieping .

Concluderend kan worden gesteld dat het alleen voor het eerste compartiment in
geval van het situeren van alle bergruimten op de begane grond en de eerste ver-
dieping niet mogelijk is om ook woningen op de begane grond te realiseren . Bij
deze variant zijn de bergruimten gecompartimenteerd; daar tegenover staat het si-
tueren van de bergruimten individueel in de woning (met de toegang tot de berg-
ruimte echter daarbuiten) . Enkele van de mogelijke varianten zijn behandeld.

Compartiment van vier eenheden met een nieuw stijgpunt


Het tweede compartiment wordt als voorbeeld genomen om opnieuw de drie mo-
gelijkheden voor het onderbrengen van woningen en bergingen op de begane
grond en de eerste verdieping te behandelen .

Mogelijkheid 1: Alle benodigde bergruimten (van het compartiment) situeren op de


begane grond en de eerste verdieping.

Legenda tekening 3 . 4 . 1 en 3 , 4 , 3
(Ontsluiting)
e entree met brievenbussen en bel tableau
1 lifthal (Bergruimte)
v veiligheidstrappehuis b = bergruimte
b* = bergruimte bij de
woning
(Woning)
1 entreehal 2 woonkamer
3 slaapkamer 5 eetkamer
6 keuken 7 natte cel
8 toilet 9 bergkast
10 = terras I balkon M maisonnette

194
eerste verdieping

begane grond

(boven) tekening 3.4 .1 (onder) 3 . 4 . 2 begane grond woning 10

10
maisonnette

10
-
b*

2
M
I~iv

2
M b*

~ ~
I ,-- I
0
b b b b b b
L/
1

~ L
!V
--
b b b b b b
V

ll:::::::J
I I e VV
M M

10 10

I I I I I 1

i'
I I I I

6 5 5 6
v

-;=:-

~ ~
3 3

~
9 t---f-
9
L/
h
± 1\ ~/ 1 +
3 7/8 3 3 7/8 3

- ..
tekening 3.4.3
eerste verdieping
l op e n woning 10 maisonnette

Bij een compartiment van 4 eenheden breed zijn er 18 (kleinere) bergruimten


nodig voor de woningen in de smalle eenheden en tevens 18 (grotere) bergruimten
voor de woningen in de brede eenheden, exclusief bergruimten voor te realiseren
woningen op de begane grond en de eerste verdieping. De totale hoeveelheid
bergruimten is dus afhankelijk van het aantal te realiseren woningen en dus afhan-
kelijk van de gekozen woningtypen. Uit het overzicht met woningplattegronden zijn
diverse combinaties mogelijk. In combinatie met de bergruimten zullen enkele va-
rianten kort worden behandeld .

In de tekeningen 2.1.1 en 2.1.2 die uitgewerkt zijn in tekening 2.1.3 van de be-
gane grond en de daarbij horende tekening 2.1 .4 van de eerste verdieping, wor-
den alle bergruimten ondergebracht in bergingen in de twee smalle eenheden op
de begane grond en de eerste verdieping. Om alle bergruimten onder te kunnen
brengen is een uitbreiding noodzakelijk. De gangen zijn wederom in de dwarsrich-
ting van het gebouw geplaatst. De toegangsdeuren van de bergingen zijn van
glas. Om vanuit elke bergruimte 2 richtingen uit te kunnen vluchten dient volgens
de voorschriften vanaf de eerste verdieping een brandtrap te worden aangebracht.

196
eerste verdieping
nieuw stijgpunt

begane grond
nieuw stijgpunt

(boven) tekening 2 .1 .1 (onder) 2 . 1.2


-

eerste verdieping
nieuw stijgpunt

begane grond
nieuw stijgpunt
,_._._. _._. _..0U_._. _._. _._. .,
! .... A!

b b b b
10 (2 )

b b b b

~
3 3/5 2

I
b L b b
w

8 t b b b b

3 7 6
b b b b
h
10 1
I
tekening 2 . 1 . 3
begane grond
woning 3

Legenda tekening 2 . 1 . 3, 3 , 1 . 4 en woning 9


(Ontsluiting)
e entree met brievenbussen en bel tableau
h entreehal (Bergruimte)
1 lifthal b = bergruimte
v veiligheidstrappehuisb* bergruimte bij
vt = vluchttrappehuis maisonnette
(Woning) M = maisonnette W woning
1 = entreehal 2 woonkamer
(2 ) = evt ui tbr . woonkamer 3 slaapkamer
5 eetkamer 6 keuken
7 natte cel 8 = toilet
9 bergkast 10 = terras/balkon/serre

198
(2 )

10 (2 ) b b b b

b b b b
6 2

b b b b

b b
b b

W2

tekening 2 . 1 . 4
...
begane grond
woning 2

In de brede eenheden kunnen bijv. de woningen 2 en 3 of een combinatie daar-


van worden gerealiseerd. Er kan hier vanuit iedere bergruimte in twee richtingen
worden gevlucht en vanuit de woning kan er behalve door de voordeur eventueel
ook vanaf het balkon verder worden gevlucht.

In tekening van woning 9 (begane grond) zijn de bergruimten, behalve in de twee


smalle eenheden, ook voor een deel in de brede eenheden gesitueerd, tesamen
met een maisonnette (woning 9). De opzet van de eerste verdieping is globaal
overeenkomstig de opzet van de begane grond. Dit heeft als voordeel dat er geen
uitbreiding nodig is van de smalle eenheden . Woning 9 wordt echter wel een erg
grote woning. De hoeveelheid restruimte in de smalle eenheden is in deze variant
groot, wat een belangrijk nadeel kan zijn (verzameling van rommel).
11 i vt l

b b b b b b*

b b
~
I

b b 2 6

1 8

b h
10 (10)
I
~ hll 1~ M9
e ~ h
woning 9
1 Qclliill;
llift
_ ~_ vvj begane grond
maisonnet te

Mogelijkheid 2: Binnen een compartiment per twee verdiepingen de bergruimten


op 1 bouwlaag situeren, in dit geval het situeren van bergruimten en woningen op
de begane grond en alleen woningen op de eerste verdieping .

Allereerst wordt wederom verwezen naar de resultaten van het onderzoek naar de
hoger-gelegen verdiepingen uit de vorige paragraaf. Ook bij mogelijkheid 2 zijn
er weer combinatiemogelijkheden van de woningvarianten mogelijk. Aan de hand
van de gekozen combinatie dient te worden bepaald hoeveel bergruimten nodig
zijn en op welke wijze deze op de begane grond gesitueerd kunnen worden (ge-
compartimenteerd tot berging of juist individueel als bergruimte in de woning) .

Een voorbeeld van compartimentering van bergruimten tot een berging wordt weer-
gegeven in tekening 2.2.1. De berging met 7 bergruimten is ondergebracht in een
smalle eenheid op de begane grond . Verder zijn er op de begane grond een 2-
kamerwoning in een smalle eenheid ondergebracht en 3- of 4-kamerwoningen in
de brede eenheden . Op de eerste verdieping zijn vier woningen ondergebracht,

200
alle zonder bergruimte in de woning . Een variant van dit principe met een berging
per twee verdiepingen is uitgewerkt in tekening 2.2.3 . Het andere uiterste van het
situeren van bergingen binnen deze mogelijkheid is het ontwerpen van maisonnet-
tes, alle met een bergruimte in de woning op de begane grond . Dit is weergege-
ven in tekening 2.2.2.

Uiteraard zijn er ook tussenvormen mogelijk waarbij een deel van de bergruimten
tot een berging wordt samengevoegd en een ander deel van de bergruimten indi -
vidueel in de woningen wordt ondergebracht. Een voorbeeld hiervan is het situeren
van woning 13 (maisonnette) met bijbehorende berging (met vier bergruimten) in
de ene smalle eenheid, een andere maisonnette exclusieF bergruimte in de andere
smalle eenheid (bijv. woning 12), en in de brede eenheden aan de achterzijde
(balkonzijde) 2 maisonnettes (zie woning 8) inclusieF bergruimte en aan de voorzij-
de (galerijzijde) 2 maisonnettes (zie woning 6) exclusieF bergruimte.

Mogelijkheid 3: Binnen een compartiment situeren van de bergruimten op dezelFde


laag als de woningen , dus de bergruimten van de woningen op de begane grond
op de begane grond en de bergruimten van de woningen op de eerste verdieping
op de eerste verdieping onderbrengen .
Voor de betreffende mogelijkheden, te weten het realiseren van één berging per
-
o
N

verdieping (zie tekening 2.3.1), dan wel voor het situeren van de bergruimten indi-
vidueel in de woningen wordt verwezen naar de onderzochte mogelijkheden voor
de hoger gelegen verdiepingen in de vorige paragraaf. Een aanvulling daarop zijn
de tekeningen met de varianten van woning 15 (zie tekening 2.3.2), waarbij per
verdieping twee woningen in de brede eenheden worden gerealiseerd en in de
twee smalle eenheden (een voor de begane grond aangepaste variant van) woning
15 tesamen met een berging van drie bergruimten .

Tussenvormen Uiteraard zijn er ook bij een compartiment van vier beuken combi-
naties oF tussenvormen mogelijk van de genoemde mogelijkheden. Er zijn bijv. va-
rianten mogelijk met tekening 2.4 .1, waarbij in een smalle eenheid een berging
met vier bergruimten wordt gecombineerd met een maisonnette (zie woning 11).
Verder zijn combinaties denkbaar met woning 4 en woning 7.
Woningplattegronden In relatie tot de uitwerking van de principe-mogelijkheden
voor de verdeling van bergruimten zijn de volgende woningplattegronden voor de
begane grond en de eerste verdieping ontwikkeld :
Woning 1: 3-kamerwoning, brede eenheid, inclusief bergruimte voor compartiment
van 2
(Voor vergelijkbare plattegronden zie de vorige paragraaf)

Woning 2: 3- en 4-kamerwoning, brede eenheid, exclusief bergruimte voor com-


partiment van 4

Woning 3: 3- en 4-kamerwoning, brede eenheid, exclusief bergruimte voor com-


partiment van 4 (dit is een variant op woning no. 2)

Woning 4: 2-kamerwoning, brede eenheid, exclusief bergruimte voor begane


grond voor compartiment van 4 (of 2)

Woning 5 : 2-kamerwoning, brede eenheid, exclusief bergruimte voor begane


grond voor compartiment van 2 (m.u.v. compartiment no. 1, of 4)

Woning 6: 3-kamerwoning (maisonnette), brede eenheid, exclusief bergruimte, met


slaapruimten op de begane grond en woonruimte op de eerste verdieping, voor
compartiment van 4 (of 2)

Woning 7: 3-kamerwoning (maisonnette), brede eenheid, exclusief bergruimte, met


woonruimte op de begane grond en slaapruimten op de eerste verdieping, voor
compartiment van 4 (of 2)

Woning 8: 3-kamerwoning (maisonnette), brede eenheid, inclusief bergruimte, met


woonruimte op de begane grond en slaapruimten op de eerste verdieping voor
compartiment van 4 (of 2)

Woning 9: 3- en 4-kamerwoning (maisonnette), brede eenheid, inclusief bergruim-


te, met woonruimte op de begane grond en slaapruimten op de eerste verdieping,
voor compartiment van 4

Woning 10: 4 en 5 kamerwoning (maisonnette), brede eenheid, inclusief bergruim-


te, met woonruimte en bergruimte op de begane grond en woonruimte en slaap-
ruimten op de eerste verdieping

202
Woning 11: 3-kamerwoning (maisonnette), smalle eenheid, inclusief bergruimte,
met woonruimte op de begane grond en slaapruimten op de eerste verdieping
(voor de eerste verdieping zijn twee varianten getekend)

Woning 12: 3- en 4-kamerwoning (maisonnette), smalle eenheid, exclusief berg-


ruimte, met woonruimte op de begane grond en slaapruimten op de eerste verdie-
ping (variant op woning 11, voor de eerste verdieping zijn twee varianten
weergegeven)

Woning 13: woning (maisonnette), smalle eenheid, exclusief bergruimte, met op de


begane grond en de eerste verdieping woonruimte en een slaapruimte op de eer-
ste verdieping

Woning 14: 2-kamerwoning, smalle eenheid, op begane grond exclusief bergruim-


te

Woning 15: 3- en 4-kamerwoning over twee smalle eenheden, exclusief bergruimte


(oppervlakte 1 1/2 smalle beuk)

Woning 16: 2-kamerwoning, brede eenheid op de begane grond, inclusief berg-


ruimte (woning in beuk met meetruimte gas in het eerste compartiment of in beuk
kast algemene verlichting in het derde compartiment)

Woning 17: 2-kamerwoning, brede eenheid op de begane grond, inclusief berg-


ruimte (woning in beuk met meetruimte gas in het eerste compartiment of in beuk
kast algemene verlichting in het derde compartiment, variant op woning 16)

Voor mogelijke alternatieven voor woningen conform de hoger gelegen verdiepin-


gen (onder meer voor woningen in de smalle eenheden) wordt naar de vorige pa-
ragraaf verwezen.
eerste verdieping
nieuw stijgpunt

begane grond
n i euw stijgpunt

(boven) tekening 2.2 . 1 (onder) 2.2.2

eers t e verdieping
n i euw stijgpunt

begane grond
nieuw stijgpunt

204
Legenda tekening 2 . 2 . 1 , 2 .2 .2 en 2 . 2 . 3
(Ontsluiting)
e entree met brievenbussen en beltableau
h entreehal (Bergruimte)
1 lifthal b bergruimte
v veiligheidstrappehuis
(Woning) M = maisonnette W woning
1 entreehal met garderobe 2 woonkamer
3 slaapkamer 6 keuken
7 natte cel 8 toilet
9 bergkast 10 terras / balkon / serre
{} = alternatief

W14 11 . 101011." . . . . 01" 10 ' . " •• " " . . . " " " " , . . .. '" . . . . " , , , , , . . . . .. . . . , . . .. "' . . . . '1010 10 " . . . " " •• " . " . . . . . '10 . . . . . . . " " " . . .

10
A

b U')

6 2 b o
rooi

b
W W

7/{S} b

U-
3

~
ts/ (9

b
10 1
I
l.. h/1 1
e
;0-
t ""'"
alliI V

lift -Cpr_ hJ tekening 2 . 2 . 3

-
I l V begane grond
wonlng 14
M 11 M 13

10 10

6 2

b*

tekening 2.4 . 1
begane grond woning 11 (maisonnette)
Berging
begane grond woning 13 (maisonnette)

Complete legenda

B = bergruimte w woning
b · = bergruimte bij woning M maisonnette
(Ontsluiting)
e entree met brievenbussen en bel tableau
hentreehal (Bergruimte)
1 lifthal b = bergruimte
v veiligheidstrappehuis b* bergruimte bij de
woning
(Installatie ruimte / algemene ruimte)
k = ketelhuis t traforuimte
lr laagspanningsruimte r regelruimte
rg regelruimte gas mg = meetruimte gas

206
d = (algemene) dienstruimte c containerruimte
(Woning)
1 entreehal 2 = woonkamer
3 slaapkamer 4 = garderobe
5 eetkamer 6 keuken 7
natte cel 8 toilet 9
bergkast 10 terras / balkon
{} = alternatief

M M

10 10 t0-
e
N
5

7 7

woning 13
eerste verdiepi ng
maisonnette
M M
variant a 10 10 variant b

woning 12
verdieping
maisonnette
lThim open

Od
T=========.l=';l~ _ !..2l_

6 2

I
e
u I
_........,jf
m
Ir'-
A.l.yp-_
h/_l
woning 12
v hf begane grond
malsonnette

208
7

woning 8
eerste verdieping
maisonnette
~~~'*~~
.~,.:'\' .. open
0-
o
N

~
b*
~
2
8
I:!:
1
I
~
M
e
h/1
...J \

..
~~~ open
,-
lift ~
v

.\,.- h
-v 1 woning 8
begane grond
malsonnette
6 2

woning 6
Ç1.m open
eerste verdieping
maisonnette

. ~

7/8
I,....".
3

3 .....

1 {3) /la
11

~ 1
M
J woning 6
lift l.~ vh 1 begane grond
l_ I ·V""" maisonnette

210
nieuw stijgpunt eerste verdieping

begane grond
nieuw stijgpunt

10
(boven) tekening 2.3.1
-
N

2 6

w w

~ berging tekening 2.3.2


eerste verdieping
l%~~
,," .~ open woning 15
M variant a Mvariant b

10 10

3 4
w w

woning 11
verdieping I
l*i:~ open

Mll Ml3

10 10

6 2 2

b*

woning 11
begane grond
~ berging maisonnette

212

1 ____


6
~ 2

1
I
M
v
~

, rm:
lt ift
h/l

- "-
v
1

ol
- V
woning 7
begane grond
maisonnette
...
N

7/8 lJ 6
3

r
1 2
r-
IO I
~ h/l 1
e
....-!
woning 4
lift 1: r~~~-Vj begane grond

-
, 2-kamer woning.
4.7 Beoordeling van de mogelijke varianten
In het onderstaande schema is het voorgaande onderzoek naar oplossingsvarianten
voor alle verdiepingen van Hoogoord nog eens samengevat.

Varianten entrees zie tekeningen


+ stijgpunten

Gebouwen
ontsluiting

differentiatie in
woningtypen
Woning Situering op
begane grond

VARIANTEN WONING- VARIANTEN GEVELS


PLATTEGRONDEN

Maatregelen
uitgangspunten
m. b . t . gevels

schema

In het voorgaande gedeelte is variant A met een zo ver mogelijk doorgevoerde


compartimentering onderzocht. Argumenten daarvoor waren het minimaliseren van
het aantal woningen per compartiment en het onderzoeken van mogelijkheden
voor het plaatselijk bij de woningen betrekken van galerijen . De compartimenten
van vier en van twee eenheden hebben daardoor ieder slechts de beschikking over
een stijgpunt met een lift en een trappehuis. Doordat er slechts één verticale vlucht-
weg bereikbaar is worden er strenge eisen gesteld in verband met brandveiligheid,
onder meer met uitvoeren van het trappehuis als veiligheidstrappehuis, eisen t.a .v.
de toegangen van woningen en eisen aan de gevels waarlangs een vluchtweg
voert. Uit het onderzoek blijkt dat het moeilijk is een goede oplossing te vinden
voor het veiligheidstrappehuis ter plaatse van de begane grond alsmede voor de
entree. Het plaatsen van een nieuw trappehuis buiten het gebouw zou een alterna-
tief kunnen zijn .
Een alternatief voor de onderzochte compartimentering is, zoals reeds eerder be-
schreven, een minder ver doorgevoerde compartimentering (variant B) van 4-3-3 -4
eenheden horizontaal, waarbij per compartiment twee stijgpunten toegankelijk zijn
en dus wordt voldaan aan de algemene brandveiligheidseis van twee onafhankelij-

214
ke vluchtwegen. Dit heeft tot gevolg dat er minder strenge eisen zijn m.b.t. onder
meer de uitvoering van de gevel waarlangs een vluchtweg loopt.
Voordelen van variant B ten opzicht van variant A zijn:
- Minder strenge eisen m.b.t. brandveiligheid
- Geen ingrijpende wijzigingen aan bestaande stijgpunten .
Nadelen van variant B ten opzichte van variant A zijn:
- Meer woningen per compartiment (vier compartimenten in vergelijking met vijf
compartimenten bij variant A, waardoor mogelijk meer anonimiteit en minder
betrokkenheid, zie paragraaf 3.1 .3 Sociale veiligheid).
- Galerijen kunnen niet plaatselijk bij de woningen worden betrokken. Dit be-
perkt de mogelijkheid tot het realiseren van verticale elementen in de gevel.
Variant B kan op vergelijkbare wijze als variant A worden uitgewerkt.
Uit het voorgaande blijkt dat er vele varianten mogelijk zijn voor Hoogoord bin-
nen de onderzochte compartimentering van respectievelijk 2-4-2-4-2 eenheden. Er
kan gekozen worden uit een aantal principe-mogelijkheden alsmede combinaties
daarvan voor onderbrenging van de bergruimten in relatie tot diverse in samen-
hang daarmee ontwikkelde woningtypen (en combinaties van woningtypen). Voor
de bergruimten geldt voor het gehele gebouw als ene uiterste het situeren van alle
bergruimten voor het gehele gebouw in bergingen op de begane grond en de eer-
ste verdieping en als andere uiterste het situeren van een enkele bergruimte in ie-
dere woning in het gebouw. Daartussen zijn vele varianten mogelijk. De
-
N

belangrijkste principes voor de bergruimten zijn in de vorige paragraaf voor wat


betreft de begane grond en de eerste verdieping in tekeningen weergegeven . De
mogelijke oplossingen voor de compartimenten van twee eenheden en de oplossin-
gen voor de compartimenten van vier eenheden zijn in principe ook nog eens on-
derling combineerbaar, waarbij gelet dient te worden op het realiseren van
voldoende overzicht vanuit de woningen .
De tekeningen met varianten uit de vorige paragraaf zijn ontwikkeld a.h .v. de in
paragraaf 4.6.4.2 gestelde uitgangspunten . Op grond van die uitgangspunten is
het dus moeilijk om tot een beoordeling en keuze te komen . Wanneer er gekozen
zou moeten worden tussen een beperkt aantal varianten dan kan, om tot een ge-
fundeerde beslissing te komen, hoofdstuk 3 Aspecten voor analyse van galeriiflats,
worden gebruikt om de varianten te beoordelen. De uiteindelijke keuze is m.n. af-
hankelijk van de specifieke doelstellingen en afwegingscriteria zoals deze vooraf
zijn geformuleerd, alsmede van de mate waarin de varianten voldoen aan aan de
gestelde randvoorwaarden, onder meer m.b.t. de financiële consequenties. Het ge-
wicht dat vooraf aan de afzonderlijke doelstellingen is toegekend is dus van groot
belang voor het maken van een keuze. Daar in deze studie geen gewicht aan de
afzonderlijke doelstellingen kan worden toegekend, kan er dan ook geen keuze
voor een eindvoorstel worden gemaakt. Wel wordt er voor Hoogoord een voor-
beeld gegeven van vragen die betrekking hebben op een deelverzameling van de
eerder geformuleerde doelstellingen en bijbehorende maatregelen en die zouden
gebruikt zouden kunnen worden voor een globale analyse om het aantal varianten
tot enkele te reduceren.

Voor wat betreft de woningen :


- Hoeveel woningen kunnen er in totaal worden gerealiseerd?
- Hoeveel 3-kamer woningen kunnen er worden gerealiseerd?
- Hoeveel woningen kunnen er op de begane grond worden gerealiseerd?
- Hoeveel woningen kunnen er op de begane grond worden gerealiseerd die ge-
schikt zouden kunnen zijn voor ouderen en/of gehandicapten?
Voor wat betreft de bergruimten:
- is de bereikbaarheid van de bergruimten voor bijv. het stallen van fietsen goed
of slecht (goed indien deze op de begane grond en de eerste verdieping worden
gesitueerd) en wat is het resultaat van de afweging hiervan versus de aanwezig-
heid van bergmogelijkheid in de nabijheid van de woning (door bijv. individuele
bergruimten bij de woning te situeren)?
- Is er veel of weinig overzicht op de toegangen van de bergruimten en bergin-
gen?
Voor wat betreft het gebouw in zijn geheel:
- Zijn er veel of weinig aanpassingen nodig (onder meer in verband met de fi-
nanciële consequenties)?
Voor wat betreft de gevel:
- Kunnen er verspringingen in de gevels worden gerealiseerd (en kan worden
voldaan aan andere gestelde uitgangspunten m.b.t. het gevelbeeld)?
- Is er veel of weinig overzicht op de toegangen van het gebouw?

Zoals beschreven zal er geen keuze worden gemaakt. Mogelijke varianten voor de
gevels zijn uiteraard afhankelijk van de varianten van de plattegronden en zullen
voor Hoogoord dan ook niet worden uitgewerkt. Voor toepassingen van de in
hoofdstuk 3 aangegeven maatregelen voor gevels wordt verwezen naar de voor-
beeldprojecten.

216
5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
voor aanpassingen van galerijflatgebouwen

5.1 Inleiding
De conclusies en aanbevelingen voor aanpassingen van galerijflatgebouwen gaan
op verschillende nivo's in op de problemen die te maken hebben met het goed
functioneren van woonactiviteiten in en om galerijflatgebouwen.
Uiteraard is dit hoofdstuk algemeen van opzet omdat het individuele gebouwen
omgeving bepaalt welk soort maatregelen gericht nodig zijn. Belangrijk is het te
begrijpen dat een gerichte aanpak samenhangt met een juiste analyse van de pro-
blemen . Het is nuttig en nodig om bewoners die dagelijks het woongebruik bele-
ven bij deze analyse te betrekken. Daarbij moet wel begrepen worden dat de
scope van de bewoner in de eerste plaats zijn eigen waarneming betreft. Om op
een hoger plan te komen zullen teams gevormd dienen te worden waarin de be-
woner, de beheerder, de (her)ontwerper, de uitvoerder en begrotingsspecialist een
plaats hebben. Ook als de doelstelling voor beter functioneren is geformuleerd dan
zijn er nog vele mogelijkheden om dit te bereiken .
Dit hoofdstuk geeft volgens de beschrevenaanpak verschillende mogelijkheden om
goed in te spelen op gesignaleerde problemen . Zo kan de anonimiteit van wonen
verminderd worden door clustervorming waardoor er per verticale ontsluiting (por-
-
N
tiek) minder bewoners per verdieping zijn. Anonimiteit kan eveneens verminderd
worden door in het openbare deel (de galerij) privégebieden op te nemen.
Mogelijk moet in dergelijke gevallen de galerij verbreed worden . Ook aan het
beeld van de gevel kan meer individualiteit gegeven worden, zodanig dat het mo-
gelijk wordt om de eigen woning binnen het totaalbeeld te herkennen. De beslis-
sing welke oplossing gekozen wordt heeft in belangrijke mate met financieën van
doen. Wel is het zo dat op basis van de beschreven aanpak, gelden juist besteed
worden.

5.2 Beoordeling van bestaande situaties en aanpak voor het zoeken naar oplos-
singen
Uitgangspunt voor dit onderzoek is verbetering van de bestaande situatie. Om uit-
eindelijk tot een verantwoorde beslissing te komen omtrent concrete aanpassingen
aan galerijflats kunnen, in het algemeen, achtereenvolgens de volgende stappen
worden gezet:
1 Inventarisatie, analyse en beoordeling van de problemen Dit kan plaatsvin-
den met behulp van hoofdstuk 3 Aspecten voor analyse van galerijflats.
2 Onderzoek naar randvoorwaarden Welke randvoorwaarden spelen een rol
bij het zoeken naar oplossingen voor de betreffende galerijflat? Hierbij kan ge-
dacht worden aan bijv. financiële randvoorwaarden en het bestemmingsplan (zie
ook paragraaf 2.3 Wettelijke regelingen) .
3 Formulering van doelen Wat dient minimaal te worden bereikt, welke uit-
gangspunten kunnen worden gehanteerd en welke afwegingscriteria kunnen worden
geformuleerd? In het algemeen kan als doel worden gesteld het oplossen van de
gesignaleerde problemen en het verbeteren van de woonsituatie door middel van
aanpassingen aan het gebouw. Overeenkomstig de in hoofdstuk 3 beschreven as-
pecten zouden de volgende (deel)doelstellingen kunnen worden geformuleerd :
4 Selectie van mogelijke maatregelen en ontwikkeling van bouwkundige verbe-
teringsvoorstel/en gericht op:
- De bepaalde doelgroepen .
- Verbetering van het imago.
- Vermindering van criminaliteit en onveiligheidsgevoelens.
- Toegankelijkheid van het gebouw voor iedereen (inclusief gehandicapten) .
- Het vergemakkelijken van de oriëntatie rondom en in het gebouw.
- Verbetering van de woontechnische kwaliteit van de woningen .
- Verbetering van de bouwtechnische kwaliteit van de woningen .
- Verbetering van de bouwfysische kwaliteit van de woningen en verbetering
vanuit milieuoverwegingen en energiebesparing .
- Vergroting van de herkenbaarheid van het gebouwen de herkenbaarheid van
delen van het gebouw (bijv. van een groep woningen).
- Verhoging van de complexiteit van de gevel en verhoging van contrast in de
gevel.
- Selectie van mogelijke maatregelen .
Welke principemaatregelen of combinaties van maatregelen zijn nodig om de ge-
stelde doelen te bereiken? Hierbij kan gedacht worden aan bijv. het compartimen-
teren van het gebouwen het vernieuwen van entrees.
In dit hoofdstuk zal eveneens een overzicht worden gegeven van mogelijke maatre-
gelen:
5 Ontwikkeling van oplossingsvarianten (verbeteringsvoorstel/en) voor het be-
treffende gebouw Essentieel zijn de mogelijkheden die het gebouw biedt voor ver-
andering, de veranderbaarheid en aanpasbaarheid.
6 Analyse en beoordeling van de oplossingsvarianten Voldoen de geschetste
oplossingen aan de gestelde uitgangspunten en randvoorwaarden , onder meer
m.b.t. financieële consequenties?

218
7 Keuze voor een oplossingsvariant
8 Concrete uitwerking van de gekozen variant
In het volgende overzicht wordt weergegeven in welke hoofdstukken en paragrafen
de te nemen stappen worden behandeld, voor galerijflats in het algemeen dan wel
toegepast op Hoogoord .

1 Inventarisa t ie , HOOFDSTUK 3
Hoogoord 4 . 1 t/rn 4.4

WETTELIJKE REGELINGEN 2 . 3
Hoogoord 4 . 5

Hoogoord 4 . 6 . 2

HOOFDSTUK 5
Hoogoord 4 . 6 . 3 en 4 . 6 . 4

Hoogoord 4 . 6 . 4
-
N

Hoogoord 4 . 7

7 Keuze

8 Ui t werking VOORBEELDPROJECTEN 2 . 5 EN
HOOFDSTUK 5

schema

5.3 Overzicht van mogelijke maatregelen en aandachtspunten voor galerijflats


De beschreven aspecten en mogelijke problemen en de bijbehorende maatregelen
voor galerijflats (volgens de eerder beschreven categorieën gerangschikt) kunnen
als volgt in een matrix aan elkaar worden gerelateerd:
Woning (A) Gebouwen Gevel (C)
ontsluiting (B)

1 Sociaal

5 Functioneel
ruimtelijk

3 Bouwtechn . +
Bouwfysisch

4 Vorm

matrix

De pijlen geven aan op welke wijze het volgende overzicht van mogelijke maatre-
gelen is samengesteld. Er is dus gekozen voor een behandeling per categorie bij
elkaar horende maatregelen . Achter iedere maatregel afzonderl ijk wordt het be-
treffende aspect genoemd, zodat de achtergrond van de betreffende maatregel in
hoofdstuk 3 Aspecten voor analyse van galerijflats, kan worden nagelezen .
Toepassing van maatregelen zonder inzicht in de achtergrond ervan dient te allen
tijde te worden voorkomen .
Bouwfysische oplossingsmogelijkheden De bouwfysische oplossingsmogelijkheden
hebben betrekking op de fysische aspecten binnenmilieu, duurzaamheid en ener-
giezuinigheid. Van de woning, gebouw, ontsluiting en de gevel worden per fysisch
aspect enige willekeurig gekozen oplossingsmogelijkheden in de figuren 6 tlm 8
gegeven. De gegeven lijsten zijn zeker niet volledig; de gegeven oplossingsmoge-
lijkheden moeten als eerste aanzet tot een completere lijst worden gezien.

Overzicht van mogelijke maatregelen en aandachtspunten voor galerijflats


A Maatregelen voor galerijflats m.b.t. de woning(en)
AI woning(en)

220
Maatregelen m.b.t. functioneel-ruimtelijke aspecten (2):
- Maatregelen in verband met bijzondere toegankelijkheid volgens het
Bouwbesluit (bijzondere toegankelijkheid) .
- Aanpasbaar renoveren (bijzondere toegankelijkheid) .
- Een gedeelte van de balkons bij de woning trekken , als berging of als serre
(woontechnisch).
- Een gedeelte van de galerij bij de woning trekken , als berging, serre of als
buitenruimte (woontechnisch).
- Vervangen van bestaande balkons door grotere balkons (woontechnisch) .
- Extra balkons tegen de gevel plaatsen (woontechnisch).
Maatregelen m.b .t. bouwtechnische en bouwfysische aspecten (3) :
- Het maken, door zagen en boren, van zeer grote gaten in wanden om daar
door grotere vertrekken te formeren . Aanvullende maatregelen voor het verster-
ken van de vloeren horen hierbij .
- Het aanstorten van betonwanden om zo woningen te vergroten tot aan de
balkonzijde. Er kan een goed gebruik gemaakt worden van de wapening in de
consoles.
- Het vergroten van de buitenruimte, door balkonplaten te vervangen door grote-
re, ophangconstructies toe te passen of dergelijke. N
N
BOUWFYSISCHE MOGELIJKHEDEN (ALGEl>IEEN)

WONING (A)

1 Geluidwering bu . - Zwevende dekvloeren toepassen .


r-----------------~ Geluidprod . ruimten compartimenteren .
2 Contact- / luchtgeluid intern Dichte keuken (interne br . vermijden) .
Binnenwanden ontkoppelen van woningscheidende wanden .
3 Installatiegeluid - Afsluiting galerij met glasruit (bij grote geluidbelast i ng ) .
woningsch . wanden verzwaren .
4 Galm - Voorzetwanden voor woningsch . wanden

5 Vochtproblemen Raamgroot te en glassoort aanpassen .


Lichttechnische belemmeringen voorkomen
6 Luchtverversing + tocht Vocht bronnen ' isoleren '.
Glazen pui voor galerij
7 Therm . comfort

8 Licht

9 Temp . spanningen - 8elenunerende vervormingen vermijden .

10 Inw . conden satie

.
.
"c'O
,
.,tn '"
'rl
11 Warmteisolatie
I--------------i -
12 Luchtdichtheid
- 8uitenoppervlak klein houden (compact bouwen) .
Ruimten met gelijke hogere temp . combineren en zuidelijk
oriênteren (compart . en zoneren) .
UJ · rl · rl I---------------i - Op het noorden kleine glasoppervlakk .
Q ~ 1l 13 Energiegebruik - Toepassen van onverwarmde serre of afsl . galerij met glas .
Vergroten inw . luchtweerstand door compart . (dichte keuken) .
All woningdifferentiatie
Maatregelen m.b.t. sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten (1):
- Vergroten of verkleinen van (een deel van) de woningen, door middel van het
samenvoegen van woningen (horizontaal en/of verticaal) of woningsplitsing, bijv.,
realiseren van woningen op de begane grond, eventueel in combinatie met de
eerste verdieping (maisonnettes), ten behoeve van differentiatie in woningtypen
(eventueel in combinatie met functiewijziging wonen en werken [doelgroep]).
- Woningsplitsing of -samenvoeging om differentiatie in woningtypen aan te
brengen (verschillende woningtypen, woninggrootte), eventueel functiewijziging
(wonen en werken), sloop van een deel van de woningen (aftopping) of bijbou-
wen van woningen (bijv. op de begane grond in plaats van bergingen en ge
meenschappelijke ruimten [doelgroep])
Maatregelen m.b.t. functioneel ruimtelijke aspecten (2):
- Vergroten of verkleinen van (een deel van) de woningen, veranderen van de
indeling (aantal kamers) van (een deel van) de woningen (woontechnisch).
Maatregelen m.b.t. bouwtechnische aspecten (3):
- Het wijzigen van woningen door het aanbrengen van lichte woningscheidende
binnenwanden, het dichten van bestaande openingen en het maken van gaten in
wanden die nu gesloten zijn, kan een woningdifferentiatie bereikt worden die
goed aansluit aan de behoefte. In principe kan vrijwel elke gewenste differen-
tiatie gerealiseerd worden.
- Het toevoegen van woningen op het dak.
- Het toevoegen van rugwoningen op het begane-grondnivo.

B Maatregelen en aandachtspunten voor galerijflats m.b.t. het gebouwen de ont-


sluiting
BI gebouw
Maatregelen m.b.t. sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten (1) :
- Realiseren van wooneenheden tot op het begane-grondnivo (sociale ogen en
zichtbaarheid) .
- Beperken van het aantal woningen per blok- en woongebouw en beperken van
het aantal verdiepingen per gebouw, desnoods door aftoppen en/of samentrek-
ken van woningen (betrokkenheid, verantwoordelijkheid en territorialiteit).
- Verminderen van grootschaligheid van het bouwblok door middel van aftop-
ping (attractiviteit).
- Verbeteren van het uiterlijk (onder meer het afwerkingsnivo [doelgroep])
- Overzichtelijk vormgeven en ruim dimensioneren van onderdoorgangen (blok

222
doorgangen [sociale ogen en zichtbaarheid]) .
- Eventueel realiseren van gemeenschappelijke ruimte(n) (sociale veiligheid)
Maatregelen m.b.t. bouwtechnische en bouwfysische aspecten (3) :
- Uitbouwen van woningen tot de eerste dan wel tweede verdieping . Het verlen-
gen van de wanden geeft hier de eenvoudige mogelijkheid tot uitbouwen . De
stijfheid van de wanden verdeelt de extra belasting over meerdere palen, zodat
naar alle waarschijnlijkheid geen extra palen bijgeslagen behoeven te worden .
De galerij dient aan de bovenzijde geïsoleerd te worden, of de extra toegevoeg
de zone dient als een serre of wintertuin aan de woning toegevoegd te worden .
Als bouwtechniek om te komen tot een eenvoudige technische oplossing kan het
verlengen van de wanden worden gebruikt.
- Het omzetten van een galerijoplossing tot een inwendige dubbelhoge corridor
met tussen de corridors een woonlaag . Minder validen dienen geplaatst te wor-
den op het vloernivo van de corridor.
Maatregelen m.b.t. vormaspecten (4) :
- (Gedeeltelijk) aftoppen om bijv. variatie In hoogte te bewerkstelligen [contrast) .

Bil compartimentering gebouwen de ontsluiting ti')


N
N
BOUWFYSISCHE MOGELIJKHEDEN (ALGEMEEN)

GEBOUW EN ONTSLUITING (B)

1 Geluidwering hu . - Leidingschachten combineren .


o
H
1-------------1 - Gebalanceerde ventilatiesysteem bij hoge ext . geluidbelasting .
2 Contact- / luchtgeluid intern - Geluidsarme installaties en sanitair toepassen .

I"'" 3 Installatiegeluid
- Trillingsvrije bevestiging C . q ophanging van trap en leuning .
- Ruimte rond leidingen afdichten .
- Geluidabsorb . voorz . onder bordessen .

"o 4 Galm

5 Vochtproblemen - Mechanische ventilatie van vochtproducerende ruimten .


1-------------1 - Geen open verbrandingstoestellen .
6 Luchtverversing + tocht - Afsluiten van galerijen en balkons .

7 Therm . comfort

8 Licht

9 Temp . spanningen

10 Inw . condensatie

11 Warmteisolatie - Gebalanceerd vent . systeem met warmteterugwinning .


w , 1-------------1 - Zonneboiler voor warm tapwater.
.; .~ 12 Luchtdichtheid - HR-ketels .
H "'0
Q.) .......... 1-------------1 - Serres voor voorverwarming ventilatielucht .
a ~ II 13 Energiegebruik
Maatregelen m.b.t. sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten (1):
- Compartimenteren van het gebouwen de ontsluiting (sociale ogen en zicht-
baarheid).
- Verminderen van grootschaligheid door middel van het compartimenteren van
bergingen en galerijen (attractiviteit) .
- Beperken van het aantal woningen per entree d.m.v. het compartimenteren van
galerijen (attractiviteit).
- Compartimenteren van galerijen (toegankelijkheid/vluchtwegen).
- Schaalverkleining van galerijen door middel van compartimentering (beperking
van het aantal woningen per galerij). Bij voorkeur zo kort mogelijke galerijen en
zo weinig mogelijk galerijen per stijgpunt (betrokkenheid/verantwoordelijkheid
en territorialiteit) .
- Beperken van de loopafstand entree-woning door toevoeging van stijgpunten en
entrees.
- Opheffen of compartimenteren van een eventueel aanwezige binnenstraat, toe-
voegen van entrees (toegankelijkheid en lichamelijk comfort) .
- In geval van compartimentering waar nodig toevoegen nieuwe stijgpunten (lif-
ten en trappen) en entrees. Hiervoor zijn twee mogelijkheden:
- Toevoegen van liften buiten het gebouw.
- Toevoegen van liften in het gebouwen verplaatsen van de trappehuizen buiten
het gebouw (Reden: trappehuis is minder gesloten dan een lift [Kapteijns, 1990]).
Maatregelen m.b.t. bouwtechnische aspecten (3):
Indien tot compartimentering wordt overgegaan dienen verticale stijgpunten aan het
gebouw te worden toegevoegd. Het betreft een nieuwbouwdeel met een eigen fun-
dering voor het opnemen van de verticale belasting van trappen en liften. De hori-
zontale belasting kan aan het gebouw worden afgedragen, waardoor slank kan
worden gedimensioneerd. Hiervan uitgaande kunnen verschillende bouwkundige
oplossingen voor het compartimenteren worden toegepast, zoals :
- Compartimentering door lichte en gesloten afscheidingen op de galerijen die
bouwkundig eenvoudig aan te brengen zijn .
- Compartimentering door sommige flats de galerij binnen de woning te trekken,
zoals eerder beschreven .
- Compartimentering met behulp van een eenvoudige en lichte voorzetgevel, die
aan de galerijen wordt bevestigd. Het woongebouw krijgt daardoor een sterk
gewijzigd beeld waarbij afwisseling ontstaat tussen bijv. de compartimenten die
een nieuw stijgpunt krijgen in samenhang met een voorzetgevel, en de comparti-
menten die het bestaande inwendige stijgpunt houden met de open galerij . Het

224
oewijzingsbeleid zou zich bijv. kunnen richten op een differentiatie naar leeftijd
(seniorenwoningen) gekoppeld aan afgesloten galerijen door voorzetgevels.

BlIlontsluiting
Maatregelen m.b.t. sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten (1).
Maatregelen m.b.t. entrees:
- Toegangen in het zicht (zichtbaarheid vanaf woning en openbare weg [aanwe-
zigheid van sociale ogen en zichtbaarheid]).
- Geen teruggelegen donkere ruimten en zijingangen (aanwezigheid van sociale
ogen en zichtbaarheid).
- Afsluiten entreehallen en toegangen (toegankelijkheid/vluchtwegen) .
- Aanbrengen van een elektrische deuropener en een vandalismebestendige hal-
lofooninstallatie (toegankelijkheid/vluchtwegen).
- Aanbrengen en verplaatsen van vandalismebestendige postvakken, zodanig dat
deze alleen van buitenaf bestelbaar en van binnenuit te openen zijn (toeganke-
lijkheid en vluchtwegen).
Maatregelen m.b.t. verticale ontsluiting:
- Afsluiten trappehuizen (toegankelijkheid/vluchtwegen) . It)
- Afsluiten noodtrappehuizen door een hek of deur die alleen vanaf de binnen- til
zijde te openen is (toegankelijkheid/vluchtwegen). til
- Situeren van brandtrappen aan dezelfde kant van het gebouw als de hoofdin-
gangen (aanwezigheid van sociale ogen en zichtbaarheid).
Maatregelen m.b.t. horizontale ontsluiting:
- Zo mogelijk privatiseren van semi-openbare ruimten door middel van fysieke en
symbolische barrieres. Bijvoorbeeld de galerijen betrekken bij de woning door de
galerij op te delen door middel van vorm, kleur- en materiaalgebruik (betrokken-
heid en verantwoordelijkheid en territorialiteit) .
- Afsluiten van de galerijen (toegankelijkheid/vluchtwegen).
- Vermijden van loopbruggen (die woonblokken onderling verbinden [toeganke-
lijkheid en vluchtwegen) aanwezigheid van sociale ogen en zichtbaarheid).
Maatregelen m.b.t. ontsluiting algemeen :
- Zorgdragen voor zicht op entreehal, lift en trappehuizen vanaf de straat.
Eventueel toevoegen van liften in het gebouwen situeren van trappehuizen bui-
ten het gebouw, omdat een trappehuis minder gesloten is dan een lift (aanwe-
zigheid van sociale ogen en zichtbaarheid).
- Geen donkere en onoverzichtelijke hoeken en nissen in de hal, onder de trap
en op de galerij (aanwezigheid van sociale ogen en zichtbaarheid).
- Aantrekkelijk kleur- en materiaalgebruik in entreehalletjes, liften en trappehuizen
(attractiviteit) .
- Goed verlichten van toegangen , entreehalletjes, liften en trappehuizen (attracti-
viteit) .
- Verlichten semi-openbare ruimten in en rond het gebouw (aanwezigheid van
sociale ogen en zichtbaarheid).
- Duidelijke overgangen tussen openbaar en privéterrein (betrokkenheid en ver-
antwoordelijkheid en territorialiteit).
Maatregelen m.b.t. functioneel-ruimtelijke aspecten (2) :
Maatregelen m.b.t. verticale ontsluiting:
- Indien nodig toevoegen van liften (bijzondere toegankelijkheid) .
Maatregelen m.b.t. horizontale ontsluiting:
- Voldoen aan Art. 43 Bouwbesluit, onder meer m.b.t. het maximale hoogtever-
schil tussen de toegang van een woning en het aansluitende terrein (bijv. indien
nodig galerijvloeren verhogen [bijzondere toegankelijkheid]) .
- Voldoen aan Art. 42 Bouwbesluit, Hoogteverschillen tussen gemeenschappelijke
verkeersruimten onderling (bijv. verhogen van galerijvloeren indien nodig [bijzon-
dere toegankelijkheid]) .
Maatregelen ontsluiting algemeen:
- Toepassen van hoeken van 90 graden voor de routes in een gebouw, toepas-
sen van T-kruisingen , rechte gangen of geringe bochten waarbij de hoofdrichting
duidelijk blijft, beperken van het aantal knikken en bochten . Gebruiken van vaste
kleuren voor vaste richtingen, asymmetrie en eventueel markante objecten (rich-
tingsduidelijkheid)(oriëntatie}.
- Zorgdragen voor continuiteit van routes door middel van het toepassen van
bijv. ononderbroken vloerprofiel, zijvlakken , pijlenreeks, gekleurde lijnen, trappen,
(oriëntatie) alsmede gelijkheid, overeenkomst of harmonie van oppervlakte, vorm
en gebruik (zelfde materiaal, kleur of kunstwerk [continuiteit en oriëntatie]).
- Ervoor zorgdragen dat knooppunten , kruisingen , schakelingen, verbindingen of
ontmoetingspunten van routes en ruimten duidelijk zichtbaar zijn (zichtbaarheid
van verbindingen [oriëntatie]) .
- Zorgdragen voor koppeling van elk ontsluitingselement aan een element ervoor
en een element erachter, bijv. door het nummeren van etages en woningen (tijd
reeksen [oriëntatie]) .
- Aanbrengen van bewegwijzeringsborden m.b.t. toegangen van het gebouw, de
verschillende etages en de huisnummers (oriëntatie) .
Maatregelen m.b.t. bouwtechnische aspecten (3):

226
- De belangrijkste bouwtechnische ingrepen in relatie tot de ontsluiting is die
waarbij de voorkant van de flat achterkant wordt. Deze ingreep kan nodig zijn
indien flats op relatief geringe afstand van elkaar zijn gesitueerd . In de Bijlmer
staan de flats niet zo dicht op elkaar. Daarmee vervalt deze noodzaak die el-
ders gewenst is om te voorkomen dat de voorkant van de flat altijd uitkijkt op
de achterkant van de naastliggende flat, met het daarbij behorende rommelige
beeld van opgeslagen en hangende zaken .
Bij dit soort ingrepen behoort eveneens een aanpassing van het tussen de flats
gelegen gebied.
- In relatie tot bepaalde ingrepen, zoals compartimentering, waarbij flats tot aan
de voorkant van de galerij worden doorgetrokken kan een tweede vluchtweg
over de balkons tot een oplossing leiden . Bouwtechnisch gezien kan door weg
slopen van het bestaande trappehuis en invullen met een nieuw geprefabriceerd
trappehuis, zoals eerder beschreven deze oplossing worden gerealiseerd.
- Een belangrijke ingreep is die waar de entree van de ontsluiting een betere
ruimtelijke kwaliteit krijgt. Flats die direkt boven en naast de entree zijn gelegen
worden weggebroken en de wanden worden gedragen door kolommen . Op
deze manier kan het entreegebied worden veranderd van een benauwd binnen- t0-
komen tot een entreegebied dat een functie als wintertuin o.d. kan krijgen. N
- De kwaliteit van m.n. de horizontale ontsluiting (de galerij) kan verbeterd wor- N
den door het plaatsen van voorzetgevels. Regenbelasting en in mindere mate de
wind speelt nu geen rol meer. Dat betekent dat opstanden tussen woningen en
galerij en tussen de verticale ontsluiting en de galerij niet langer nodig zijn,
zodat gemakkelijker een maximaal hoogteverschil van 0,02 m kan worden be-
reikt en woningen ook door senioren en minder validen gebruikt kunnen worden.
Maatregelen m.b.t. vormaspecten (4)
Maatregelen m.b.t. entrees:
- Aanbrengen van een naambord of ander ruimtelijk symbool op de entrees (i-
nterpretatie van informatie).
- Toepassen van bijv. glazen toegangsdeuren in de entrees in verband met het
visueel bereik (organisatie van het waarnemingsveld) .
- Zorgdragen voor zicht op trap en lift bij het betreden van het entreehalletje
(organisatie van het waarnemingsveld).
Maatregelen m.b.t. verticale ontsluiting:
- Realiseren van liften die wat betreft afmetingen geschikt zijn voor brancards
(algemeen).
Maatregelen ontsluiting algemeen :
- Zorgdragen voor zicht op het volgende te nemen ruimtelijke element (bijv. gale-
rijdeur) wanneer men uit de lift stapt of van de trap komt (organisatie van het
waarnemingsveld).
- Benadrukken van onsluitingselementen (entrees, entreehalletjes en stijgpunten),
zowel wat betreft interieur als exterieur, door middel van kleur en vorm (selectie
van informatie).

IV bergingen
Maatregelen m.b.t. sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten (1) :
- Eventueel verplaatsen van bergruimten als gevolg van het situeren van wonin-
gen op de begane grond. Eventueel bergingen op het terrein nabij het flatge-
bouw situeren (Iet op overzicht om inbraken te voorkomen [algemeen]).
- Verminderen van grootschaligheid door middel van het compartimenteren van
bergingen (algemeen).
- Schaalverkleining van bergingsgangen door middel van compartimentering . Zo
mogelijk opdelen van de bergingen in clusters waarbij elk cluster aan een galerij
of compartiment woningen (per stijgpunt) wordt toegewezen (betrokkenheid en
verantwoordelijkheid en territorialiteit).
- Beperken van het aantal bergingen aan collectieve ruimte (betrokkenheid en
verantwoordelijkheid en territorialiteit) .
- Inpandig realiseren van bergingsdeuren, niet direct aan de straat gelegen .
Situeeren van de bergruimten in groepjes van 8 à 10. De toegangen van de
bergruimten en de gang er naar toe moeten overzichtelijk zijn . Alternatief: ber-
gingstoegangen zichtbaar vanaf de woning en openbare weg (sociale ogen en
zichtbaarheid) .
- Aantrekkelijk kleur- en materiaalgebruik (attractiviteit).
- Goed verlichten van bergingstoegangen en bergingsgangen (attractiviteit) .
Maatregelen m.b.t. functioneel-ruimtelijke aspecten (2):
- Compartimenteren van bergingen (toegankelijkheid/vluchtwegen).
- Afsluiten van bergingtoegangen en -gangen (toegankelijkheid/vluchtwegen).

C Maatregelen voor galerijflats m.b.t. de gevel


Maatregelen m.b.t. sociale en sociaal-ruimtelijke aspecten (1):
- Verbeteren van het uiterlijk van het gebouw (onder meer het afwerkingsnivo
[doelgroep, imago]) .
- Zorgdragen voor visueel contact met begane grond door middel van:
- Erkers.

228
- Vermijden van uitstekende delen boven het trottoir (overbouwingen, balkons
[aanwezigheid van sociale ogen en zichtbaarheid]) .
- Vermijden van lange blinde gevels (aanwezigheid van sociale ogen en zicht-
baarheid) .
- Vermijden van inhammen en hoeken in de gevels (aanwezigheid van sociale
ogen en zichtbaarheid) .
- M .b.t. maatregelen aangaande de attractiviteit van de gevel wordt verwezen
naar maatregelen m.b.t. vormaspecten (4 [attractiviteit]) .
Maatregelen m.b.t.functioneel ruimtelijk aspecten (2):
- Hang- en sluitwerk (worden verder in dit rapport niet nader behandeld) (toe-
gankelijkheid en vluchtwegen) .
- Aandacht besteden aan de situering en toegankelijkheid van deuren en ramen
(toegankelijkheid/vluchtwegen).
Maatregelen m.b.t. bouwtechnische en bouwfysische aspecten (3) :
- De gevel bij galerijflats omvat meer dan de materiële scheiding tussen binnen
en buiten . Ook de buitenruimte dient bij de gevel betrokken te worden . Sterker
nog, bij middelhoge woongebouwen is vrijwel alleen de buitenruimte in de vorm
van galerijen of gekoppelde balkons zichtbaar en deze gevenhet horizontale ka -
rakter aan de gevel;
- In technische zin kan en zal er regelmatig onderhoud getroffen worden aan de
gevel. Ook verbeteringen zijn hier mogelijk. Gedeeltelijk in de aanpassing van
de isolatiekwaliteit door verbetering van opbouw van in kozijnen opgenomen pa-
nelen, vervangen van onderhoudsgevoelige materialen, of door toepassing van
betere geveldichtingen samen met gerichte ventilatiemaatregelen . Kwalitatieve ver
betering wordt daardoor natuurlijk bereikt maar nauwelijks zichtbaar. Wel wor-
den de kosten voor bewoner en organisatie voor het gebruik geringer en daar
om alleen zijn die maatregelen al nodig.
- Meer ingrijpende maatregelen hebben betrekking op:
1 vergroten van de buitenruimte, waarbij de bestaande galerij- en balkonpla-
ten vervangen worden door bredere, naast eventuele aanpassing van consoles.
2 Het toepassen van hang of steunconstructies voor het afdragen van belasting
van de grotere balkons en galerijen, waardoor er verticale elementen in het ge-
velbeeld worden geïntroduceerd .
3 Het aanbrengen van voorzetgevels waardoor het buitenklimaat gewijzigd
wordt in een tussenklimaat. Met het toepassen van voorzetgevels zijn sterke ver-
anderingen in het gevelbeeld te realiseren .
BOUWFYSI SCHE MOGELIJKHEDEN (ALGEMEEN)

GEVEL (Cl

1 Geluidwering bu . - Detaillering, goede kierdichting .


- Suskasten en akoestisch glas .
2 Contact - I luchtge luid intern - Ra-borstwering> Ra-glas + 10dB (A) .
- Aansluiting woningscheidende wand en gevel afdichten (min .
3 Ins t allatiegeluid wol + kit) .

4 Galm

5 Vochtproblemen - Dubbel glas of extra isol . glas .


1-------------1 - Inpakken slecht geïsoleerde plekken .
6 Luchtverversing + t ocht - Luchtdoorlatendheid verkleinen .
1-------------1 - Radiatorplaatsing .
7 Therm. comfort - Luchtverversing via onverwarmde ruimte .
1-------------1 Begane grondvloer luchtdicht maken .
8 Licht

9 Temp . spanningen Belemmerende vervorming opheffen


I--------------l - Thermisch en hygrische beoordeling van gevels en daken .
10 Inw . condensatie - Aanbrengen dilataties en isolatie .

11 Warmteisolatie Beter isoleren .


Luchtdichtheid gevels verhogen .
12 Luchtdichtheid Inpakken van s l echt geïsoleerde plekken .

13 Energiegebruik

Maatregelen m.b.t. vormaspecten (4)


Maatregelen gevel-won ingen:
- Verbijzonderen van een groep woningen (bijv. per compartiment) in het geveI -
vlak door middel van vormgeving (bijv. richtingsverandering of uitspringing ten
opzichte van het gevelvlak), grootte, details, materiaal, tekstuur, ligging, contrast
en kleur (selectie van informatie) .
- Herkenbaar maken van groepen woningen (bijv. compartimenten) door middel
van vormgeving, kleur- en materiaalgebruik, bijv. door middel van het dichtma-
ken van galerijen of balkonnetjes, versieringen, kunst enz. (interpretatie van info.
Maatregelen gevel-ontsluiting:
- Verbijzonderen entrees in het gevelvlak door middel van vormgeving (bijv. rich-
tingsverandering of uitspringing ten opzichte van het gevelvlak), grootte, details,
materiaal, tekstuur, ligging, contrast en kleur (selectie van informatie) .
- Verbijzonderen stijgpunten in het gevelbeeld door middel van vormgeving (bijv.
richtingsverandering of uitspringing ten opzichte van het gevelvlak), grootte, de-
tails, materiaal, tekstuur, ligging, contrast en kleur (selectie van informatie) .
- Herkenbaar maken van de entrees in het gevelbeeld als figuur door middel
van een duidelijke omlijning, herkenbare vorm, continuïteit van de achergrond en

230
vooruitspringing ten opzichte van het gevelvlak (organisatie van het waarne-
mingsveld) .
- Herkenbaar maken van de stijgpunten in het gevelbeeld als figuur door middel
van een duidelijke omlijning, herkenbare vorm , continuïteit van de achergrond en
vooruitspringing ten opzichte van het gevelvlak (organisatie van het waarne-
mingsveld) .
- Afwijkend vormgeven van (nieuwe) stijgpunten en entrees (door bijv. gebruik te
maken van gebogen lijnen) (verhoging van complexiteit) .
- Plaatsen van stijgpunten of entrees onder een bepaalde hoek met de gevel
(verhoging van complexiteit).
- Realiseren van nieuwe stijgpunten en entrees op (op het eerste gezicht) wille-
keurige plaatsing, asymmetrische plaatsing (verhoging van complexiteit) .
- Speels vormgeven van nieuwe stijgpunten, entrees (verhoging van complexiteit) .
- Aanbrengen van afwisseling in hoogte met behu lp van nieuwe stijgpunten (ver-
hoging van complexiteit) .
Maatregelen m.b.t. galerijen en balkons:
- Verminderen van de dominante horizontale indruk van galerijen en balkons
door middel van vormtoepassingen (selectie van informatie).
- (Plaatselijk [afwijkend vormgeven van galerijen en balkons, bijv. ronde balkon-
netjes of balkonnetjes die met behulp van een staalconstructie aan het gebouw
-
."
N
hangen] complexiteit) .
- Realiseren van nieuwe richtingen in het gevelvlak door middel van (aanpassing
van de (vorm van galerijen en/of balkons [complexiteit]) .
- Aanbrengen van inspringende (loggia's) en uitspringende geveldelen (erkers,
serres, balkonnetjes (complexiteit) .
- Realiseren van serres op (op het 1e gezicht) willekeurige plaatsen, aanpassen
van balkons e.d. (complexiteit) .
- Speels vormgeven van balkonnnetjes en galerijen (verhoging van contrast).
Algemene maatregelen m.b.t. gevel en m.b.t. de totaalopbouw:
- Zorgdragen voor een eenvoudige hoofdvorm met een meer complexe opbouw
(complexiteit) .
- Realiseren van een geleedheid in de totaalopbouw, bijv. compartimenten als
herkenbare onderdelen, door middel van vormgeving , kleur- en materiaalgebruik
(complexiteit) .
- Variëren van vorm en grootte van de onderdelen (complexiteit) .
- Leggen van een relatie tussen vorm en functie (functionele betekenis) door de
ontsluiting en de woonfunctie te onderscheiden door middel van vormgeving,
kleur en materiaalgebruik (interpretatie van informatie) .
- Realiseren van verschillen in hoogte van het gebouw, bijv. een verspringende
daklijn of verschillende dakvormen, bijv. gekoppeld aan stijgpunten of comparti-
menten (complexiteit).
- Aanbrengen van verschillende dakvormen, dakhoogten, desnoods door gedeel-
telijke aftopping (contrast).
- Aanbrengen van een derde dimensie in de gevel door het realiseren van terug-
en vooruitspringende delen (bijv. stijgpunten [contrast]) .
- Aanbrengen van richtingsverschillen in het gevelvlak: afwijkingen ten opzichte
van het platte vlak. Delen van het gebouw naar voren of naar achteren plaatsen,
aanbrengen van schuine of geknikte vlakken in verticale richting (complexiteit).
- Aanbrengen van versieringen . (complexiteit).
- Aanbrengen van een kunstwerk of kunstwerken, geveldecoraties (contrast) .
- Aanbrengen van verschillen tussen gelijke gebouwen door middel van vormge-
ving, kleur- en materiaalgebruik (interpretatie van informatie).
- Afwisselen van langwerpige rechthoekige vormen met korte vierkante vormen
complexiteit) .
- Afwisselen van hoekige contouren met ronde lijnen (complexiteit).
- Aanbrengen van onregelmatige afstanden, asymmetrie, niet direct te doorgron-
den regelmaat (complexiteit) .
- Toepassen van verschillende bouwmaterialen (complexiteit) .
- Toepassen van kleur, bijv. warme kleuren, complementaire kleuren , kleuren met
een lage grijswaarde, veel kleuren (hoog kleurnivo [complexiteit]).
- Aanbrengen van contrast in (vorm), grootte, kleur en materiaal (contrast) .
- Afwisselen van vormen, onverwachte wendingen (contrast).
- Aanbrengen van speelse, grillige vormen in geval van strakke regelmatige vor-
men (contrast).

232
LITERATUUR Bolte W. & Meijer, 1. (1981) Van Berlage tot Bijlmer.
Delft: TH D , Projektraad .
Acier-Stahl-Steel (1976) Verwendung von vorbe-
sichteten Stahlblechen - Holland. Boonstra, JM. (1991) Veranderboarheid binnen de
Fassadenrenoverierung moderner Gebäude. Acier- woningvoorraad . Delft.
Stah/-Stee/, Vol. 41 , nr. 9, p. 304-306.
Bouw (1966) Amsterdam mag bouwen in de
Aktuelles Bauen (1987) Ungeliebte Wohnblöcke. Bijlmermeer. Bouw, Jg. 21 , p. 2058
Aktuelles Bauen, Vol. 22/ 44, nr. 11-12, p. 52
Bouw (1967) 1967 gunstig jaar voor woningbouw in
Albers, P.JR. & Giessen, M. van (z.j.) Amsterdam. Begin gemaakt met uitvoering delen B en
Documentatie Volkshuisvesting. 's-Gravenhage: C in de Bijlmermeer. Bouw, Jg. 22, p.1476-1477.'
Vuga .
Bouw (1968) Amsterdamse nieuwbouw een succes .
Andel , JA & Hamel, R. (1981) Literatuuroverzicht Bouw, Jg. 23, p. 2107
omgevingspsychologie. Eindhoven: TH E.
Andela , G. & Camp, D (1993) Versleten Bouw (1969) Spiegel van de week. Bouw, Jg. 24, p.
Kleinpolder wordt fraaie woonbuurt. Renovatie & 1233
Onderhoud, Jg. 18, nr. 2, p. 18-21.
Bouw (1970) Spiegel van de week. Bouw, Jg. 25, p.
Aussen, L. (1989) Het effect van bouwkundige 1847
maatregelen bij het terugdringen van exploitatie-
problemen van naoorlogse waningcomplexen. 's- Bouw (1973) Spiegel van de week. Bouw, Jg. 28, p.
Gravenhage: Ministerie van V ROM. 367.

Bauzeitung (1990) Objekt Report Ziegelfassade Bouw (1986) Leegstand Bijlmer gaat gewoon door.
mit neuer Haut. Sanierung eines Wohn- und Bouw, Jg. 41 , nr.14/ 15, p.7.
Geschöftshauses in Berlin. Bauzeitung, 1990, nr.
10, p.491-493 . Bouw (1986) Bijlmermeer wordt financiële ramp.
Bouw, Jg. 41 , nr. 23, p.t6.
Berrien, V. (1991) Réhabilitation ó Boulogne.
HLM Au;ourd'hui, 1991, nr. 22, p. 86-89. Bouw (1987) Herinrichting Bijlmer. Bouw, Jg. 42, nr.
11 , p. 6.
Boisman-Ruiter, H.Th. (1993) Financiering woning-
bouw. In: Vademecum voor architecten (JE. Bauw (1987) Leegstand Bijlmer gehalveerd. Bouw, Jg.
Kruisheer e.a. eds.). Alphen aan den Rijn : 42, nr. 16, p. 5.
Samsom.
Bouw (1988) Minder leegstand in Bijlmer. Bouw, Jg .
43, nr.1, p.5. Debets, C. (1992) Groningse flatentree nodigt
weer uit. Bouwwereld, 1992, nr. 19, p. 20-24.
Bouwen met Staal (1992) Trappehuizen Aatgebouw
Diemen. Bouwen met staal, 1992, nr. 108, p. 96. Debets, C. (1993) Toevoeging van nieuwbouw
maakt liften haalbaar. Bouwwereld, 1993, nr. 13,
Brans, L. e.a. (z.j.) Tweede editie van de rapportage p. 20-22.
van de projectgroep Hoogoord. De inventarisatie,
conclusies en uitgangspunten . Leiden: Debets, C. (1993) Toevoeging van nieuwbouw
Architectenbureau Verheijen Verkoren de Haan BV. leidt tot meer variatie. Bouwwereld, 1993, nr. 13,
p. 24-27.
Brinkman, P. e.a . (1984) De Bijlmer in de lift.
Amsterdam: Projectbureau Hoogoord Dekker, K.H. (1989) Vervangende nieuwbouw of
BijlmermeerlStichting Wijkopbouw Orgaan verbetering . Rotterdam : Stichting Bouwresearch.
Bijlmermeer.
Dieten , J. van (1990) De Bijlmer tussen sloop en
Bruyn, w.J. (1972) Loopafstanden in de Bijlmermeer. vrees. Volkshuisvesting, Jg . 42, nr. 2, p. 49-53 .
Bouw, Jg. 27, p.235-237.
Egmond, M. (1983) Pakket maatregelen voor on-
Clements, B. (1991) Facade refurbishment in North derhoud en verbetering van Bijlmermeer. Bouw,
Tyneside - with 10 years underwritten performance. Jg . 38, nr. 2, p. 28-33 .
International Journol of Construction Maintenance &
Repair, vol. 5, nr. 2, p. 22-23. Elsinga, M. (1990) Verloedering verleden tijd voor
de Gilliswijk. Delft: DUP.
Coenen, M. (1989) Hoogbouw en sociale veiligheid
in Capelle aid ijssel. Een inventariserend onderzoek Elsinga, M. & Wassenberg, F. (1991) Kleine cri-
bij 8 naoorlogse complexen. Delft: DUP. minaliteit en naoorlogse etagebouw. Delft: DUP.

Domen, H. (1990) Van verpleegstersAat tot woonge- Fanjat de Sa int-Font, A. (1989) Une solution inté-
bouw voor ouderen. Facelift door: Hulshof & ressante pour rénover les H.L.M.: Construire une
Compagnons. De Architect, Jg. 21 , nr.5, p. 59-61 . charpente sur leur toiture-terrasse. Nouveau
Joumal de Charpentes, Ménuiseries, Parquets,
Debets, C. (1991) Markante lifttoevoegingen bij flats . 1989, no. 7, p. 17-21
Bouwwereld, Jg. 87, nr. 21 , p. 28-32.
Feddes, F. (1991) Zo goed als nieuw. Amsterdam :
Debets, C. (1992) Originele oplossing voor lifttoevoe- De Balie, p. 72-77.
ging. Bouwwereld, 1992, nd4, p. 22-25.

234
Fuchs, H. (1992) Groot onderhoud verandert na- Ontwerp, Planning en Beheer van Gebouwen, TU
oorlogse flat in sjiek gebouw. Renovatie & Delft, Faculteit der Bouwkunde.
Onderhoud, Jg . 17, nr. 9, p. 16-19.
Heuvel, H. van den (z.j.) Huurrecht. Deventer: Kluwer.
Graafland, Ad , e .a. (1985) Verbeteren of vervan-
gen . Delft: DUP. Hommersen , D. (1990) Doorexploiteren maakt zieke
Biilmer niet gezond . Woningraad, 1990, nr. 7, p. 36-
Gutzeit, A. (1984) Die Fassade. Berlin. 40 .

Hajonides, T. e .a . (1986) Buiten gewoon veilig . Hommersen, D. (1991) Naoorlogse middelhoogbouw


Rotterdam : Stichting Vrouwen Bouwen Wonen. in Hoorn , Ridderkerk en Zwolle. Problemen opvallend
met nieuwe muren weggewerkt. Woningraad, 1991 ,
Halama, G. (1991) Neu vertont; nr. 14/ 15, p. 33-39.
Fassadensanierung in Pinneberg. A I T -
Architektur, Innenarchitektur, Technischer Ausbau, Idsinga, T. & Schilt, J (z .j.) Architect W. van Tijen
Vol. 99, nr. 10, p. 268-270. 1894 - 1974. 's-Gravenhage: Staatsuitgeverij.

Hamersma D. & Bontius, H.J (1992) Huursom Jonge, D. de (1971) Over de belevingswaarde van
verdient kans . Woningraad, 1992, nr. 10, p. 34- enige bouwmaterialen . Delft: TH D.
39.
Kapteijns, JH .M. (1990) Consumentgericht renoveren.
Heeger, H. (1989) Maatregelen ter bestrijding van Een Open Bouwen project in Voorburg . Delft:
leegstandsproblemen bij naoorlogse woningcom- Publicatiebureau Bouwkunde TH D .
plexen. 's-Gravenhage: Ministerie van VROM.
Klaren, M. (1983) Bijlmermeer: de Titanic van de
Heeger, H. (1993) Aanpak van naoorlogse pro- Amsterdamse stedebouw. Bouw, Jg . 38, nr. 2, p. 19-
bleemcomplexen , Delft: D UP. 23 .

Heeger, H. & Smid, I. (1992) Verval en herstel Klieverik, H. (1992) Stadsvernieuwing geeft naoorlog-
van naoorlogse woningcomplexen. Delft: D U P. se flats nieuw perspectief. Woningraad, 1992, nr. 17,
p. 30-33 .
Heijdecker, P. (1990) Flats voor ouderen krijgen
tweede huid. Renovatie & Onderhoud, Jg . 15, Korthals Altes, H.J (1987) Hoogbouw gewogen ... All
nr. 6, p . 31-33 . you need is LOV. Amsterdam : Bureau
Criminaliteitspreventie.
Helfferich, A. & Stellingwerff, M.e. (1992) Gevels
ontwerpen, gevels beoordelen . Delft: Vakgroep 2, Kaster, E. (1991) Studentenflats na gevel renovatie
markant punt in Diemen. Renovatie & Onderhoud, Jg. Gemeenten (Circulaires).
16, nr. 3, p. 19-21.
Ministerie van VROM (1993) Huurbeleid 1993.
Koster, E. (1992) Anonieme Aats krijgen nieuwe en- Den Haag: Ministerie van VROM.
tree ter andersteuning. Renovatie & Onderhoud, Jg.
17, nr. 6, p. 22-25. Mollen, T. (1988) Renovering at Egedalsvaenge.
Arkitektur OK, 1988, nr. 1, p. 28-35.
Koster, E. (1992) Vernieuwing Bijlmer begint met re-
novatie voor beter gesitueerden. Renovatie & Nieuwenhuijsen, TA (1990) Er is wel degelijk
Onderhoud, Jg. 17, nr. 12, p. 9-11. ruimte voor een meer zelfstandig huurbeleid.
Woningraad, 1990, nr. 11, p. 3-6.
Leeuwen, P. van (1990) Sleutelen aan de toekomst
van de flat. Corporatie Magazine, Jg. 1, nr. 5, p. Pasma, A. (1978) Geslaagde gevelrenovatie bij
18-21. na-oorlog se flatwoningen. Bouw, Jg. 33, nr. 8, p.
34-35.
Liebregts, M. & Persoon, J. (1991) Werken oon de-
tails (2): tochtdichte gevelaansluitingen. Bouwwereld, Persoon, J. (1991) Werken aan details.
Jg. 87, nr. 10, p. 34-35. Bouwwereld, Jg. 87, nr. 5, p. 36-38.

Liebregts, M. & Persoon, J. (1991) Werken aan de- Peterse, K. (1992) Participatie systeemhouder be-
tails (3): Gevelrenovatie. Bouwwereld, Jg. 87, nr. 13, paalt succes. Bouw, Jg. 47, nr. 2, p. 38-42.
p. 36-38.
Prak, N.L. (1973) De visuele waarneming van de
Liebregts, M. & Persoon, J. (1993) Verbeteren van gebouwde omgeving. Delft: THD.
galerijen. Bouwwereld, 1993, nr. 1, p.28-32.
Progressive Architecture (1991) Historie King Place
Mannaerts, AAJ. e.a. (1990) Omgevingspsychologie. Milwaukee, Wisconsin. Milwaukee West
Amsterdam/Lisse: Swets en Zeitlinger BV. Development Milwaukee. Progressive Architecture,
1991, nr. 6, p. 102.
Mentzei, MA (1989) Bijlmermeer als grensverleggend
ideaal. Delft: D U P. Renovatie & Onderhoud (1993) Galerijen op
poten in Venlo. Renovatie & Onderhoud, Jg. 18,
Mills, M. (1991) External wall insulation: cladding far nr. 1, p. 15-17.
refurbishment. International Joumal of Construction
Maintenance & Repair, vol.5, nr. 2, p. 11-15. Renovatie & Onderhoud (1993) Vooroorlogse
aanpak bij naoorlogse woningen. Renovatie &
Ministerie van V ROM (1991) Mededelingen aan de Onderhoud, Jg. 18, nr. 1, p. 17-18

236
Rohrer, G. & Stoehelin, JR. (1976) Renovieren geeft flats ander karakter. Renovatie & Onderhoud,
und isolieren von Wohnhausfassaden. Schweizer Jg. 16, nr. 6, p. 44-47.
Aluminium Rundschau, Vol. 26, nr. 5, p. 212-
215. Swieten, P. van (1992) Verdieping meer voor flat
Rooseveltlaan Utrecht. Renovatie & Onderhoud, Jg.
Schoor, H. van der (1989) De Papaverhof in ere 17, nr. 2, p. 40-43.
hersteld. De Architect, Jg . 20, nr. 12, p. 92-99.
Swieten, P. van (1993) Nieuw imago voor Gouds na-
Singelenberg, 1. & Roding, 1. (1992) Licht en oorlogs woningcomplex. Renovatie & Onderhoud, Jg.
lucht. Voorbeelden van transformaties van naoor- 18, nr. 9, p. 18-21 .
logse flatgebouwen. Amsterdam: De Balie; SEV.
Thijssen , c.c.F. (1990) Technische kwaliteit van etage-
Slijpen, H. & Swanenberg, A. (1992) Aanpak na- woningen. Deel A: Bouwconstructieve analyse van na-
oorlogse flats van make up tot face-lift. Renovatie oorlogse meergezinshuizen in de non-prafit huursector
& Onderhoud, Jg. 17, nr. 11 , p. 31-33. 1966 - 1980. Delft: DUP.

Steffen, C. (1980) Psychologische effecten van Tijen, W. van & Tillmans, C.H. (1974) Een realistisch
complexiteit. Delft: Centrum voor onderzoek naar: maximum ontwerp- en bouw-ekono-
Architectuuronderzoek, TUD mie bij verantwoorde maatschappelijke woningbouw
voor de huidige laagste inkomens-klassen. Z.p.
Steffen, C. (1983) De toegankelijkheid van gebou-
wen en de persoonlijkheid van bezoekers. Tooren, 1. van (Red.) (z.j.) Gevels; Een onderzoek
Delft: TUD . naar een typologische ordening voor gevels. Delft:
TUD , Bouwkunde, Vakgroep AST.
Stellen, C. & Voordt, D.JM. van der (1978)
Belevingsonderzoek stedelijk milieu, methoden en Veen, G. van (1985) Uitvoering met geprofileerde
technieken. Delft: TH D. staalplaat. Bouwwereld, Jg. 81 , nr. 24, p. 49-51 .

Stevens, H. (1984) Bijlmermeer krijgt nog een Velde, G. 1. te (1993) Op zoek naar toekomst van
laatste kans op overleven. Bouw, Jg. 39, nr. 2, p. vroeg-naoorlogse wijken. Renovatie & Onderhoud, Jg.
14-15. 18, nr. 2, p. 15-17.

Swieten, P. van (1990) Nieuwe gevels maken gol- Vereniging van Nederlandse Gemeenten (1990)
vende beweging. Renovatie & Onderhoud, Jg. Werken aan sociale veiligheid. Een kwestie van kijken
15, nr. 6, p. 14-17. en kiezen . s' -Gravenhage: VN .G. Uitgeverij.

Swieten, P. van (1991) Nieuw buitenspouwblad Verhagen, E. (1987) Van Bijlmermeer tot Amsterdam
Zuidoost. Den Haag: S D U .volkshuisvesting Rotterdam, bouwtype. De Architect, Jg . 20, nr. 9, p. 127-
Afdeling Vertegenwoordiging (1990) Liften aanbren- 133.
gen in de naoorlogse bouw. Rotterdam: D ROS .
Bauzeitung
Voordt, D.J.M. van der (1995) Checklist aanpasbaar Brandveiligheid woningen en woongebouwen,
verbouwen, Delft: Publicotiebureau Faculteit der Eisen op basis van het Bouwbes/uit voor nieuw Ie
Bouwkunde TUD. bouwen woningen en woongebouwen tot een
hoogte van 70 meter.;
Voordt, D.J.M. van der & Wegen, H.B.R. van (1990) Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Sociaal veilig ontwerpen. Checklist ten behoeve van Ordening en Milieubeheer, november 1992.
het ontwikkelen en toetsen van (plannen voor) de ge-
bouwde omgeving. Delft: Publicatiebureau Faculteit Syllabus bij het symposium: Gevels en klimaat,
der Bouwkunde TUD. georganiseerd door de Vakgroepen
Bouwmanagement en Bouwtechnologie van de TU
Vriend, J.J. (1967) De nieuwe stodsuitbreiding van Delft, faculteit der Bouwkunde, op 27 september
Amsterdam. Bouw, Jg. 22, p. 1730-1732. 1994. (ISBN 90-5269-161-4 geb.); hoofdstuk 7:
gevels en brandveiligheid. Ing. P.W. van de Haar,
Vriend, J.J. (1968) De Bijlmermeer en de toekomstige TNO Bouw.
bewoners. Bouw, Jg. 23, p. 356.
Kollege-diktatenserie voor 1e en 2e jaar van prof.
Wassenberg, F. (1988) Hoptille: een idealistisch woon- ir. M Gout; le tf m 6e bundel ; TH Delft, afdeling
concept op tilt. Delft: DUP. Bouwkunde omstreeks 1980.
Syllabus van het college B046A03, brandveilig-
Wassenberg, F. (1990) De bewoners over de toekomst heid van draagconstructies, ing . D.B. Paul,
van de Bijlmermeer. Delft: D UP. Technische Hogeschool Delft, afdeling der bouw-
kunde, vakgroep 4 , oktober 1981 .
Werkgroep Toekomst Bijlmermeer (1990) De Bijlmer
blijft veranderen. Gedrag van bouwmaterialen, bouwconstructies en
inventarisgoederen bij brond", Centrum voor
Willems, L.N. & Eibers, A. (1990) Sloop naoorlogse Brandveiligheid TNO;
woningen. 's-Gravenhage: Ministerie van VROM. uitgever Koninklijke Vermande bv, Lelystad;
Blauwe losbladige bundels .
Zapke, W. (1991) Fassadensanierung bei Geböuden
in Plattenbauart. DBZ - Deutsche Bauzeitschrift, Brandgedrag van materialen en bouwconstructies,
1991, nr. 5, p. 731-734. TNO;
uitgever Koninklijke Vermande bv, Lelystad; Witte
Zwinkels, C. (1989) Flatrenovatie leidt tat nieuw ge- losbladige bundel.

23 8
Bundel Bouwvoorschriften, moort 1993;
Somenstelling: mr. F.H. van den Bereken, mede-
werker Ministerie van VROM);
Sd u Uitgeverij Koninginnegracht, 's-Gravenhage
1993.

Concept Brandveiligheid van (kantoor-) gebouwen;


Samenstelling: ir. D.B. Paul;
Technische Hogeschool Delft, afdeling der bouw-
kunde, november 1993.

Ploos Van Amstel ; boeken voor de MTS


NE N 6068, 1e druk, december 1991 met cor-
rectieblad oktober 1994;
Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag
en brandoverslag tussen ruimten ;
Nederlands Normalisatie-Instituut - Delft;

NE N 6082, 1e druk, augustus 1991 met tweede


correctieblad , maart 1992;
Brandveiligheid van gebouwen / Woningen en
woongebouwen / Prestatie-eisen;
Nederlands Normalisatie-Instituut - Delft;

NE N 6069, 1e druk, oktober 1991 met correc-


tieblad, maart 1992;
Experimentele bepaling van de brandwerendheid
van bouwdelen;
Nederlands Normalisatie-Instituut - Delft;

NE N 3893, november 1975; Brandbeveiliging


van gebouwen / Hoge gebouwen;
Nederlands Normalisatie-Instituut - Delft;
240
BIJLAGE
Brandveiligheid: consequenties t.a. v. materiaalgebruik

W 1 W 2
(brandc . ) (brandc . )

~
2
..Q
Cl,)
..9>
0
.g
.2!
0
e
1 trap ::0:
Wand A ti
...:
11)

.~
c::
Cl,)
::I
(boven) tekening 21a (onder) tekening 21b g-
W 1 W 2
Wand C -
~
N
Il)
c::
0
V
(brandc. ) (brandc . )
:2
Cl,)
..c:
.~
::
~
"1:J
c::
e
CQ

Z
1 2
111
trap ~
scherm D ~
...
..:I

(vervolg op tekst van paragraaf 4.6.4. 7) la


Inventarisatie brandveiligheidseisen wand A wand C en Scherm D Allereerst is een
inventarisatie gemaakt van de eisen, waaraan de wanden, de oppervlaktes daar-
van, eventueel in die wanden te maken openingen als deuren en ramen, enz.,
enz. moeten voldoen . In verband met de verschijningsvorm van het entreegebied
achter het nieuw te plaatsen stijgpunt, zijn vooral de verschillen tussen wand A in
21 a en 22a en scherm D in 21 b en 22b van belang . Welke begrippen uit het
Bouwbesluit zijn van toepassing op de hiervoor genoemde wanden en scherm?
- Voor wand A zijn dit:
Als totale constructie:
1 uitwendige scheidingsconstructie (tussen binnen en buiten);
2 scheidingsconstructie tussen brandcompartiment 2 en de vluchtweg.
De naar de woning gekeerde zijde:
3 begrenzing van een verblijfsruimte;
4 begrenzing van een besloten ruimte;
De naar de galerij gekeerde zijde:
5 begrenzing van een gemeenschappelijke ruimte (de galerij als gemeen
schappelijke verkeersruimte voor twee of meer woningen);
6 begrenzing van een verkeersruimte (open);
7 begrenzing van een vluchtweg.
- Voor wand C zijn dit:
Als totale constructie:
1 inwendige scheidingsconstructie;
2 scheidingsconstructie tussen brandcompartiment 2 en vluchtweg 2;
De naar de woning gekeerde zijde:
3 en 4 als boven;
De naar vluchtweg 2 (een soort binnengang) gekeerde zijde :
5 begrenzing van een gemeenschappelijke ruimte (de binnengang als ge
meenschappelijke verkeersruimte voor twee of meer woningen);
6 begrenzing van een verkeersruimte (besloten);
7 begrenzing van een vluchtweg .
- Voor scherm D zijn dit:
Als totale constructie:
1 uitwendige scheidingsconstructie (tussen binnen en buiten);
2 scheidingsconstructie tussen twee vluchtwegen;
De naar de binnengang gekeerde zijde:
3 begrenzing van een verkeersruimte (besloten);
4 begrenzing van een besloten ruimte;
5 begrenzing van een gemeenschappelijke ruimte;
De naar de galerij gekeerde zijde:
6 tlm 8 zijn gelijk aan 5 tlm 7 van wand A.
Vervolgens moet worden bekeken welke brandveiligheidseisen van toepassing zijn
op de voorgaande begrippen. Deze eisen worden opgesomd in de volgorde van

242
de thema's uit hoofdstuk 3.3.3 ..
- Volgens paragraaf 3, Beperking van ontwikkeling van brand, moet de naar
een vluchtweg toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel behoren tot klasse
2 van de bijdrage tot brandvoortplanting. Voor alle andere in tekening 22 gete-
kende constructieonderdelen geldt de eis van klasse 4 van de bijdrage tot brand-
voortplanting.
- Volgens paragraaf 4, Beperking van uitbreiding van brand, moet de WBDBO
tussen een besloten ruimte en een vluchtweg 30 minuten zijn. Verder moet de
WBDBO tussen twee brandcompartimenten 60 minuten zijn . In 4 .3 wordt echter
een uitzondering gemaakt voor het geval dat de brandcompartimenten een lage
vuurbelasting (~ 100 MJ/M2) hebben. Er mag dan worden volstaan met een
WBDBO van 30 minuten. Steenachtige woningen voldoen meestal aan deze
voorwaarde, zodat voor dit onderzoek uitgegaan wordt van een W B D B 0 van 30
minuten tussen de woningen.
- Volgens paragraaf 5, Beperking van ontstaan van rook, moet de rookdichtheid
van een constructie-onderdeel van een besloten ruimte waardoor een vluchtweg
voert niet groter zijn dan 2,2 m. indien het constructie-onderdeel behoort tot klasse
2 van de bijdrage tot brandvoortplanting en niet groter dan 5,4 m. indien het
constructie-onderdeel behoort tot klasse 1 van de bijdrage tot brandvoortplanting.
De algemene eis van paragraaf 5 luidt een rookdichtheid van maximaal 10 meter
voor een naar een besloten ruimte toegekeerde zijde van een constructieonderdeel.
Volgens paragraaf 6, Beperking van verspreiding van rook, moet de weerstand
tegen rookdoorgang tussen vluchtwegen minimaal 30 minuten zijn .
- Volgens paragraaf 8, Inrichting van vluchtwegen, moet de WBDBO en de
weerstand tegen rookdoorgang tussen vluchtwegen minstens 30 minuten zijn.
Bovendien mogen er in de betreffende wand slechts zelfsluitende deuren zitten.
Voor de volledigheid worden ook de eisen vermeld, waaraan de woningscheidende
wand moet voldoen.
- Volgens paragraaf 1, Sterkte van de bouwconstructie, is de geëiste brandwe-
rendheid van de hoofddraagconstructie m.b.t. bezwijken 120 minuten.
- Volgens paragraaf 4 mag in een wand tussen twee brandcompartimenten
slechts een zelfsluitende deur zitten.

Tekening 22a en 22b geven een overzicht van de genoemde eisen, geplaatst in de
desbetreffende situatie.
- Wand A:
WBDBO: minimaal 30 minuten
HoafdoonatnJkHe
bezwijken : 120 minLNn

WBDBO JO mlnuNn
.onln~
WBIlIIO WB080 30 minuten
(2 broMcomportimenten) 30 minuten (tuSMn 2 brand-
love yuurbela.linv compar1frnent.n,
wonr~
lo;a vuuli*astlng)

Woning 2

niet IMWMCllbaar
0.85 m construktt. onder*1
]
Woning 1

wand A
kla... 2 bl1dr.br.v, wbdbo 30 mln.

Binnen

B iten }

1
Binnen C!::::::J 0 Cl====:=1 0 ===1=1=1= vluchtweg

woning 2
WBDBO 30 minllt.n
.,"I"~ weoeo 30 minute"
(tu!sen 2 brandc:CMTlpartlm.nlen,
Hoofdcon'truktt.
buwllhn : 120 mlnu'." log. yw~los1ing)
woning
W8DBO 30 minul.n
(2 tN'CIndr=omportlrnentlM)
log. vuuril.IIIIHn g

nil1 btwMgboo r
constn..kti.ondW'de,1

RooIIdlchth.ad _ 10 rJ
Binnen
woning
wand C
Binnen
W8080 30 rnlnl.l''''

vluchtweg 2
bij kla's. lof
bij klo ... Z
scherm D
WBD80 JO mlnut."
rookw •• rriand :50 rnlnufwt

Binnen
vluchtweg
Buiten 6 0 =====1 0 =====1 0 Cl====::::J

244
(linkerpagina) tekening 22a en tekening 22b

Weerstand tegen rookdoorgang : --


Bijdrage tot brandvoortplanting binnenzijde: minimaal klasse 4
Bijdrage tot brandvoortplanting buitenzijde: minimaal klasse 2
Rookdichtheid binnenzijde: maximaal 10 meter
Rookdichtheid buitenzijde: --
De voordeur hoeft niet zelfsluitend te zijn.
Er mag geen te openen deur of raam extra in de wand .
Maximaal 2 (resp. 4) woningen mogelijk.
- Wand C:
WBDBO: minimaal 30 minuten
Weerstand tegen rookdoorgang : - -
Bijdrage tot brandvoortplanting woningzijde: minimaal klasse 4
Bijdrage tot brandvoortplanting gangzijde: minimaal klasse 2
Rookdichtheid woningzijde: maximaal 10 meter
Rookdichtheid gangzijde: maximaal 2,2 meter bij klasse 2 en maximaal 5,4
meter bij klasse 1
Voordeuren hoeven niet zelfsluitend te zijn .
Extra ramen en deuren mogen in principe (onder voorwaarden , uitleg volgt) .
Meerdere woningen toegestaan .
- Scherm D:
WBDBO: minimaal 30 minuten
Weerstand tegen rookdoorgang : minimaal 30 minuten
Bijdrage tot brandvoortplanting binnenzijde: minimaal klasse 2
Bijdrage tot brandvoortplanting buitenzijde: minimaal klasse 2
Rookdichtheid binnenzijde: maximaal 2,2 meter bij klasse 2 en maximaal 5,4
meter bij klasse 1
Rookdichtheid buitenzijde: --
Deuren in scherm moeten zelfsluitend zijn.

Wanneer we de eisen voor wand A en scherm D naast elkaar zetten, dan zien we
in eerste instantie weinig verschil. Zelfs lijkt het zo dat de eisen voor scherm D
strenger zijn dan die voor wand A. Gelet op die eisen die betrekking hebben op
het van buiten af zichtbare deel, dan valt op dat de rookweerstand bij scherm D
30 minuten moet zijn omdat het een scheiding tussen twee vluchtwegen betreft.
Voor de binnenzijde van scherm D geldt de eis van klasse 2 van de bijdrage tot
w w w w

teken ing 24

brandvoortplanting, omdat deze zijde naar een vluchtweg toegekeerd is, terwijl de
binnenzijde van wand A, die naar de woning gekeerd is mag behoren tot klasse
4 . Verder mag de rookdichtheid van de binnenzijde van scherm D niet groter zijn
dan 2) meter of 5A meter, afhankelijk van de klasse van de bijdrage tot brand-
voortplanting (het betreft een vluchtwegL terwijl die voor de binnenzijde van wand
A tot 10 meter mag gaan.
Consequenties t.a.v. het materiaalgebruik van de wanden De volgende stap is het
vertalen van de genoemde eisen in materialen en scheidingsconstructies. Om op
zinnige wijze verschillende mogelijke scheidingsconstructies te kunnen vergelijken

246
t.a.v. het gedrag bij brand, is het zaak exact te weten wat onder de betreffende
begrippen verstaan moet worden.
Zoals in het begin van het vorige hoofdstuk is beschreven, bevat het Bouwbesluit
prestatieëisen, verwoord in een beschrijvend deel en een grenswaardebepalend
deel. De bedoeling van het voorschrift en de grenswaarden die behaald moeten
worden staan in het Bouwbesluit zelf, terwijl de bepalingsmethoden in een aantal
norm bladen staan beschreven . Er is sprake van de volgende begrippen op het ge-
bied van de brandveiligheid:
1 Bijdrage tot brandvoortplanting
2 Rookproductie
3 WBDBO
4 onbrandbaarheid
5 weerstand tegen rookdoorgang
6 brandwerendheid m.b.t. bezwijken .
7 vuurbelasting
8 brandcompartiment.
Om grip te kunnen krijgen op de hiervoor genoemde, op het oog onsamenhan-
gende serie van eisen, kan men deze in twee categorieën opdelen .
Brandveiligheidseisen hebben betrekking op:
- het gedrag van materialen en;
- het gedrag van de (samengestelde) constructies.
(Zie ook: Syllabus bij het symposium: Gevels en klimaat, georganiseerd door de
Vakgroepen Bouwmanagement en Bouwtechnologie van de T U Delft, faculteit der
Bouwkunde, op 27 september 1994. [I S B N 90-5269-161-4 geb.]; hoofdstuk 7:
gevels en brandveiligheid . Ing. P.W . van de Haar, TNO Bouw.)

Gedrag van materialen Bij een beginnende brand zijn voornamelijk de materiaalei-
genschappen zelf van belang . Het ontstaan van de brand, de eerste ontwikkeling
ervan en de rookproductie, zaken die in dat stadium vooral aan de orde zijn, zijn
immers grotendeels afhankelijk van de (oppervlakte)eigenschappen van de materia-
len zelf. De relevante materiaaleigenschappen zijn, volgens de terminologie van het
Bouwbesluit: bijdrage tot brandvoortplanting en -rookproductie.
7 Biidrage tot brandvoortplanting (N EN 6065) Om te voorkomen dat een
brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van constructie-onderdelen (in dezelf-
de ruimte als waar de brand is ontstaan), zijn eisen opgesteld aangaande de
brandvoortplanting.
Voor de bijdrage tot brandvoortplanting worden vijf klassen onderscheiden;
klasse 0: onbrandbaar; Een materiaal wordt als onbrandbaar beschouwd, wan-
neer gedurende een aantal minuten verhitting op 750 °C geen belangrijke hoeveel-
heid warmte wordt ontwikkeld en geen vlammen worden waargenomen.
klasse 7: Zeer geringe bijdrage tot de ontwikkeling van de brand. Als de warm-
tebron wegvalt, brandt het materiaal niet verder. Ook wel 'zelfdovend' genoemd.
Voorbeelden : Houtwolcement, vurehout met sterke brandvertragende impregnering .
klasse 2: Geringe bijdrage tot de ontwikkeling van de brand.
Ook wel: 'vlamdovend' genoemd. Als de warmtebron wegvalt, dan brandt het
materiaal niet verder, m.a.w. de brand onderhoudt zichzelf niet. Voorbeelden:
Zware houtsoorten met volumegewicht ~ 0,79 g/cm3, zoals Afzelia, Basralocus,
Wengé, Merbau. Ook vurehout met brandvertragende impregnering.
klasse 3: Matige bijdrage tot ontwikkeling van de brand.
klasse 4: Sterke bijdrage tot de ontwikkeling van de brand, maar voldoet aan
de basiseis van NE N 6081, bijv. onbehandeld vurehout.
klasse 5: Extreem grote bijdrage tot de brandvoortplanting. Voldoet niet aan de
basiseis volgens NE N 6081, bijv. zachtboard.
In het Bouwbesluit staat aangegeven in welke klasse bepaalde materialen en
constructies zich moeten bevinden om in bepaalde gevallen toegepast te mogen
worden. Soms volgen uit een bepaalde norm, voorgeschreven in het Bouwbesluit,
echter zwaardere eisen dan specifiek in het Bouwbesluit aangegeven staan. Een
voorbeeld hiervan is het gebruik van vurehout in de gevel. Volgens het Bouwbesluit
moet een gevel of buitenwand minstens aan klasse 4 voldoen . Bij de verplicht
voorgeschreven bepalingsmethode voor de weerstand tegen brandoverslag naar
een hogere verdieping (zie later) wordt echter als voorwaarde gesteld, dat voldaan
is aan klasse 2. Onbehandeld vurehout bijv. valt in klasse 4 en mag dus ten ge-
volge van de te volgen bepalingsmethode niet meer in een gevel toegepast wor-
den.
2 Rookproductie (N EN 6066) De rookproductie wordt uitgedrukt in 'optische
dichtheid', ook wel 'rookdichtheid' genoemd. Deze grootheid kan worden omgezet
in zichtlengte en wordt uitgedrukt in m 1. Ten opzichte van de oude regelgeving is
dit een duidelijke verandering . In het verleden werd het begrip 'rookgetal' gehan-
teerd en de bepaling ervan verliep geheel anders dan de bepaling van de rook-
productie van een materiaal of materiaalcombinatie volgens de nieuwe norm.
De rookbepaling wordt uitgevoerd in een afgesloten kast met twee kamers, die
met elkaar in verbinding staan . De rookproductie vindt plaats in de kleinste kamer.
In het andere deel van de kast wordt optisch de dichtheid van de rook bepaald.

248
Gedrag van de (samengestelde) constructies:
Wanneer de brand zich volledig ontwikkeld heeft, is het vooral van belang uit-
breiding daarvan en verspreiding van rook naar andere ruimten zoveel mogelijk te
beperken . Op dat moment gaat het gedrag van de gehele constructie(s) tellen . Om
ook op dit gebied veiligheiseisen te kunnen stellen is het begrip 'Weerstand tegen
branddoorslag en brandoverslag' ingevoerd. Afgekort tot:
3 WBDBO Via het begrip WBDBO worden normen opgelegd aangaande
de snelheid waarmee een brand zich uit kan breiden van de ene ruimte naar de
andere. Hierbij wordt rekening gehouden met alle mogelijke wegen die een brand
af zou kunnen leggen om een andere ruimte te bereiken . Deze andere ruimte
hoeft niet perse aangrenzend te zijn. Het gaat dus niet meer alleen om de brand-
werendheid van de scheidingsconstructie op zich, zoals in de vroegere regelgeving
het geval was, maar om de WBDBO tussen twee ruimten in veel ruimere zin.
Binnen dit begrip worden twee hoofdzaken onderscheiden, nl.:
- branddoorslag en;
- brandoverslag .
Brandoverslag is uitbreiding naar een andere ruimte via de buitenlucht. Deze
branduitbreiding wordt veroorzaakt door:
- warmtestraling en convectie vanuit de brandende ruimte;
- uitslaande vlammen en;
- vliegvuur.
In het Bouwbesluit worden in dit verband alleen eisen gesteld omtrent warmtestra-
Iing. In alle andere gevallen wordt van branddoorslag gesproken . Dit kan zijn
doorbreking van een of meer scheidingsconstructies, verspreiding van de brand
door kieren in aansluitingen tussen scheidingsconstructies, door ventilatiekanalen
e.d ..

Brandwerendheid m.b.t. de scheidende functie (branddoorslag) Als onderdeel bin-


nen het begrip WBDBO wordt de term 'brandwerendheid m.b.t. de scheidende
functie' gebruikt. De brandwerendheid van een bouwdeel moet experimenteel be-
paald worden volgens NE N 6069 dan wel NE N 6071, 6072 of NE N 6073.
In de NE N 6069 is te vinden dat t.a .v. de brandwerendheid m.b.t. de scheide-
nde functie vijf criteria van belang zijn (zie figuur 25) . De drie hoofdgroepen van
criteria zijn :
- Vlamdichtheid (1 en 2);
- Thermische isolatie (3 en 4);
- Bezwijken (5).
Brandwerendheid m. b . t. scheidende functie van de
bouwdelen
(branddoorslag)

1 Vlamdichtheid betrok ken op afdichting


(zichtbare v l ammen , wattenproef en staafjesproef)

2 Vlamdicht h eid be t rokken op ontvlambaarheid

3 Thermische is betrokken op temperatuur


(stijging gem . 140°C of maximaal 180°C)

4 Thermische isolatie betrokken op warmtestraling


(15 KW/m2 op een afstand van de breedte v . h . bouwdeel
lm

figuur 25

De vlamdichtheid wordt onderverdeeld in twee criteria , nl. :


- Vlamdichtheid betrokken op afdichting (1) en;
- Vlamdichtheid betrokken op ontvlambaarheid (2).
Ook de thermische isolatie wordt onderverdeeld in twee criteria, nl. :
- Thermische isolatie betrokken op temperatuur (3) .
- Thermische isolatie betrokken op warmtestraling (4).
In de paragrafen hieronder worden de beproevingsmethoden globaal omschreven .
- V/amdichtheid betrokken op afdichting (1) Aan de ene zijde van een wand of
dak wordt een vuurtje gestookt. Aan de andere zijde ontstaan op een bepaald
moment scheuren of andere openingen . Dit moment is bereikt als één van de drie
volgende fenomenen zich voordoet:
- De vlammen zijn gedurende 10 sekonden zichtbaar.
- Een propje zeer droge watten, dat op 25 centimeter van de wand gehouden
wordt, gaat gloeien of ontbrandt spontaan .

250
- Staafjes van een bepaalde maat (openingskalibers genaamd, middellijn 6 en 25
mm) kunnen gemakkelijk door een opening gestoken worden.
- Vlamdichtheid betrokken op ontvlambaarheid (2) Aan de ene zijde van een
wand of dak wordt een vuurtje gestookt. Aan de andere zijde zijn gassen van te
voren met een gasbrander aangestoken. Wanneer deze gassen uit zichzelf min-
stens 30 seconden lang blijven branden, is de W BD B0 m.b.t. dit criterium be-
paald.
- Thermische isolatie betrokken op de temperatuur (3) Aan de ene zijde van een
wand of dak wordt een vuurtje gestookt. Aan de andere zijde doet zich een van
de volgende mogelijkheden voor:
- Een gemiddelde oppervlaktemperatuurstijging van 140°C;
- Een maximale oppervlaktemperatuurstijging van 180 °C;
- Thermische isolatie betrokken op warmtestraling (4) Aan de ene zijde van een
wand of dak wordt een vuurtje gestookt. De straling aan de andere zijde wordt
gemeten op een afstand die gelijk is aan de breedte van het bouwdeel, met een
maximum van 1 meter. Deze stralingstemperatuur mag niet hoger zijn dan 15
kW/m2.
- Bezwiiken (5) Het proefstuk is niet langer in staat de belasting en zijn eigen
gewicht over te brengen .
...
11)

Berekening van brandoverslag via het stralingsmodel volgens NE N 6068 Voor ge- N
vels is vooral de weerstand tegen brandoverslag van belang . Aangenomen wordt
dat brandoverslag plaats vindt als een gevelopening van een ontvangende ruimte
ergens meer dan 15 kW/m2 aan warmtestraling ontvangt ( zie tekening 250 1).
Om de rekenmethode uit NE N 6068 te kunnen gebruiken zijn de afmetingen van
het brandcompartiment en de afmetingen en plaatsing van alle openingen in de
gevels van het brandcompartiment nodig. Verder moeten de ruimten aan een groot
aantal voorwaarden voldoen, zoals een bepaalde klasse van brandvoortplanting,
voorwaarden voor het dak, enz .. Een van die voorwaarden is, dat gevels en
daken, uitgezonderd de gevel- en dakopeningen, een brandwerendheid m.b.t. de
scheidende functie moet bezitten van ten minste 30 minuten. Dit geldt zowel voor
de gevels en daken van de brandende ruimte als die van de bestraalde ruimte.

Citaat Ontwerp NPR 6091: 'Als opening worden al die delen van de gevel of het
dak gezien, die een brandwerendheid m.b.t. de scheidende functie bezitten van
minder dan 30 minuten. Deze brandwerendheid geldt in de richting waarin de
brandoverslag wordt beschouwd' . Een geveldeel dat niet aan deze voorwaarde
voldoet, wordt dus als opening beschouwd .
Afhankelijk van de verdieping waar het betreffende brandcompartiment zich be-
vindt, moet rekening gehouden worden met brandwerendheid van binnen naar
buiten en die van bu iten naar binnen . Voor de begane grondlaag geldt slechts het
eerstgenoemde, voor de dakverdieping het tweede en voor een tussengelegen ver-
dieping gelden beide richtingen.
Behalve dat de brandwerendheid van binnen naar buiten aan andere criteria
moet voldoen, dan die van buiten naar binnen , wordt nog onderscheid gemaakt
naar te gebruiken brandkrommen . Voor de brandwerendheid van binnen naar bui-
ten is de zgn . 'Standaard Brandkromme' voorgeschreven en voor de brandwerend-
heid van buiten naar binnen de 'Gereduceerde Standaard Brandkromme', afgekort
tot S.B. en G .S.B.. Deze standaardbrandkrommen zijn vastgesteld, omdat het tijd-
temperatuurverloop van een natuurlijke brand vele variaties vertoont. Om toch een
basis voor beproeving en berekening te hebben, is hierin een standaard tijd-tem-
peratuurverloop vastgelegd. De brandwerendheid is de tijdsduur die verloopt tussen
het begin van de standaardbrand en het tijdstip waarop aan één van de criteria
niet meer wordt voldaan (zie tekening 250).
Het is voor dit onderzoek van belang om na te gaan welke materiaalcombinaties
in het kader van deze berekeningen beschouwd moeten worden als opening en
welke als dicht deel. Dit is vooral interessant wanneer materialen als draadglas,
glazen bouwstenen e.d. worden toegepast. In het volgende hoofdstuk wordt terug-
gekomen op dit onderwerp. Aan de vorm en afmetingen van de openingen en de
onderlinge afstanden worden vervolgens weer allerlei voorwaarden gesteld . Als
niet aan deze voorwaarden voldaan is, moet men voor de beoordeling van de
veiligheid van een alternatieve methode gebruik maken en zich beroepen op het
gelijkwaardigheidsbeginsel.

Vertikale brandoverslag naar een hoger gelegen ruimte Met het stralingsmodel
(N E N 6068) wordt het verloop van de straling op de gevel boven de ramen door
toedoen van de uitslaande vlammen bepaald. Uitgaande van een maximum stra-
ling van 15 kw/m2 resulteert dit in een minimale hoogte van de borstwering . In
de oude regelgeving (N E N 3893) werd dit als volgt geformuleerd: "De afstand
tussen in de wand boven elkaar gelegen glasvlakken, die niet tot dezelfde woning
behoren, moet ten minste 0,8 m bedragen". Bij woningen, waar de verwachte
brand tamelijk klein is, komt men bij de huidige berekening meestal uit op minder
dan 80 cm. In bepaalde gevallen kan dit echter veel ongunstiger uitkomen.
Bijvoorbeeld in het geval van een middengang met aan twee zijden woningen . Er
is dan geen zgn . 'dwarsventilatie'. De warmte kan maar naar één kant weg . Dit

252
kan gemakkelijk een verdubbeling van de veilige hoogte tot gevolg hebben . (zie
tekening 25a).
Bij kantoorgebouwen, die opgedeeld zijn in grote brandcompartimenten, kan
deze hoogte nogal eens uitkomen op 1,5 à 2 meter. Indien dit ongewenst is, kan
men hetzij overgaan tot het verder compartimenteren van de brandcompartimenten,
hetzij tot het voldoende brandwerend maken van de openingen, hetzij tot het aan-
brengen van een automatische blusinstallatie. In het laatste geval moet men een
beroep doen op het gelijkwaardigheidsbeginsel.
In plaats van het toepassen van een dichte borstwering om brandoverslag tegen
te gaan, kan ook gebruik gemaakt worden van de vloer als horizontale scheiding
door bijv. de gevel meer naar binnen te plaatsen . Formulering volgens de oude re-
gelgeving (N E N 3893) : "Het gestelde onder a. (80 cm hoogte) is niet van toepas-
sing indien zich tussen deze glasvlakken een ten minste 0,6 m buiten de wand
uitstekende horizontale plaat van onbrandbaar materiaal bevindt met een brandwe-
rendheid , gebaseerd op het criterium van bezwijken, van ten minste 20 minuten" .
Uiteraard moet bij materialisatie van dit principe rekening worden gehouden met
eventueel optredende koudebruggen .
De NP R 6091 (Nederlandse Praktijk Richtlijn) geeft een aantal voorbeeldoplossin-
gen, gebaseerd op bovenstaand stralingsberekeningsmodel, aangezien de rekenme-
thode nogal gecompliceerd is. Deze zijn in tabelvorm gegeven en tonen de veilige
hoogte van de borstwering in een bepaald geval. Helaas is er op het moment van
schrijven nog slechts een Ontwerp NP R uitgegeven . Hierin wordt nog geen mel-
ding gemaakt van een horizontale brandscheiding en haar eisen .

Gedrag van materialen en (samengestelde) constructies Buiten de eigenschappen


die specifiek met materiaalgedrag of met het gedrag van de totale constructie te
maken hebben, zijn er nog die met beide te maken hebben . Dit zijn :
4 Onbrandbaarheid (N E N 6064);
5 Bezwijken (N EN 6069, 6071, 6072, 6073);
6 Weerstand tegen rookdoorgang . (N E N 6075) .
7 Vuurbelasting . De duur van de ontwikkelde brand kan bij benadering worden
bepaald uit de 'vuurbelasting' . Hieronder verstaat men de hoeveelheid warmte per
vloeroppervlak, die vrijkomt bij volledige verbranding van de in de ruimte aanwe-
zige brandbare materialen, met inbegrip van die van de bouwelementen . Uit prak-
tische overwegingen wordt de vuurbelasting veelal aangegeven in kg vurehout per
m2 vloeroppervlak. Gebleken is dat bij een normaal temperatuurverloop en ingeval
de brand niet wordt bestreden, de duur in minuten tussen het moment van vlamo-
-1-1-"-- 30 min.
GSB 60 min.

30
SB

buiten

BUITEN

1 branddoorslag
2 brandoverslag
tekening 2 Sa

Voorwaarden voor toepassing


stralingsmodel
NEN 6068 (of NPR 6091)

30 - -
30
-- sluiting ;/
brandcom-
30
- - partiment

WARMTESTRAU NG
- -30

254
Figuur 25e Rich t lijn geluidsisolatie en brandwerendheid van scheidingswanden
rea Brandwerendheid

lerzoek 2 Veel voorkomend


:ys . staat bouwfysische 9 , 5 mm gipsplaat
,ij fl ats gebreken Rockwool Bouwplaat 201 41 -9 >30
9,5 mm gipsplaat

12 , 5 mm gipsplaat
Rockwool Bouwplaat 201 46 -5 >30
12,5 mm gipsplaat

12 , 5 mm gipsplaat
Rockwool Bouwplaat 201 46 -5 >30
12 , 5 mm gipsplaat

x 12 , 5 mm gipsplaat
Rockwool Bouwplaat 201 47 >60
x 12,5 mm gipsplaat

12 , 5 mm gipsplaat
Rockwool Bouwplaat 201 50 >60
12 , 5 mm gipsplaat

12 , 5 mm gipsplaat
Rockwool Bouwplaat 201 53 -13 >30
12 , 5 mm gipsplaat

2 x 12 , 5 mm gipsplaat
Rockwool Bouwplaat 201 38 o >90
x 12 , 5 mm gipsplaat

x 12 , 5 mm gipsplaat
Rockwool Bouwplaat 201
59 +10 >90
Rockwool Bouwplaat 201
x 1 2 ,5 mm gipsplaat

Lderzoek voorkomen(
,fys. staat 19 mm spaanp laat
,rij flats Rockwool Bouwplaat 201 44 -6 >30
19 mm spaanplaat
~ Vr1Qr~ r pl l pn

N. B . : De waarden zi j n indicatieve isolatiewaarden en zijn sterk uitvoeringsafhanke l ijk


verslag en de aanvang van de doofperiode, globaal overeenkomt met de vuurbe-
lasting in kg vurehout/m2 . Dit is een belangrijk gegeven, omdat alle bouwcon-
structies door brand worden beschadigd en wel des te ernstiger naarmate de
brand langer duurt en de temperatuur hoger is. Voor woningen wordt er in de
voorschriften van uitgegaan dat de vuurbelasting voor de inventaris van houten
ramen en deuren, ten hoogste 30 kg/m2 is. In bergruimten kan de vuurbelasting
aanmerkelijk hoger zijn.
8 Brandcompartiment. Om het uitbreidingsgebied van brand te beperken, is het
begrip brandcompartiment ingevoerd. Een brandcompartiment moet gezien worden
als het maximale uitbreidingsgebied van een brand. Vandaar dat tussen verschil-
lende brandcompartimenten een grote WBDBO vereist is. Ook de WBDBO van-
uit een brandcompartiment naar een vluchtweg moet hoog zijn , om te voorkomen
dat de brand zich uitbreidt naar de vluchtweg . Logisch is dat er formeel geen
W B D BO vereist wordt in de andere richting, dus van vluchtweg naar brandcom-
partiment, aangezien er van uitgegaan wordt dat in een vluchtweg geen brand
ontstaat.

Eigenschappen van materialen t.a.v. gedrag bii brand, algemeen (Literatuurverwij-


zing naar: Kollege-diktatenserie voor 1e en 2e jaar van prof. ir. M Gout; 1e t/m
6e bundel; TH Delft, afdeling Bouwkunde omstreeks 1980. Ook: Syllabus van het
college B046A03, brandveiligheid van draagconstructies, ing. D . B . Paul,
Technische Hogeschool Delft, afdeling der bouwkunde, vakgroep 4, oktober 1981 .)

steen In het algemeen vertonen steenachtige materialen een gunstig gedrag t.a.v.
de brandveiligheid . In principe zijn zij onbrandbaar en treedt (dus) geen rookpro-
ductie e.d. op. In de woningbouw, waar bijv. woningscheidende vloeren moeten
voldoen aan allerlei normen op het gebied van geluidsisolatie en brandveiligheid,
is het toepassen van steenachtige vloeren een zeer bruikbare oplossing om aan
deze eisen te voldoen . Alle steenachtige vloersystemen voldoen in principe ruim-
schoots aan de brandveiligheideisen. Een gewapende betonvloer die onderhevig is
aan langdurige, zeer hoge temperaturen, bezwijkt uiteindelijk door de verslechte-
ring van de mechanische eigenschappen van het beton staal.
Steenachtige dragende wanden voldoen meestal aan de verlangde brandwerend-
heid . Van de gunstige brandeigenschappen van steenachtige materialen werd in
het verleden gebruik gemaakt om bijv. een houten vloerconstructie een zekere mate
van brandwerendheid te geven . Het aanbrengen van een steengaas plafond direkt
tegen een houten balklaag of opgehangen aan stalen staven + beugels, werd ge-

256
acht een brandwerendheid van meer dan 70 minuten op te leveren (volgens de
toen heersende normen) . Ook het materiaal gips bezit deze gunstige eigenschap-
pen op het gebied van brand. Een plafond van gipskartonplaten genageld tegen
de balken, leverde een brandwerendheid van 30 minuten op. In de tijd dat deze
platen nog niet waren ontwikkeld, werd gewerkt met een combinatie van kalk en
gips op een hechtingslaag van riet. Dit riet was bevestigd aan tengels die onder
tegen de balken werden genageld. Bij scheidingswanden werd en wordt veelvuldig
gebruik gemaakt van gipsplaten (gecombineerd met een isolerende kern) om een
bepaalde brandwerendheid te bereiken . Hiermee kan een brandwerendheid van
meer dan 90 minuten bereikt worden.
Figuur 25b (zie blz. 253, Rockwoon geeft een indicatie voor de brandwerendheid
van scheidingswanden van de firma Rockwool. Hierbij moet aangetekend worden
dat hierbij niet expliciet vermeld wordt of getest is op de drie criteria die gelden
voor alle binnenwanden, nl. vlamdichtheid betrokken op afdichting (1), thermische
isolatie betrokken op temperatuur (3) en thermische isolatie betrokken op warmte-
straling (4). Wel wordt duidelijk vermald dat de gegeven waarden sterk afhankelijk
zijn van de aansluitingen en wijze van uitvoering .
Een aantal producten danken hun brandvertragende eigenschappen aan de ver-
werking van steenachtige materialen in het produkt. Voorbeelden zijn steenwolisola-
tiedekens en een produkt als houtwolcementplaat. Deze zijn veel toegepast om hun
brandvertragende eigenschappen . Bij steenwolisolatie is de mate van brandwerend-
heid afhankelijk van de volumieke massa van het produkt en de gekozen dikte. De
volumieke massa van steenwol kan variëren van 50 tot 150 kg/m3 . Een steenwol-
plaat met een volumieke massa van 70 kg/m3 heeft bij een dikte van 50 mm in
principe een brandwerendheid van 30 minuten . Bij een dikte van 80 mm kan de
brandwerendheid oplopen tot 60 minuten . Het materiaal asbest is jarenlang ge-
bruikt voor het brandwerend maken van constructies . Asbest-boardplaten leverden
een brandwerendheid van 60 minuten . Ook Eternit massal, fassal en glasal be-
hoorden bij deze groep. Heden ten dage mogen deze niet meer toegepast worden
vanwege het veroorzaken van grote schade aan de gezondheid bij de verwerking
ervan .

hout Hout is bij uitstek brandbaar. Het gedrag van houten balken, spanten e.d . bij
brand is evenwel nog niet zo slecht. De draagkracht van door brand aangetaste
balken blijft nog redelijk behouden gedurende enige tijd . De optredende kooIvor-
ming zorgt voor een isolerende laag rondom de kern , waardoor de temperatuur in
de kern van de balk niet snel omhoog gaat. De balk wordt geleidelijk aangetast.
De inbrandsnelheid bij een standaard brand volgens de Standaard Brandkromme
is vrijwel constant. Ook hebben de slechte warmtegeleiding en de geringe thermi-
sche uitzettinscoëfficiënt van hout tot gevolg dat de vormverandering ten gevolge
van verhitting bij brand zo gering is, dat deze zelden van invloed is op de brand-
werendheid . Uiteindelijk bezwijkt de balk door het verminderen van de doorsnede
door het verbranden van de buitenste laag.
De brijdroge tot brandvoortplanting van hout varieert tussen klasse 2 en 4. Ze
blijkt verband te houden met de volumieke massa van de houtsoort. Voor de ge-
middelde inbrandsnelheid van vlakken evenwijdig met de vezelrichting, zijn de vol-
gende waarden gevonden :
- Western-red-cedar: 0,85 mm/minuut.
- grenen, vuren en dennen : 0,65 mm/minuut.
- eiken en teak: 0,50 mm/minuut.
Om een globaal beeld te schetsen aangaande de brandwerendheid van houten
wanden en vloeren, worden hier enige voorbeelden genoemd van de brandwe-
rendheid van houten scheidingsconstructies volgens de oude normen (1981) .
- Binnenwanden bekleed met spaanplaten : 21 tot 57 minuten.
- Binnenwanden bekleed met gipskartonplaten: 28 tot 38 minuten.
- Vloerconstructies: 30 tot 87 minuten .
Hierbij waren de houten binnenwanden tweezijdig met spaanplaat ofwel gipsplaat
van oplopende dikte bekleed en al of niet voorzien van mineraalwolplaten. Het
hoogste aantal van 87 minuten haalde een plafond van pleisterwerk op Stucanet,
direct opgehangen aan een houten vloerconstructie.

staal Staal is op zich onbrandbaar. Het heeft geen invloed op de grootte van de
vuurbelasting, draagt niet bij tot de ontwikkeling of voortplanting van brand en bij
blootstelling aan vuur ontwikkelt het geen rook of schadelijke gassen . Doordat
staalprofielen echter meestal een vorm hebben, waarbij het verwarmde oppervlak
groot is t.o.v. de totale doorsnede (dun zijn dus) en staal de warmte zeer goed
geleidt, wordt een profiel zeer snel opgewarmd. Bij temperatuurverhoging treedt
uitzetting op en verslechtering van de mechanische eigenschappen van het materi-
aal, waardoor de stabiliteit en de sterkte van de konstruktie verloren gaan .
Hierdoor is het in vele gevallen noodzakelijk het stalen profiel van een isolerende
bekleding te voorzien (om metselen, instorten, spuitlaag vermiculiet, gipskarton, spe-
ciale brandisolatieplaten, pleisterlaag, hout, enz.).

aansluitingen In het begrip W B D B 0 zijn alle wegen die een brand kan afleggen

258
om van de ene ruimte in de andere te komen, opgenomen. Ook verspreiding van
de brand door kieren in aansluitingen valt hieronder. Bij de oude regelgeving
(NEN 3893) werd echter nog een specifieke eis gesteld aan aansluitingen. Zo was
in het hoofdstuk 'Buitenwanden' de volgende formulering opgenomen : "De aanslui-
ting van de buitenwand tegen wanden en vloeren tussen de woning en belendin-
gen moet zodanig zijn dat daardoor de brandwerendheid van de betreffende
constructies niet ongunstig wordt beïnvloed" . Enige voorbeelden van aansluitingen
die aan deze eis voldeden, waren eveneens in de norm opgegenomen, waarbij
vermeld werd dat die aansluitingen, waarbij een steenachtig materiaal duidelijk als
scheidend element was opgenomen, de voorkeur hadden. Volgens de huidige re-
gelgeving zou het noodzakelijk zijn deze aansluitingen (opnieuw) bij TNO te laten
testen volgens de nieuwe bepalingsmethoden).

Het beproeven van de brandwerendheid m.b.t. de scheidende functie Een aantal


producten en constructies zijn in het verleden beproefd op het gedrag bij brand
door het Centrum voor Brandveiligheid TNO . De rapporten zijn gebundeld en uit-
gegeven . De komplete verzameling bestaat uit vier losbladige (blauwe) banden en
heeft als titel 'Gedrag van bouwmaterialen, bouwconstructies en inventarisgoederen
bij brand', uitgever Koninklijke Vermande BV, Lelystad. Aangezien de hierin ver-
meide proeven gedaan zijn voordat het Bouwbesluit van kracht was en de bepa-
lingsmethoden bij het Bouwbesluit gedeeltelijk gewijzigd zijn ten opzichte van de
tijd ervoor, zijn de beproevingsresultaten in veel gevallen niet meer bruikbaar.
De nieuwe (witte) bundel, getiteld 'Brandgedrag van materialen en bouwconstruc-
ties', met als subtitel 'T NO-rapporten betreffende bouwmaterialen, bouwconstruc-
ties en inventarisgoederen', bevat nog slechts weinig testresultaten .
Om in het kader van dit onderzoek toch een globaal beeld te kunnen geven van
de mogelijkheden van materiaalgebruik in eerder genoemde wand A en scherm D,
wordt in principe gebruik gemaakt van de niet-rechtsgeldige testresultaten uit de
eerste bundel. Aangezien de waarnemingen tijdens de proef niet alleen in verkorte
tabelvorm zijn gegeven, maar ook verhalenderwijs zijn omschreven, geven zij toch
een indruk omtrent het brandgedrag van de onderzochte constructie. Vermeld moet
nog worden dat niet in alle gevallen alle criteria zijn gemeten en dat de definities
van de begrippen vroeger soms anders waren dan nu . Hierna volgen enige voor-
beelden van willekeurig gekozen scheidingsconstructies onder vermelding van enke-
le testresultaten. De omschrijving van de constructie en haar onderdelen is i.v.m. de
overzichtelijkheid van het onderhavige onderzoeksrapport zeer globaal gehouden.
Een voorbeeld hiervan is de term 'gipskartonplaat'. Niet is vermeld of het om een
standaardplaat gaat of om een glasvezelgewapende plaat. Voor de gedetailleerde
rapporten zij verwezen naar de hiervoor genoemde bundel van TNO .

Enige voorbeelden van (verouderde) testresultaten op scheidingswanden.

Scheidingswand lsover, type 3.40.05 (zie tekening 26) .


- stalen U-profielen 75 x 50 mm;
- glaswol 65 mm en;
- gipskartonplaat 2 x 2 lagen 12,5 mmo
Beproevi ngsresultaten:
- 81 minuten: maximale temperatuurstijging 180 oe (thermische isolatie, tempera-
tuur) en;
- 96 minuten: medicinale watten voor een scheur ontbranden (vlamdichtheid, af-
dichting).

Scheidingswand moduulpanelen Stramiplac-60 ((zie tekening 27).


- strovezelplaat 50 mm en;
- gipskartonplaat 2 lagen 9,5 mm, gelijmd.
Beproevi ngsresultaten:
- 51 minuten: scheurtjes 0,5 mm zichtbaar (vlamdichtheid, afdichting!?);
- 62 minuten: maximale temperatuurstijging 180 oe(thermische isolatie, tempera-
tuur) en;
- 62 minuten: medicinale watten voor een scheur ontbranden nog niet (vlam-
dichtheid, afdichting!?).

Scheidingswand IW 100, VP 35 panelen, onbelast (zie tekening 28).


2 spouwbladen uit VP panelen met 30 mm steenwol in de spouw. Per paneel:
- houtspaanplaat 16 mm en;
- gipskartonplaat 2 x 9,5 mm gelijmd.
Beproevingsresultaten:
- 75 minuten: maximale temperatuurstijging 180 oe
(thermische isolatie, tempera-
tuur);
- 76 minuten: naad trok open en vuur sloeg door de opening (vlamdichtheid, af-
dichting) en;
- 77 minuten: wand nog niet bezweken.

Scheidingswand met Promatect-H-platen, onbelast (zie tekening 29).

260
tekening 26

tekening 27

tekening 28
-
<0
N

[ /\/lY\/ tekening 29

[!\i& tekening 30

tekening 31
- stalen profielen, gevouwen en gevalvaniseerd;
- steenwol 70 mm en;
- Promatect-H-platen, 1 x 15 mm en 1 x 20 mmo
Beproevi ngsresultaten:
- 138 minuten : maximale temperatuurstijging 180 oe
(thermische isolatie, tempe-
ratuur);
- 145 minuten: wand nog niet bezweken en;
- 145 minuten: volgens oude normen nog vlamdicht.

FS-wand Faay Vianen, onbelast (zie tekening 30).


- vlasvezelplaat 34 mm;
- gipskartonplaat 2 x 9,5 mm gelijmd en;
- houten veer tussen de panelen 30 x 18 mm o
Beproevi ngsresultaten:
- 43 minuten: maximale temperatuurstijging 180 oe(thermische isolatie, tempera-
tuur);
- 43 minuten : medicinale watten voor een scheur ontbranden nog niet (vlam-
dichtheid, afdichting) en;
- 43 minuten: wand nog niet bezweken .

Heembeton scheidingswand, doosvormige elementen (zie tekening 37).


- kern van geprofileerd polystyreenschuim 30 mm met gaten erin, gevuld met
beton en;
- omgeven door gewapend beton uit een zand-cement-vliegasmortel, dik 20 mmo
Beproevingsresultaten :
- 8 minuten: er ontstaat een klein scheurtje (vlamdichtheid, afdichting ??);
- 22 minuten: medicinale watten voor een scheur ontbranden (vlamdichtheid, af-
dichting) en;
- 30 minuten: wand nog niet bezweken .

Toepassing van de nieuwe normen op de (verouderde) testresultaten t.b.v. wand A


en C en scherm D (verhitting van binnenuit): Om de gegevens te kunnen toepassen
op de te onderzoeken wanden, nl. wand A, B en scherm D, moeten zij zo goed
mogelijk geïnterpreteerd worden naar de nieuwe normen toe. Voor deze drie wan-
den geldt een brandwerendheidseis m.b.t. de scheidende functie van 30 minuten .
Deze eis komt in ieder geval voort uit het feit dat het een scheiding tussen een be-
sloten ruimte en een vluchtweg betreft (wand A en e en scherm D), danwel een

262
scheiding tussen twee vluchtwegdelen (scherm D) . In het voorgaande hebben we
gezien, dat voor de brandwerendheid m.b.t. de scheidende functie vijf criteria be-
staan. Nu is het zo dat niet voor ieder onderdeel van een scheidingsconstructie
alle vijf de criteria van toepassing zijn . In figuur 25 is te zien welk criterium voor
welk onderdeel geldig is. Voorlopig gaan we uit van de volgende veronderstellin-
gen :
- Zowel wand A en C als scherm D beschouwen we als een wand .
- Wand A en scherm D zijn buitenwanden en we bekijken het geval van verhitting
vanuit de binnenzijde. De volgende criteria zijn dan geldig voor wand A en
scherm D:
(1) Vlamdichtheid betrokken op afdichting.
(2) Vlamdichtheid betrokken op ontvlambaarheid.
(4) Thermische isolatie betrokken op warmtestraling.
Scherm D is theoretisch een buitenwand tussen twee vluchtwegdelen . Hiervoor geI-
den echter geen aparte criteria .
Bi j een 'binnenwand tussen twee vluchtwegdelen' zou criterium (2) vervangen moe-
ten worden door criterium (3), thermische isolatie betrokken op temperatuur. Niet
de ontvlambaarheid, maar de temperatuurstijging van het niet verhitte oppervlak
zou dan van belang zijn . Wand C daarentegen, tussen de woning en de gang IS
een binnenwand geworden . Daarvoor gelden de volgende criteria :
(1) Vlamdichtheid betrokken op afdichting .
(3) Thermische isolatie betrokken op temperatuur.
(4) Thermische isolatie betrokken op warmtestraling.
Voor deuren of ramen gelden andere criteria dan voor wanden .
Dat is op zich eenduidig, wanneer het inderdaad gaat om een deur of relatief
klein raam, geplaatst in een wand . Het wordt echter onduidelijker wanneer men
bijv. scherm D geheel transparant maakt. Is het dan een wand of is het een groot
raam ? Definities op dit gebied zijn niet te vinden in het Bouwbesluit. Eerst even
terug naar de hier voorgaande voorbeelden van diverse scheidingsconstructies.
In de TNO -rapporten is in het hoofdstuk Brandwerendheid van Bouwdelen,
muren en wanden, weinig te vinden over warmtestraling. Kennelijk is daar inder-
tijd niet op getest. Het is dus niet mogelijk om deze gegevens te interpreteren naar
de drie wanden . Hetzelfde geldt voor het criterium vlamdichtheid betrokken op ont-
vlambaarheid, de test met de gasbrander. Wel wordt er melding gemaakt van de
vorming van kleine of grote scheurtjes en het ontbranden van medicinale watten,
die voor een scheur gehouden werden . Er was echter nog geen sprake van een
standaardmeting van de scheuren d.m.v. kalibers o.i.d ..
Ook de temperatuurstijging van 180 °C op een bepaald punt is gemeten (thermi-
sche isolatie betrokken op temperatuur) . Verder zijn er gegevens te vinden omtrent
bezwijken, maar dat is in dit geval niet interessant, aangezien het scheidingswan-
den betreft.
Welke wanden voldoen (bij verhitting van binnenuit, zie figuur 39) Conclusie: wan-
neer slechts de min of meer bruikbare criteria beschouwd worden (1 en 3), is te
zien dat alle voorbeeldwanden op de Heembeton scheidingswand na voldoen aan
die eisen van de W B D B0, zowel voor de buitenwanden A en D als voor de bin-
nenwand C.

Toepassing van de nieuwe normen op de (verouderde) testresultaten t.b.v. ramen


en deuren in wand A en C en scherm D. (verhitting van binnenuit) Zoals hiervoor
vermeld, gelden voor ramen en deuren in genoemde wanden andere criteria op
het gebied van brandveiligheid.
In buitenwanden (A en D) en binnenwanden-algemeen (C) moeten voldoen aan:
(1) vlamdichtheid betrokken op afdichting (1) en;
(3) thermische isolatie betrokken op temperatuur (3) .
In binnenwanden tussen vluchtwegdelen moeten zij voldoen aan:
(1) vlamdichtheid betrokken op afdichting en;
(4) thermische isolatie betrokken op warmtestraling.
Voor ramen en deuren in buitenwanden tussen vluchtwegdelen zijn echter, evenals
voor de wand zelf, geen aparte criteria te vinden in het Bouwbesluit, behalve de
eis dat zij zelfsluitend moeten zijn . Wel worden zij genoemd in de NEN 6068 en
NPR 6091 in verband met het berekenen van de brandoverslag via het stralings-
modeI. Daar wordt gesteld dat die delen van een gevel die een brandwerendheid
m.b.t. de scheidende functie bezitten van minder dan 30 minuten, als openingen
worden beschouwd.

Scherm D zou dus op vier manieren gedefiniëerd kunnen worden, nl.:


1 als raam tussen twee vluchtwegdelen (eigenlijk voor binnenwanden bedoeld);
2 als raam in een buitenwand;
3 als wand tussen vluchtwegdelen (eigenlijk voor binnenwanden bedoeld) en;
4 als buitenwand.
ad 1 Scherm D als raam tussen twee vluchtwegdelen . Het scherm zou in dat
geval moeten voldoen aan de criteria (1) en (4). De bedoeling van deze regel is
dat personen veilig langs het scherm kunnen vluchten . Er is in principe geen inven-
taris of stoffering aanwezig (gordijnen e.d .), die men wel in een verblijfs-, maar

264
niet in een verkeersruimte mag verwachten. Vandaar dat minder belang is gehecht
aan de warmte-isolatie. Dit criterium is immers van belang als er kans bestaat dat
de inventaris aan de andere zijde in brand raakt doordat die zijde te heet wordt.
Wand C moet in dit geval de brandwerende functie verzorgen, die van een bui -
tenwand geëist wordt. Ramen en deuren in wand C moeten dan voldoen aan de
criteria (1) en (3) . Dit is geen verzwaring voor de ramen en deuren in wand C,
aangezien deze, als ramen in een binnenwand beschouwd, ook aan de criteria (1)
en (3) moet voldoen .
ad 2 Scherm D als raam in een buitenwand .Het scherm zou in dit geval moeten
voldoen aan de criteria (1) en (3) .
ad 3 Scherm D als wand tussen vluchtwegdelen en
ad 4 Scherm D als buitenwand .
Deze gevallen zijn hiervoor reeds behandeld in het kader van de gesloten schei-
dingswanden.
Om een globaal beeld te krijgen van het soort deuren en ramen dat van toepas-
sing zou kunnen zijn, zijn wederom de rapporten van een aantal willekeurige deu-
ren en ramen uit de oude TNO-bundels bestudeerd.
Dit levert het volgende beeld: 11)
Raam met Georgian spiegeldraadglas (zie tekening 32) . .0
- Georgian spiegeldraadglas 6,9 mm o gevat in; N
- stalen L-profielen in;
- betonwand lichtgewicht.
Beproevingsresultaten:
- 5 à 10 minuten: de gemiddelde en maximale temperatuurstijging zijn bereikt
(thermische isolatie, temperatuur);
- 54 minuten: stralingsintensiteit 15 kW/ m2 (thermische isolatie, straling) en;
- 91 minuten: scheur 6 mm breed, 150 mm lang (vlamdichtheid, afdichting [?]).

Pyrostop beglazing dik ca 15 mm in een houten kozijn (zie tekening 33)


- Floatglas helder 4 x 2,6 mm en;
- Natrium-Silikaat 3 x 1,5 mm o
De ruit was op een speciaal omschreven wijze gemonteerd in een gasbetonnen
muur. Beproevingsresultaten:
- 32 minuten: een weinig damp en/of rook ontwijkt uit de diverse scheuren
(vlamdichtheid, afdichting [?]);
- 39 minuten: rookontwikkeling neemt sterk toe (vlamdichtheid, afdichting [?]);
- 40-43 minuten: gemiddelde temperatuurstijging 140°C. (idem boven) en;
- 43 minuten : maximale temperatuurstijging 180 oe. (thermische isolatie, tempe-
ratuur. De stralingsintensiteit is niet gemeten .

Pyrostop beglazing dik ca 15 mm in een stalen kozijn (zie tekening 34) .


- Floatglas helder 4 x 2,6 mm en;
- Natrium-Silikaat 3 x 1,5 mm o
De ruit was op een speciaal omschreven wijze gemonteerd in een gasbetonnen
muur.
Beproevingsresultaten :
- 28 minuten: plaatselijk ontwijkt damp en/of rook uit de diverse scheuren (vlam-
dichtheid, afdichting [?]);
- 40 minuten: rookontwikkeling neemt sterk toe (vlamdichtheid, afdichting ???);
- 45-47 minuten : gemiddelde temperatuurstijging 140 oe.
(idem boven) en;
- 47 minuten: maximale temperatuurstijging 180 oe.
(thermische isolatie, tempe-
ratuur) . De stralingsintensiteit is niet gemeten .

Opdekdeur met stalen kozijn (zie tekening 35) .


- 3 paumelles;
- 3 borglippen;
- veel borgklauwen;
- allerlei bij verhitting opschuimende materialen;
- dag- en nachtslot;
- spaanplaat 33 mm;
- hardboard, 2 x 3,2 mm;
- opdekprofielen kunststof en;
- bovenlicht van draadglas, in 2 richtingen gewapend, 6 mm o
De deur was op een speciaal omschreven wijze gemonteerd in een gasbetonnen
muur. Beproevingsresultaten (beproefd tot 30 minuten).
Deur draait naar het vuur toe (1):
- 15-20 minuten : temperatuurstijging kozijn 180 oe
(thermische isolatie, tempera-
tuur);
- 23-29 minuten : constant lekvlammen zichtbaar ter plaatse van bovenzijde deur.
Per vlam 2-5 sekonden zichtbaar (vlamdichtheid, afdichting [?]);
- 30 minuten: constant vlammen zichtbaar ter plaatse van bovenzijde deur (vlam-
dichtheid, afdichting);
- 30 minuten: gemiddelde temperatuurstijging deurblad 63 oe
(thermische isola-
tie, temperatuur) en;

266
- 30 minuten : maximale temperatuurstijging deurblad 120 oe
(thermische isolatie,
temperatuur) .
Deur draait van het vuur af (2) :
- 5-10 minuten: temperatuurstijging kozijn 180 oe
(thermische isolatie, tempera-
tuur);
- 35 minuten: vlammen ter plaatse van bovenzijde deur meer dan 10 seconden
onafgebroken zichtbaar (vlamdichtheid, afdichting) en;
- 35 minuten : gemiddelde temperatuurstijging deurblad 65 oe
(thermische isola-
tie, temperatuur).

Stompe houten deur type Bruynzeel P-71 in een gevuld Polynorm inmetselkozijn
(zie tekening 36) .
- deur van spaanplaat met 2 x hardboard en;
- kozijn stalen Polynorm, gevuld met zand-cement mortel.
Beproevi ngsresultaten :
Deur draait naar het vuur toe: (1):
- 27 minuten : Vuurgloed waaarneembaar bij bovenhoek deur aan de slotzijde
(vlamdichtheid, afdichting ???);
- 30 minuten : constant vlammen zichtbaar (vlamdichtheid, afdichting);
- 30 minuten : maximale temperatuurstijging deurblad 74°C (thermische isolatie,
temperatuur);
- 30 minuten : gemiddelde temperatuurstijging deurblad 56 oe (thermische isola-
tie, temperatuur) en;
- 30 minuten: maximale temperatuurstijging kozijn 57 oe (thermische isolatie,
temperatuur).
Deur draait van het vuur af (2):
- 40 minuten: maximale temperatuurstijging deurblad 89 oe(thermische isolatie,
temperatuur);
- 40 minuten : gemiddelde temperatuurstijging deurblad 83 oe (thermische isola-
tie, temperatuur) en;
- 40 minuten: maximale temperatuurstijging kozijn 148 oe (thermische isolatie,
temperatuur).
Opvallend is dat bij de draairichting naar het vuur toe na 30 minuten de tempe-
raturen van deurblad en kozijn nog laag zijn . Op dat moment zijn echter constant
vlammen zichtbaar tussen deurblad en kozijn . Het criterium vlamdichtheid, betrok-
ken op afdichting is bereikt. Bij de draairichting, van het vuur af, is na 40 minu -
ten nog slechts een maximale temperatuur op het kozijn bereikt van 148 oe. De
proef is op dat moment beëindigd . Volgens de oude normering wordt nog steeds
voldaan aan het criterium vlamdichtheid , aangezien er nog niet constant vlammen
zichtbaar waren . De dempende invloed van de zand-cement mortel is duidelijk te
zien in de lager blijvende oppervlaktetemperaturen van het kozijn.

Glazen bouwstenen type 300 fabrikaat Gerrix ([Door TNO ingedeeld onder het
hoofdstuk 'Muren en wanden' .
- 300 x 300 x 100 mm en;
- voegen beton met stalen wapening
Beproevingsresultaten:
- 10- 12 minuten : maximale temperatuurstijging 180 0( ;
- 20-30 minuten: gemiddelde temperatuurstijging 140 0( ;
- 29 minuten : er ontstaat een gat aan de niet direct verhitte zijde; medicinale
watten ontbranden (vlamdichtheid, afdichting);
- 50 minuten: stralingsintensiteit op 1 m voor de wand 9 kw /m2;
- 54 minuten: grote doorgaande openingen; vlammen treden naar buiten en;
- 50 minuten: uitgezonden stralingsintensiteit: 14 kW/ m2.
Pyroguard gelamineerd blank spiegeldraadglas in een stalen kozijn (zie tekening
38).
- spiegeldraadglas, dik 7 mm, gevat in een;
- stalen kozijn van kokerprofielen en;
- 2 lagen blank floatglas met een kunststof interlayer waarin een draadgaaswa-
pening .
Beproevingsresultaten :
- 46 minuten: ontoelaatbare openingen (vlamdichtheid)
- 48 minuten: stralingsintensiteit op 1 mafstand 10 kW/m2 .
Uit de rapporten blijkt dat bij de beproevingen van ramen en deuren dikwijls wel
de stralingsintensiteit is gemeten . Kennelijk liep men hier al iets vooruit op de nieu-
we normeringen . Bij een stralingsintensiteit van 15 kW / m2 moet men ervan uit-
gaan dat brandbare materialen in de omgeving van de ruit in brand kunnen
raken (gordijnen e.d.). Het is dan voor personen nog wel mogelijk langs deze ruit
te vluchten. Bij een stralingsintensiteit van ca . 20 kw/m2 (volgens DP 2 [?]) is ook
dit laatste niet meer mogelijk. Zoals eerder vermeld zijn er geen eenduidige defini-
ties te vinden die aangeven wanneer iets een raam of wanneer iets een wand ge-
noemd moet worden . Het is dus interessant om de min of meer transparante
constructies op twee manieren te bekijken, nl. als raam en als wand . De criteria
zijn immers verschillend voor deze twee categorieën .

268
Welke transparante constructies voldoen (bij verhitting van binnenuit) als raam,
deur of wand.?
Conclusie: nu kan bekeken worden of de W B D B0 van 30 minuten, die voor alle
drie de onderzochte wanden A, C en D en voor de deuren en ramen in die wan-
den gehaald moet worden, het toestaat een van de genoemde constructies toe te
passen.
De volgende mogelijkheden en criteria moeten beschouwd worden:
- Scherm D als buitenwand: (1, 2, 4)
- Scherm D als raam in buitenwand : (1, 3)
- Scherm D als wand tussen vluchtwegdelen: (1, 3, 4)
- Scherm D als raam in wand tussen vluchtwegdelen : (1, 4)
- Wand C als binnenwand: (1, 3, 4)
- Wand C als raam in binnenwand: (1, 3)
- Wand C als buitenwand: (1, 2, 4)
- Wand C als raam in buitenwand: (1, 3)
- Wand A als buitenwand: (1, 2, 4)
- Wand A als raam in buitenwand: (1, 3)

( van 1 inks naar recht s ) tekening 32 en tekening 33


15rrun

staal- ~ floatglas

natriurnsilicaat
ce r amic
fibre L- profiel

spiegeldraadglas
rrun

...~_ _ _ siliconenkit

,*~~r--- fiberfrax

*>"t-_merantikozijn
Opdekdeur met stalen kozijn. Deze voldoet niet in wand A en C, onafhankelijk
van het feit of wand C als binnenwand of als buitenwand beschouwd wordt. Ook
voldoet hij niet in wand D, indien deze als buitenwand beschouwd wordt (1, 3).
Dit komt voornamelijk doordat het kozijn te heet wordt. Wanneer de deur naar het
vuur toedraait, wordt bovendien niet voldaan aan het criterium vlamdichtheid, aan-
gezien de kozijnstijlen zo krom trekken, dat grote spleten ontstaan aan de boven-
zijde van de deur. Wanneer de deur van het vuur afdraait, wordt het kozijn nog
sneller heet en trekt het iets minder krom. Het voldoet daardoor nog minder aan
het criterium thermische isolatie betrokken op temperatuurstijging en zou net vol-
doen aan het criterium vlamdichtheid betrokken op afdichting. Als de deur in
wand D zou hij nog wel kunnen voldoen, als deze als scheiding tussen vluchtweg-
delen beschouwd wordt (1,4) en als hij voldoet aan het criterium straling, waar hij
in het verleden niet op getest is.
Stompe houten deur type Bruynzeel P-71 in een gevuld Polynorm inmetselkozijn.
Met de temperatuurstijging zit het wel goed (zie eerdere omschrijving). Wat betreft
vlamdichtheid voldoet deze constructie niet of net als de deur naar het vuur toe
draait en hij voldoet wel, wanneer de deur van het vuur afdraait. De straling is
weer niet getest. In principe zou deze deur dus in alle gevallen kunnen voldoen,
als hij ook voldoet aan het criterium straling .
Georgian spiegeldraadglas. Wanneer men deze constructie beschouwt als een
raam in een buitenwand (A en D) of in een binnenwand (C), dan moet voldaan
worden aan de criteria 1 (vlamdichtheid) en 3 (thermische isolatie) . De dunne
glasruit haalt uiteraard het criterium temperatuur nooit. AI na 5 à 10 minuten zijn
de maximaal toelaatbare temperatuurstijgingen behaald. Als raam in een wand
tussen vluchtwegdelen (D), criteria 1 en 4 (straling), zou hij echter ruim voldoen,
evenals een aantal andere spiegeldraadglasconstructies. Wanneer deze constructie
echter beschouwd zou worden als een wand, dan gelden de criteria 1 (afdichting),
2 (ontvlambaarhei) en 4 (straling) bij een buitenwand en 1, 3 (temperatuur) en 4
bij een binnenwand of een wand tussen vluchtwegdelen . De afdichting is uitste-
kend . Pas na 91 minuten ontstaan er scheuren groter dan 6 mmo Ook de straling
is pas na 54 minuten 15 kw /m2 groot. Helaas werd bij de beproevingen niet ge-
test op vlamdichtheid, betrokken op ontvlambaarheid. Als buitenwand zou deze
constructie volgens de tot onze beschikking staande oude gegevens wel voldoen
aan de vereiste W D B DO, als binnenwand (C) voldoet hij niet, vanwege het cri-
terium temperatuur. Als wand tussen vluchtwegdelen (D) voldoet hij ook niet.
Pyrostop beglazing in een houten of stalen kozijn. Als raam in een buitenwand of
binnenwand voldoet deze waarschijnlijk aan de norm, hoewel niet helemaal duide-

270
l5nun

i ~OJ
::'i;~lJi~;:i
~tJ hardboard

spaanplaat

6nun draadglas

s peciaa l profiel mo r tel

hardboard

spaanplaat

(linksboven) tekening 34, (linksonder en r echtsboven) tekening


35, (rechtsonder) tekening 3 6

lijk is of de vlamdichtheid betrokken op afdichting van 32 minuten ook volgens de


nieuwe beproevingsnormen zou voldoen. De thermische isolatie is goed genoeg,
terwijl de straling helaas niet is gemeten . Als raam tussen vluchtwegdelen (Dl is
het de vraag of de straling wel aan de norm voldoet. Als buitenwand en als wand
tussen vluchtwegdelen zou hij nog kunnen voldoen met de ons ter beschikking
staande gegevens. De hoge prijs is wellicht een nadeel bij toepassing van deze
constructie in grote oppervlakken .
Glazen bouwstenen Gerrix. Voldoet net niet aan het criterium vlamdichtheid, be-
trokken op afdichting . Na 29 minuten ontbranden medicinale watten . De maximale
temperatuurstijgingen zijn dan allang bereikt, zij het iets minder snel dan bij de
. Arredafeu MS kit figuur 38
Überfrax
spiegeldraadglas ruit. Stralingsintensiteit ech-
stelblokjes
ter zeer gunstig . Na 50 minuten is deze pas
14 kWjm2. Als raam in een buitenwand
zou deze constructie in ieder geval niet vol-
doen vanwege het zwakke punt van de tem-
peratuurstijging . Als raam
tussen vluchtwegdelen wel. Als wand voldoet

D
hij net niet, aangezien de vlamdichtheid een
probleem is, zij het dat de norm bijna be-
reikt wordt.
Uit de schema's van figuur 39 is deze op-
somming materialen eveneens af te lezen.
Ook kunnen de conclusies getrokken worden
omtrent de brandwerendheid bij verhitting
van buitenaf. Bij verhitting van buitenaf speelt
in alle gevallen de temperatuurstijging een rol (criterium 3, zie tekening 25) . Wel
mag dan gebruik gemaakt worden van de Gereduceerde Standaard Brandkromme,
waardoor de gevonden waarden veranderen . De conclusies bij ramen en deuren
zijn gelijk aan die van verhitting van binnenuit, zodat weer de spiegeldraadglasra-
men afvallen vanwege hun geringe thermische isolatie en de pyrostopramen
hoogstwaarschijnlijk voldoen . Ook de stompe houten deur voldoet aan de eisen .
Voor de buitenwanden geldt nu, in tegenstelling tot verhitting van binnenuit,
eveneens de eis betreffende de temperatuurstijging, plus de stralingseis. De geteste
dichte wanden blijven in principe voldoen, terwijl van de transparante constructies
slechts de pyrostop ramen nog een kans maken . De glazen bouwstenen wand is
nu geheel uit het zicht verdwenen vanwege de te geringe thermische isolatie.
Wanneer de oude normen gehanteerd worden, hoeft de verhitting van buitenaf niet
in de beschouwing opgenomen te worden, aangezien de betonnen galerijplaat bij
het entreegebied met zijn 110 cm breedte een horizontale brandscheiding ver-
zorgt, die volgend de oude norm slechts 60 cm breed hoeft te zijn . Aangezien de
nieuwe norm dit onderwerp nog niet eenduidig beschrijft, wordt bij dit onderzoek
uitgegaan van de oude normen.
Nieuw testrapport. Latere onderzoekingen brachten een testrapport van november
1993 aan het licht, dat de moeite waard is om toch nog vermeld te worden .
Hierbij werd nl. wederom een pyrostop beglazing door TNO doorgemeten, waar-

272
CRITERIA

~ . ~ ~~~--~--------~
~ u
~
"
~ ~ ~~~--~---------'--
00
~
"00

~ § ~~...,.---,-..,....:.--....,...--...,.......;---,
C< u

figuur 39

bij nu wèl de straling gemeten was. Bovendien kan aangenomen worden, lettende
op de datum, dat bij deze test rekening is gehouden met de eisen volgens het
Bouwbesluit. Brandwerendheid volgens NE N 6069, opzoeken welke dat in het
oude geval was . Hier volgen de gegevens:

Pyrostop beglazing dik ca 15 mm in een houten kozijn. (1993) Type: Pyrostop 30-
10 ofwel Sipo-Mahagoni .
- Floatglas helder 4 x 2,6 mm en;
- Natrium-Silikaat 3 x 1,5 mm o
De ruit was op een speciaal omschreven wijze gemonteerd in een muur van cel-
lenbeton. Beproevingsresultaten :
- 56 minuten: vlammen ontstaan aan de niet direct verhitte zijde t.p.v. de boven-
CRITERIA CONCLUSIE

Raam of deur in buitenwand


A en D van binnen verhit.
Raam of deur in buitenwand C
van binnen verhit

54

>48

>50

(boven) figuur 39.1 , (onder) 39 , 2 (rechterpagina) 39.3

274
CRITERIA CONCLUSIE

- Buitenwand A, c en D
van binnen verhit .

max .
180 0

81min

62
'0
C
~ L -______~---4~75~~------_+---------
Ö'
.~ 138
~ ~------~---4~~~------_+--~~---

~ ~~--------~--4-~43~~------_+--~~~
Cl)

5 á 10 min.

<lJ
~.~ ~~~~~~~~~-J
'"
~ '-'
u 40-43 43
Cl, 2 I-;;:~~~;-;'-"~~~~-
Ol '-'
C Ol 45-47 47
~ § f-:,:-=.:;;:...":"O-~..;.:;,;~~~-.
~ u
20-30 10-12

niet van toepassing

rand van de beglazing. (vlamdichtheid, afdichting);


- ± 50 minuten: gemiddelde temperatuurstijging 140 oe
en maximale tempera-
tuurstijging 180 oe
bereikt en;
- 56 minuten: De stralingsintensiteit op 1,00 m afstand vanaf de beglazing is
slechts 1,2kW/m2.
Bij deze nieuwe metingen is gebleken, dat de eerder in dit hoofdstuk vermelde ver-
onderstellingen aangaande de toepasbaarheid van de Pyrostop beglazing juist
waren. Dit materiaal voldoet op alle fronten in de onderzochte scheidingsconstruc-
ties, zowel gedefiniëerd als wand of raam. De criteria 1 (vlamdichtheid betrokken
op afdichting), 3 (thermische isolatie betrokken op temperatuur) en 4 (thermische
isolatie betrokken op straling) worden ruim gehaald. Het criterium 2 (vlamdichtheid
betrokken op ontvlambaarheid) is echter nog niet uit het rapport te halen.
CRITERIA

- wand D tussen vluchtwegdelen


- wand C binnenwand ~~~~~~
- wand A en D van buiten ver-
hit

"
Q)
o niet van toepassing

276

Related Interests